De Watergraafsmeerschool had in het schooljaar 1940-41 zeven klassen; zes opvolgende leerjaren en nog een kleine extra zesde klas, als restant van de naastgelegen Daniel Stoopendaelschool, die in 1936 was opgeheven. Johannes Kruimink, Hoofd der School, stond voor de 6e klas, meester Jan Graewert, deed de andere zesde, mevrouw Froukje Boom-de Vries de 5e en meester Lau Janszen stond voor de 4e. De drie lagere klassen werden dat schooljaar geleid door mevrouw Hiltje van de Bos-Kiljan, mejuffrouw Truida Bos en de weduwe Tine Meijer.
Nadat meester Janszen was geschorst en vervolgens overgeplaatst naar een andere school [zie het artikel een kleine heldendaad] probeerde Hoofd Kruimink in het nieuwe schooljaar een nieuwe onderwijzer te krijgen. Hij verzocht de wethouder om een mannelijke leerkracht die ook handenarbeid kon geven; maar hij kreeg nul op request. De formatie ging terug van zeven naar zes leerkrachten omdat de dubbele zesde klas van school was en het leerlingenaantal, mede door het vertrek van de 12 joodse leerlingen drastisch was gedaald, naar onder de 255, het maximumaantal voor zes leerkrachten. Meester Graewert nam na de vakantie de vijfde over, waar Janszen had moeten staan en mevrouw Boom kreeg de 4e klas.
Maar beide leerkrachten maakten dat schooljaar niet af; ze werden door Kruimink weggepest. Jan Graewert verdween in april naar de Parelschool op Wittenburg en Froukje Boom werd tegen de zomer van 1942 over-geplaatst naar de Pontanusschool in de van 2e Swindenstraat. Na het gedwongen vertrek van meester Janszen in juli '41, was Kruimink stelselmatig bezig geweest Froukje Boom in diskrediet te brengen bij de afdeling Onderwijs:
'Bedoelde onderwijzeres is, althans was, communistisch gezind en waar zij een persoonlijk overwicht uitoefent op een deel van het personeel en de bevolking, kweekt zij stelselmatig een zekere aversie tegen bepaalde maatregelen van de overheid en tegen het hoofd der school, die deze maatregelen uitvoert.[ ….] Haar funeste invloed is moeilijk te bewijzen, omdat zij zelf achter de schermen blijft. Alleen iemand, die meerdere jaren haar invloed gadeslaat, weet dit pertinent. In sommige gevallen komt haar ware aard naar voren. [….] Stelsematig wordt de sfeer op school, ondanks de houding van het hoofd, door bedoelde onderwijzeres bedorven. Dit alles geeft mij aanleiding, U te verzoeken bedoelde onderwijzeres mevr. F. Boom-deVries over te plaatsen naar een school in een ander stadsdeel, liefst zo ver, dat zij gedwongen wordt te verhuizen.'
Uiteindelijk, tegen de volgende zomer lukte het hem mevrouw Boom overgeplaatst te krijgen, maar toen had het geen zin meer want hij, het hoofd der school vertrok zelf ook. Direct na de zomervakantie van 1942 werd Johannes Kruimink benoemd als
rijksinspecteur voor het lager onderwijs. Niet mevrouw Boom moest verhuizen, maar de bovenmeester zelf, helemaal naar Deventer want dat was zijn standplaats in de 3e inspectiekring, rayon Deventer. Hij volgde daar inspecteur ir. J.A.Ladage op, die op nonactief was gezet omdat hij in de ogen van de bezetter onbetrouwbaar was gebleken.
Secretaris-Generaal van Dam had op het departement van Opvoeding speciaal een
inspecteur in Algemeenen Dienst aangesteld, dr D.G. Noordijk die tot taak had de departementale onderwijsisnpectie om te schakelen naar
'den nieuwen tijd'. Verspreid over het land waren er zo'n 50 rijksonderwijsinspecteurs, de meeste daarvan werden door Noordijk als onbekwaam en onbetrouwbaar afgedaan; stap voor stap werden ze geschorst of ontslagen en vervangen door betrouwbare ambtenaren, loyaal aan de bezetter en aan het nationaal socialistisch gedachtegoed. Het probleem daarbij was echter dat zulke personen met kwaliteiten voor een functie in de onderwijs-inspectie, moeilijk te vinden waren.
