bijgewerkt op 22-1-2019
u bent bezoeker 11 deze week


een kleine heldendaad
en de ontjoodsing van het lager onderwijs in Amsterdam, in de jaren 1940-1943

4.
de Mediene

Ook in de Mediene moest er nadat de Reichskommissar zijn verwijderingsopdracht had uitgevaardigd, afzonderlijk onderwijs voor de joodse leerplichtige jeugd worden georganiseerd. Maar het was niet duidelijk hoeveel kinderen het betrof en in welke plaatsen, vandaar dat de Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs een achttal enquêteurs op pad stuurde om een en ander na te gaan. Uit de rapportage die de dames Frank en Troostwijk en de heren Aa, Broekman, Duizend, Soetendorp, Fränkel en de Vries eind oktober 1941 leverden, bleek dat er in zo’n 165 plaatsen buiten de drie grote steden ruim twee-en-een-half duizend kinderen in de lagere schoolleeftijd waren, waarvoor onderwijs moest worden georganiseerd. De rapportage was zeer gedetailleerd met voorstellen voor vestigingsplaatsen voor de scholen; combinaties van leerlingen vanuit de verschillende plaatsen en zelfs daar waar de aantallen te klein waren en er een schaarste aan bevoegde onderwijzers werd voorzien, werd zelfs de aanstelling van een reizende onderwijzer aanbevolen. Limburg, Groningen en Drenthe, maar ook de driehoek Culemborg-Tiel-Zaltbommel moesten het maar stellen met zo'n ambulante meester.
De opdrachtgever voor de rapportage, de Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs, nauwelijks eerder gesticht door de Joodse Coördinatie Commissie in den Haag en de Joodsche Raad voor Amsterdam, ging daar echter niet over. De continuering van het onderwijs aan joodse kinderen was de taak van de gemeentebesturen, zoals commissievoorzitter Cohen liet noteren in het eerste verslag van de commissie-vergadering :
‘de oprichting en voorlopige exploitatie van de scholen voor Joodsche kinderen is opgedragen aan de burgerlijke gemeenten. De burgerlijke gemeenten moeten dus aan de wenschen van de Duitsche autoriteiten en het departement gevolg geven.
Al geeft de Centrale Commissie ook ideeën, daarnaast kan ze geen enkele verantwoordelijkheid tegenover het Departement aanvaarden. De Commissie vindt het echter zeer prettig te zijn ingeschakeld.’

[NIOD 182-038/0001 e.v]
Die burgerlijke gemeenten in het land waren meteen aan zet nadat Secretaris-generaal van Dam van het Departement van Opvoeding op 16 augustus had gevraagd hem een opgave van de joodse leerlingen (namen en aantallen) te doen. Die informatie kwam rond 25 augustus van de scholen en vervolgens kregen de gemeentebesturen van het departement opdracht over te gaan tot verwijdering. De burgemeesters gaven die opdracht in de week daarop door aan de schoolhoofden waarop die op hun beurt nog voor begin september 1941, de joodse ouders aanschreven:
‘Ik deel U mede, dat door de betrokken Duitsche autoriteiten is beslist, dat alle Joodsche kinderen en zij, die als zoodanig moeten worden aangemerkt, met ingang van 1 September van de scholen moeten worden verwijderd.
In verband daarmede kan (kunnen) ook Uw kind(eren) niet verder worden toegelaten tot de onder mijn leiding staande inrichting.
Naar men mij heeft medegedeeld zal echter wel worden gezorgd, dat Uw kinderen nog verder onderwijs zullen ontvangen. Het ligt namelijk in de bedoeling om de Joodsche kinderen in staat te stellen het onderwijs, dat zij thans genieten, te vervolgen, zij het dan in afzonderlijke onderwijsinrichtingen. Deze zullen zoo spoedig mogelijk worden opgericht, zoodat in het algemeen de betrokken kinderen niet lange dan vier weken zonder het hun passend onderwijs zullen zijn.
Te zijner tijd zal U hier wel van hooren.’

