click op foto, voor nog een foto De ochtend van de 10e juli 1941, bij het speelkwartier, gonst het over het schoolplein dat meester Janszen is weggestuurd en nooit meer terugkomt. Hij zou tegen Kruimink hebben gezegd dat hij alleen maar leerlingen in de klas had en geen joodse en als daar kinderen van weg moesten, dan ging ook hij weg.
Bij de eerste gelegenheid die zich die donderdagochtend voordeed, leest schoolhoofd Kruimink zijn onderwijzend personeel voor uit de circulaire die hij die ochtend van het stadhuis had ontvangen:
'Bij deze verzoek ik U mij voor 13 juli a.s. een nominatieve opgaaf te verstrekken van de leerlingen Uwer school, die van Joodschen bloede zijn. Als te zijn van Joodschen bloede moeten worden beschouwd de kinderen, die drie of vier Joodsche grootouders hebben en voorts de kinderen, die twee Joodsche grootouders hebben en die zelf of wier ouders tot een Joodsche kerkelijke gemeente behooren'
Kruimink vraagt hen de gevraagde namen van joodse leerlingen in hun klassen die zelfde dag nog door te geven. Het is toch al een hectische dag, want juist die avond zal het jaarlijkse afscheidsfeestje van de zesde klassers, voor medeleerlingen en ouders plaatsvinden. Mevrouw Boom, onderwijzeres van de 5e klas moppert hardop en hartgrondig, dat dit maar aan de ouders zelf moet worden gevraagd. Kruimink moet daarop de opdracht uitdrukkelijk herhalen voor de drie onderwijzeressen van de lagere klassen. Schoorvoetend worden hem de lijstjes van de verschillende klassen bezorgd. Maar meester Janszen weigert. Hij zegt tegen Kruimink dat hij onmogelijk aan de namen noch aan de gezichten kan zien, welke van zijn leerlingen van joodse bloede is en dat hij alleen Nederlandse kinderen in de klas heeft.
De verstandhouding met collega Janszen is toch al niet al te best, zodat Kruimink even niet weet hoe hij moet reageren op deze openlijke aantasting van zijn gezag. Hij neemt contact op met de afdeling Onderwijs van het Stadhuis. Binnen een uur heeft wethouder Smit zich over deze kwestie gebogen en wordt meester Janszen ten stadhuize ontboden. Daar aangekomen krijgt hij te horen dat hij onmiddellijk is geschorst. Bovendien wordt hem uitdrukkelijk verboden zich vóór het verstrijken van de termijn van de schorsing naar de school te begeven. De schorsing wordt opgelegd tot en met zaterdag 12 juli, de dag dat de zomervakantie aanvangt.
Later verklaarde meester Janszen:
:'.. Alhoewel Kruimink wist wie de leerlingen van de school waren, kwam hij speciaal naar mij om te vragen of ik de namen van de Joodsche leerlingen van mijn klas had genoteerd. Ik antwoordde hem dat ik alleen Nederlandsche kinderen in mijn klas had en ik niet in staat was uit te maken wie van hen Joodsche kinderen waren. Daar kwamen natuurlijk woorden over met het gevolg dat Kruimink den Wethouder telefonisch opbelde en ik mij een half uur later op het Stadhuis bevond. Ik werd toen voor mijn gedrag tegenover Kruimink geschorst met behoud van salaris.'
Maar meester Janszen is degene die net als alle vorige jaren, zorg draagt voor het afscheidsfeestje. Hij studeert met de zesdeklassers de toneelstukjes in en oefent met het koortje de liedjes. Dat hij is geschorst, vindt hij tot daar aan toe, maar niet dat hij niet terug naar school mag. De zesdeklassers die van school afgaan kan hij niet in de steek laten. Hij negeert het verbod en gaat terug naar school, om 's middags het afscheidsfeestje voor te bereiden.
In een rapportje dat schoolhoofd Kruimink, geschreven in heldere blokletters, op de 17 juli aan de wethouder stuurt, staat dan ook
'.. Ondanks dat verbod is genoemde onderwijzer onmiddellijk naar de school gegaan. Het gevolg was, dat binnen twee uur bij de bevolking van het tuindorp Watergraafsmeer de schorsing bekend was, met de toelichting, "dat bedoelde onderwijzer geweigerd had de Joodsche leerlingen af te zonderen."
Dit, gezien de mentaliteit der bevolking aldaar, is de oorzaak dat de onderwijzer Janszen als een "martelaar" wordt beschouwd, en dat er een vijandige stemming is ontstaan tegen het hoofd der school. Deze stemming kwam o.a. ondubbelzinnig tot uiting in een bijeenkomst der ouders op dezelfde avond ter gelegenheid van een afscheidsfeestje der beide zesde klassen'
Marianne de Vries is helemaal overstuur als ze tussen de middag thuiskomt. Ze vertelt over het vertrek van meester Janszen en zegt dat ze niet meer naar die school wil. Tot haar verbazing hebben haar ouders daar begrip voor. Maar 's avonds is Marianne nog van de partij op het afscheidsfeestje voor de zesdeklassers; de volgende dag schrijft ze haar meester een briefje
'Lieve Meneer Janszen. Ik heb geen zin meer in leren. Vanmorgen heb ik nog gezegd: "Als meneer Janszen niet meer op school mag komen, dan ga ik naar de Pieter Nieuwlandschool." Het feestje gisteren was er helemaal door verknoeid. We hebben nog een ijsje gehad maar, ik zeg het zelfde als Ellen, als het niet van een jodenman was gekocht had ik het niet opgegeten. De toneelstukjes gingen niet erg vlot, maar één ding was prachtig, dat was met Jan Klaassen er waren oranje bloemen. Marianne'
Die zaterdag ontvangt meester Janszen het officiële bericht van zijn schorsing:
'Overwegende, dat L. Janszen, onderwijzer aan de Watergraafsmeerschool, onbehoorlijk is opgetreden tegenover het hoofd der school;
Gelet op art. 37 der Lager Onderwijswet 1920;
Besluit:
den onderwijzer L. Janszen voornoemd de straf van schorsing op te leggen voor het tijdvak van 10 tot en met 12 Juli 1941 met behoud van wedde'.
Daags daarop, gaat vader Lau met vrouw en de vier kinderen op vakantie. Dit jaar is het Hulshorst, waar ze samen met zijn boezemvriend Leo Kaas, diens vrouw Bep en hun drie kinderen intrek nemen op een boerderij.
HET BRIEFJE VAN MARIANNE