Johannes Kruimink was dan ook een ideale kandidaat; hij had een mooie staat van dienst als onderwijzer, was zelfs opgeklommen tot schoolhoofd én hij was lid van de NSB en sinds september 1940 van het toen net opgerichte,
Opvoedersgilde. Bovendien had hij uitgesproken ideeën over het opvoeden, zoals een journalist van het
Dagblad van het Oosten optekende, bij Kruimink's benoeming in Deventer :
'In het algemeen kan men zeggen dat de taak [van den modernen opvoeder] is: den jongen mensch te vormen en voor te bereiden voor zijn wezenlijke bestemming. De vraag welke ogenblikkelijk rijst, is: "Wat is deze bestemming" en het antwoord is kenteekenend voor de nieuwe opvattingen, namelijk: "Zich zelf in dienst stellen van zijn volk!"
De opvoeder stuit hier reeds op een enorm verschil met het verleden. Want hij zal er rekening mede hebben te houden, dat hij het kind niet meer het leven in mag sturen met de vage opdracht van voorheen: "Streef naar het ware, het schone, het goede", maar steeds weer dient hij zijn leerling bij te brengen, dat deze zijn plicht als lid der volksgemeenschap dient te kennen en te doen, met overgave en opgewektheid.
Was de opvoeding in voorbije jaren ter wille van het individu, thans is deze ter wille van de volksgemeenschap zelf.'
Froukje Boom en meester Janszen waren meer van
'streef naar het ware, het schone, het goede' overeen-komstig de socialistische verheffingsidealen; maar om nou te zeggen dat de conflicten tussen Kruimink en zijn teamleden voortsproten uit ideologische verschillen en pedagogische opvattingen, dat gaat denk ik te ver.
Ook met het vorige hoofd, Sam Bannet hadden de twee het regelmatig aan de stok. Het bureau van de onderwijs-inspectie werd niet altijd geinformeerd, maar in ieder geval wel in 1932, toen Froukje Boom voor de handvaardigheids-les aan de 1e klas, alle in het magazijn aanwezige potjes met lijm wilde gebruiken. Hoofd Bannet (die uiteraard het magazijn beheerde) gaf ze niet allemaal, hij hield de reservepotjes achter. Waarop zij tegen hem zei:
‘Man, gebruik je verstand. Je zoekt ruzie.’ Daarna vertrok ze zomaar van school om de inspecteur te bellen. Daags daarop wilde Bannet een gesprek met haar, maar dat weigerde ze, waarop het Hoofd der School de wethouder inlichtte en die schakelde uiteraard de gemeentelijk inspectie in. Onderwijsinspecteur Vrijburg concludeerde dat Bannet weinig tactvol was. Hij was dan wel een goede en bevlogen onderwijzer, die de school en de kinderen een warm hart toedroeg, maar in de relatie met zijn personeel was hij minder gelukkig. En hij citeerde meester Janszen die over Bannet zei:
'dat die gemoedelijkheid mist, weinig soepel en “een verzameling instructies” is. Men krijgt moeilijk contact met zijn persoon en hij maakt overal kwesties van zodat er een verkeerde stemming komt. Vooral in de tijd van Sinterklaasfeest en schoolreisjes meent de heer Bannet dat hij als hoofd gepasseerd wordt '.