[Groninger Archieven - 1841 map 0648]
Dat was dus Groningen en inderdaad de Joodsche lagere school opende haar deuren in de Prinsenstraat, al op 12 september 1941. Maar niet in alle plaatsen die van het Departement (eerst) het verzoek en (daarna) de aanwijzing kregen joodse scholen te openen, deden dat binnen de door de Reichskommissar gestelde termijn van vóór 1 oktober. In nogal wat gemeenten talmde het lokale bestuur, zodat het hier en daar zelfs tot begin 1942 duurde voordat alle kinderen weer elke dag naar school konden gaan.
Dat lokale bestuur dat verantwoordelijk was voor het onderwijsaanbod in een gemeente, was niet meer de (verkozen) gemeenteraad plus een college van (verkozen) wethouders en een door de Kroon benoemde burgemeester.
Sinds maart 1941 waren de gemeenteraden ontslagen en zo ook de wethouders. Het bestuur bestond uitsluitend uit een burgemeester, die zijn wethouders had aangesteld als een soort superambtenaren. In een aantal gemeenten was bovendien de ‘vooroorlogse' burgemeester door de bezetter vervangen door een ‘loyale’ bestuurder.
Uiteindelijk waren er in dat eerste gescheiden schooljaar, buiten de drie grote steden 42 lagere scholen met zo'n 2.300 leerlingen; in het tweede schooljaar verminderde dat al snel naar ongeveer de helft in scholen en leerlingenaantallen, door gedwongen verhuizing naar Amsterdam en door het vertrek naar de kampen.
Uiteraard waren er ook leerplichtige kinderen die in het voortgezet onderwijs zaten (ULO, HBS, Lyceum, Nijverheidsonderwijs); in de iets grotere plaatsen werden met name nogal wat ULO-scholen gesticht en zo’n achttal lycea. Ik beperk me echter in dit verslag tot het lager onderwijs.
In de volgende stukjes doe ik verslag van dat joodse lagere onderwijs in al die plaatsen in de Mediene. Het is verre van compleet, soms is er al door iemand over gepubliceerd en is het makkelijk via internet te vinden. In nogal wat plaatsen is dit deel van de lokale geschiedenis nog niet beschreven; ik probeer in die lacune te voorzien. Uiteraard hou ik me aanbevolen voor tips en teksten van overal uit het land.
Overigens kenden al die joodse gemeenten een vorm van joods onderwijs, voorheen in joodse schooltjes verbonden aan de plaatselijke sjoel. Dat moeten we niet verwarren met het onderwijs dat vanaf september 1941 werd georganiseerd voor de joodse kinderen, dat was immers gewoon [lees : niet persé religieus georiënteerd] onderwijs – in veel plaatsen verleende de sjoel echter wel onderdak in het leslokaal, vanzelfsprekend dat, dat aanleiding voor verwarring geeft.
tip :
lees voor de volledigheid ook § 17 van artikel 2 de ontjoodsing .

images/docs/joodse_lagere_scholen_in_het_land_1942.pdf JOODSE SCHOLEN IN HET LAND

• noord

GRONINGEN – FRIESLAND – DRENTHE
________________________________________

ASSEN
Joodse lagere school - Roldestraat 7
49 leerlingen

Joodsche school GRONINGEN
Het Groninger gemeentebestuur was voortvarend met de oprichting van een afzonderlijke lagere school voor Joodse leerlingen. Nauwelijks had de Secretaris-generaal van het Opvoedingsdepartement in den Haag, per brief van 1 september 1941, de gemeente laten weten dat de joodse kinderen niet meer samen met de niet-joodse kinderen onderwijs mochten volgen, of het gemeentebestuur concentreerde de joodse leerlingen op school IX aan de Prinsenstraat. Het was een vrij logisch besluit om die school tot Joodsche school te bestempelen; in de stad was geen enkel schoolgebouw leeg beschikbaar en het merendeel van de joodse leerlingen zat al op die school, zoals de burgemeester aan de Commissaris van de provincie liet weten. De andere leerlingen van school IX werden eenvoudigweg overgeplaatst naar school XXXVII aan het Gedempte Zuiderdiep.
De Joodsche school begon op al halverwege september 1941, met Simon van Hasselt (1900-1943) als Hoofd der School; hij was daarvoor schoolhoofd in het dorp Haulerwijk geweest. Naast hem waren Saartje Frank (1910-1943), Roza Tof (1904-1990), Betje Wallage (1898-1943), Hartog Behr (1912-2007) en Jonas Wijnberg (1884-1943) de andere leerkrachten.
De school was redelijk groot met 212 leerlingen bij aanvang, verdeeld over vijf klassen plus een gecombineerde 5e/6e leerjaar. De meeste kinderen (191) kwamen uit Groningen zelf en 21 uit de omliggende dorpen : Haren (6), Hoogezand (3), Leek (4), Roden (2), Slochteren (3), Winsum (2) en Zuidlaren (1), zoals schoolhoofd van Hasselt op 6 november 1941 aan de burgemeester opgaf.
Bij het aantrekken van het onderwijzend personeel ‘van joodsche bloede’ ondervonden de onderwijsambtenaren geen probleem; een opgave van het departement leverde in totaal zo’n 25 joodse leerkrachten voor het lager onderwijs die woonachtig waren in de provincie. Ook was er, anders dan in de meeste (kleinere) plaatsen, geen probleem bij de stichtingsnorm van de school, die voor een zesklassige school toen op 211 leerlingen lag. Maar eigenlijk werd het stichtingsprobleem eenvoudigweg omzeild door school IX tot Joodsche school te maken.
Am 2. Oktober 1941 wurde ein Volksschule mit 6 Stundenlokalen in, Schulgebäude in der Prinsenstraat eröffnet. An dieser Schule wird in derselben Weise als an den gewöhnlichen öffentlichen Volksschule dieser Gemeinde Unterricht erteilt im Lesen, Schreiben, Rechnen, Niederländischen, vaterländischer Geschichte, Geographie, Naturkunde, Singen, Zeichnen, nützlichen Handarbeiten und Religionsunterricht. Hierbei ist der Turnunterricht noch nicht völlig geregelt aus Mangel an einer Turnhalle.’
[GRA 1841-0648 : uit een rapport voor de Beauftragter]
excepties
De leerlingentelling in de stad Groningen, waar de Secretaris-generaal om had gevraagd, leverde ook op dat er zeven kinderen in het Groninger buitengewoon onderwijs zaten, waaronder drie leerlingen op het Koninklijk Instituut voor Doven en eentje op het Instituut tot Onderwijs van Blinden in Haren.
Die twee instellingen hadden een bovenregionale functie in de toenmalige gehandicaptenzorg; vanzelfsprekend dat de Groninger burgemeester nogal in zijn maag zat met die vier joodse kinderen. Ze moesten van hun school weg en dat gebeurde halverwege september 1941, terwijl er geen plek was in een andere geschikte leeromgeving.
De Burgemeester wende zich daarom tot het Opvoedingsdepartement in den Haag, net als verschillende andere burgemeesters in (grotere) gemeenten met scholen voor buitengewoon onderwijs. Men legde de SG het probleem voor en pleitte voor een regeling waarbij voor joodse kinderen, ‘zwakzinnig’, doof of blind, een exceptie kon worden gemaakt zodat deze kinderen terug konden naar hun eigen school.
Eind oktober 1942 antwoordde de SG dat hij, uiteraard na overleg met de bezetter zo’n regeling kon toestaan, maar dat gold niet voor de ‘groep van zwakzinnigen’ in Amsterdam; daar werd een afzonderlijke BLO-school voor geopend. Overal elders in het land konden al die ‘buitengewone’ kinderen terug naar hun eigen school, zo ook in Groningen; de drie zwakzinnige kinderen, de drie dove kinderen en het blinde meisje, ze keerden allemaal voor het eind van oktober terug in hun vertrouwde omgeving.
[Dat blinde meisje was Clara van Coevorden (26 oktober 1930- 16 april 1943); het plein voor het huidige blindeninstituut in Haren is mei 2018 naar haar vernoemd.]
en hoe het verder ging
In de loop van november 1942 werd de Joodse school net als de anderen in het land, op last van de bezetter overgenomen door de Joodsche Raad; die ook in Groningen een plaatselijk onderwijscommissie opzette met de heren Sanders en Dasberg, die de opperrabbijn van Groningen was.
Inmiddels was er ook een joodse kleuterklasje gesticht en een kleine ulo (31 ll) en lyceum (16 ll). Die zaten eerst in een schoolgebouw aan de Violenstraat op nr 2, maar vanaf december 1942 trokken ze in bij de lagere school, het gebouw was groot genoeg, zeker ook omdat het leerlingenaantal al aanzienlijk was teruggelopen.
Vanaf juli 1942 waren eerst zo’n 1.000 Groninger mannen naar Westerbork gedeporteerd, begin oktober gevolgd door zo’n 650 vrouwen en kinderen waaronder ruim 50 van de Prinsenstraat-leerlingen. Daarna was de provincie aan de beurt met een grote razzia op 28 november die alle dorpen trof. Begin februari 1943 volgde er weer in de sta, waarbij drie van de zes lagere school leerkrachten en een twintigtal leerlingen werden opgepakt; tenslotte verdwijnen met de deportatie van 12 maart 1943 ook de laatsten uit de stad. Daags daarna schrijft het hoofd van het onderwijsbureau van de Joodsche Raad, dat de school aan de Prinsenstraat in Groningen per 1 april 1943 zal worden gesloten.
Bijna iedereen is dan verdwenen, leerlingen en leerkrachten, de meesten regelrecht met de trein via Nieuweschans naar het Oosten. Van de ruim 3.000 joodse Groningers weten slechts zo’n 250 mannen, vrouwen, kinderen weg te komen, waaronder onderwijzeres Rosa Top van de school in de Prinsenstraat; ze verdwijnt schielijk naar het westen en vindt een onderduik in de Zaanstreek.
Binnen een paar maanden was het joodse leven in de stad Groningen door de bezetter uitgegumd; na mei 1945 keerde slechts een handjevol leerlingen van de Joodse school terug in Groningen-stad.
BRONNEN
Groninger Archieven - onderwijsarchief - toegang 1841 - map 0648
Stefan van der Poel - Joodse stadjers; doc scriptie RUG 2004 (p 131 ev)
Digitaal Joods Monument en Joods Monument Zaanstreek