Dat laatste was waarschijnlijk ook wel zo, schrijf ik er nu bij. Meester Bannet en mevrouw Boom waren ten tijde van dit conflict beide ongeveer 40 jaar en stonden al bijna 20 jaar voor de klas, maar meester Janszen was amper 27 jaar met slechts vijf jaar onderwijservaring, nogal eigengereid en met een uitgesproken oordeel over zijn superieur, het hoofd der school. Dat verklaart wellicht in grote trekken het volgende incident, dat bij de wethouder in 1939 werd gerapporteerd. Sam Bannet was ondertussen opgevolgd door Kruimink en die was vermoedelijk nog niet in de ban van
'den nieuwen tijd' :
'De kwestie betreft het feit, dat de betrokken onderwijzer het recht van het hoofd der school ontkent om het teken van "doorlopen" te geven aan de kinderen van zijn klasse, wanneer de kinderen door den onderwijzer tot aan de buitendeur zijn gebracht. De onderwijzer Janszen is van mening dat alleen hij dat recht heeft.'
Tot twee keer toe had Kruimink ingegrepen bij het uitgaan van de school. In beide gevallen had hij zich praktisch bemoeit met de gang van zaken van meester Janszen, door het teken
'doorlopen' te geven aan diens leerlingen. De kwestie escaleerde binnen enkele dagen, doordat de
'schoolvergadering' er zich mee bemoeide. Dat was in die tijd het democratisch orgaan van een openbare school, bestaande uit alle leerkrachten, onder voorzitterschap van het hoofd; daar werden alle belangrijke zaken besproken en besloten. Mevrouw Boom was secretaris van de schoolvergadering van de Watergraafsmeerschool en in de speciaal belegde schoolvergadering van 25 mei 1939 werd het besluit doorgedrukt dat
'Bij 't uitgaan der school heeft iedere leerkracht het recht het aantal 'halten' en de plaats der 'halten' te bepalen naar eigen goeddunken, mits dit aantal niet te gering zij'. De wethouder liet de school-vergadering echter weten dat een besluit van dat orgaan niets meer was dan een advies aan het Hoofd der School. Het onderwijsteam werd zelfs bij wethouder Boekman ontboden voor een ernstig gesprek en meester Janszen kreeg een schriftelijke reprimande:
'Naar aanleiding van het bovenstaande breng ik ernstig onder Uw aandacht, dat ik Uw handelwijze onbehoorlijk acht en dat ik een dergelijke wijze van optreden niet kan toelaten. Ik geef U derhalve in overweging zorg te dragen, dat Uw houding in de toekomst niet wederom tot klachten aanleiding geeft, daar ik in dit geval Burgemeester en Wethouders in overweging zal moeten geven strafmaatregelen tegen U te nemen.'
Nog geen twee jaar later ging het weer mis
[zie een kleine heldendaad]. De verhoudingen tussen het Hoofd der School en zijn team waren ondertussen zo grondig verstoord dat Kruimink aan de wethouder schreef over meester Janszen's
'jarenlange vijandschap tegenover het hoofd der school', en over mevrouw Boom
'als de meest felle hoofdenhaatster, die alle gezag verwerpt'. Maar hij had het duidelijk niet alleen met zijn team aan de stok, ook met de ouders was het goed mis, zodat hij in diezelfde brief aan de wethouder schreef :
'Dit, gezien de mentaliteit der bevolking aldaar, is de oorzaak dat de onderwijzer Janszen als een "martelaar" wordt beschouwd, en dat er een vijandige stemming is ontstaan tegen het hoofd der school. Deze stemming kwam o.a. ondubbelzinnig tot uiting in een bijeenkomst der ouders op dezelfde avond ter gelegenheid van een afscheidsfeestje der beide zesde klassen…………'
Dat was juli 1941, ze waren nog een heel jaar tot elkaar veroordeeld, bovenmeester Kruimink, zijn leerkrachten, de leerlingen en de ouders. Maar direct na de zomer van 1942 trad het nieuwe Hoofd der School aan, Henriette Boots. Ze had bijna een heel jaar op wachtgeld gestaan nadat haar Christiaan de Wetschool in september 1941 was opgeheven; ze werd nu benoemd in de vacature na Kruimink's vertrek naar Deventer. Ook de open plaatsen van mevrouw Boom en meester Graewert waren in het nieuwe schooljaar ingevuld; met meester Pieter Staartjes en Pieter Kooymans was het team weer compleet.
HET VERHAAL VAN INEKE