HOOGEVEEN
adres nog onbekend
22 leerlingen

Joodsche school LEEUWARDEN

tekstje.jpg

Het Joodsche Weekblad - 31 october 1941

In Leeuwarden ging het niet anders dan elders in het land; ook de Friese schoolhoofden kregen van hun burgemeester opdracht de joodse kinderen uit de scholen te weren. Dat gebeurde per 1 september, daarna duurde het meer dan de door de bezetter toegestane vier weken opdat deze kinderen opnieuw naar school konden.
De onderzoekscommissie van de Centrale Commissie voor het Joodse Onderwijs (CCJO) had ondertussen uitgezocht dat er in heel Friesland, met slechts zo’n 1000 joodse ingezetenen, maar 69 lagereschool-leerlingen waren, 56 in Leeuwarden en nog zo’n 13 leerlingen daarbuiten; in Drachten (3) Huizum (Leeuwarderdeel) (3), Sneek (2), Harlingen (4) en eentje in Gorredijk. Die commissie oordeelde vervolgens dat het geen zin had buiten Leeuwarden andere onderwijsvoorzieningen te scheppen.
Nadat het Opvoedingsdepartement in den Haag, de Friese hoofdstad daartoe had aangewezen en de Leeuwarder burgemeester van Beijma, zich had verzekerd van een vergoeding van de omliggende gemeenten, konden met bemiddeling van die CCJO, twee joodse leerkrachten worden benoemd en de voormalige Dusnusschool aan de Perkstraat, worden geschilderd en ingericht.
De twee leerkrachten voor dit twee-klassige schooltje waren Irene Hartog (1912-2007) en Estella Zendijk (1887-20 maart 1943); zij werd het nieuw schoolhoofd. Dat stuitte echter op bezwaren van de Friese Onderwijs-inspectie; een schoolhoofd was in die tijd, in principe een manspersoon. Desondanks zette van Beijma de benoeming door en zo kon op 20 oktober 1941 de Friesche Joodsche lagere school wordt geopend aan de Perkstraat op nummer 40.
Er verschijnen meteen die maandag 64 leerlingen, 12 van hen komt van buiten; zij reisden vanaf die dag, elke schooldag heen en weer totdat het tegen de zomer van 1942 voor joden verboden werd gebruik te maken van trein en bus.
Irene Hertog verdwijnt tegen de zomer van '42, in Rita Flora van der Velde (1920-1980) wordt een opvolgster gevonden; ze is pas klaar op de kweekschool in Amsterdam, moet helemaal naar Leeuwarden verhuizen en de bezetter staat dat niet toe. Halverwege september 1942 wordt er dan opnieuw een tweede onderwijzeres benoemd Margareta Granaada-Cohen (1908-16 juli 1943) uit Leeuwarden maar ook voor haar heeft het maar even geduurd, een maandje later is ze weg; ook vanuit Friesland waren ondertussen de transporten naar het Oosten aangevangen.
Zo wordt het schooltje aldoor kleiner; ten tijde van de overdracht aan de Joodsche Raad, december 1942 worden er nog zo’n 40 kinderen geteld. De laatste twee verdwijnen begin maart 1943 samen met hun juf Estella Zendijk.

school.jpg

click op foto
[foto afkomstig van website van obs Oldenije, Jenaplanschool in Leeuwarden]
‘Op het eind van de A.S. Levissonstraat staat een vrij klein gebouw van twee verdiepingen hoog. Een witte siersteen met simpele zwarte letters zegt: Joodse School 1886-1943.
Een aparte status heeft ze altijd gehad. Hadden alle openbare scholen in Leeuwarden een nummer; de Joodse school werd genoemd naar haar adres. Zo staat het ook geschreven op het indrukwekkende Joods Monument van Kees van Renssen: Joodse school: Perkstraat 40. Op de lage muur de herinneringen; cijfers, rapporten, strepen, de resten van een schoolbestaan. De absentielijsten zijn keurig bijgehouden; het werden lang, zeer lange lijsten.
In de schoolmuur herinnert een tweede steen ons aan de smartelijke woorden van Ruben: ‘Het kind is er niet meer’.’
uit H.Hageman’s Hakenkruis en vierde macht; hftstk 13 (uitgave Tzumarum 1993]
[De Perkstraat waar in 1941-1942 de Leeuwarder joodse school stond heet tegenwoordig A.S. Levissonstraat, ter herinnering aan Abraham Salomon Levisson (1902-25 april 1945); hij was opperrabbijn van het Nederlands Israëlische Kerkgenootschap voor de provincie Friesland en Drenthe en vanaf 1942 ook voor Gelderland.]
BRONNEN
H.Hageman; Hakenkruis en vierde macht; hftstk 13 (uitgave Tzumarum 1993]
Historisch Centrum Leeuwarden - JHM-D003933 - namenlijsten joods onderwijs

Joodsche school MEPPEL
Hendrina (Rinie) Wolf-van de Rhoer (1884-5 nov 1942) was onderwijzeres aan de Vledderschool in Meppel; na schorsing en ontslag in maart 1941, werd ze door de ‘Contactcommissie voor het toezicht op en de behartiging der belangen aan de Joodsche school voor gewoon lager onderwijs’ (onder voorzitterschap van M. Lobstein, hoofd van de regionale afdeling van de Joodsche Raad) met instemming van de Burgemeester van Meppel, benoemd als hoofd van de Joodsche school. Het schooltje kreeg onderdak in de lokalen van de Synagoge aan de Touwstraat. Dat was begin februari 1942, met zo’n 35 kinderen Het schooltje werd al voor die zomer opgeheven, de onderwijzeres was inmiddels verdwenen.
BRON : joodsmonumentmeppel.nl

STADSKANAAL
Molenwijk
27 leerlingen
(uit Ter Apel 6 – Gieterveen 3 - Stadskanaal 18)

Joodsche school WINSCHOTEN
De burgemeester van Winschoten, Alexander Romijn vroeg halverwege augustus 1941 de schoolhoofden, opgave te doen van namen en aantallen leerlingen van Joodsche bloede; die informatie werd gezagsgetrouw en snel geleverd. Het waren er zo’n 28 op de lagere scholen (en dertien op de plaatselijke ulo, drie op de HBS en ook dertien leerlingen op de Nutsbewaarschool). Ze mochten meteen in september al niet meer naar hun oude school, maar de burgemeester liet weten dat de Joodse kinderen een eigen school zouden krijgen. Uiteindelijk duurde het tot halverwege oktober 1941 voordat die gemeentelijk Joodse lagere school er was; in het gebouw van de voormalige handelsschool aan de Langestraat 65.
Behalve de Winschoter joodse leerlingen, kwamen ook joodse kinderen uit de omliggende dorpen naar dat schooltje; ze kwamen uit Sappemeer, Scheemda, Bellingwolde, Beerta, Vlagtwedde, Oostwold, Bourtange en Oude en Nieuwe Pekela. Ze vormden bij elkaar de helft van de hele schoolbevolking van 54 leerlingen.
Uit de Groninger leerkrachten-lijst van de het Departement van Opvoeding, benoemde de burgemeester Betje Nathan (1894-1943) als Hoofd der School en David Bamberg (1893-1943) als onderwijzer, beide waren voorheen ook werkzaam geweest op de Winschoter scholen.
De grote razzia’s in Winschoten vonden plaats in augustus en oktober 1942 en toen de Joodse school eind november onder het schoolbestuur van de Joodsche Raad kwam te vallen, waren er nagenoeg geen leerlingen meer; de school werd daarop per 1 januari 1943 gesloten.
BRONNEN
diverse via internet, waaronder Doc-Direkt publicatie over Winschoten

• west

UTRECHT – NOORD HOLLAND – ZUID HOLLAND – ZEELAND
________________________________________

ALKMAAR
bij de Synagoge in Hofstraat (?)
17 leerlingen

‘Op 1 september 1941 wordt in Alkmaar een bijzondere school voor Joodse leerlingen gesticht, dit ten gevolge van het verwijderen van Joodse leerlingen van openbare scholen. Begin maart 1942 begon de evacuatie naar Amsterdam, het schooltje werd gesloten.’

info@herdenkingsstenenjoodsalkmaar.nl

Joodsche school AMERSFOORT
Omdat de gemeente Amersfoort door Secretaris-generaal van Dam, van het Onderwijsdepartement, was aangeschreven en er ruim 45 joodse lager schoolkinderen geregistreerd bleken te zijn, hadden de Amersfoortse onderwijsambtenaren voor de vestiging van een joodse lagere school, hun oog laten vallen op een paar lokalen in het gebouw van de particuliere Amersfoortse Schoolvereniging.
Maar het bestuur van die vereniging had bezwaren en ook het Departement meende dat onder één dak met niet-joodse kinderen, niet de juiste oplossing was. Dat speelde in de eerste weken van september 1941, waarna de gemeentelijk bemoeienis in het slop raakte en een commissie uit de lokale joodse gemeenschap - op initiatief van mejuffrouw Henny de Vries [1913-1943] zelf tot handelen overging.
Er werden lokalen gehuurd in het wijkgebouw van de Hervormde kerk aan het Laurens Costerplein en op 1 november 1941 opende het schooltje haar deuren. De commissie stelde Felix van Spiegel (1903-1943) uit Meppel aan als schoolhoofd en Kaatje Cohen (1908-1944) als juf voor de kleintjes.
Pas nadat Amersfoort door de Secretaris-generaal daadwerkelijk was aangewezen als vestigingsplaats voor een (regionale) joodse school trok de gemeente het schooltje naar zich toe, nam de huur van de lokalen over en ook de salarisbetalingen aan de twee leerkrachten. Het schooltje telde toen 43 leerlingen allemaal uit Amersfoort en daar kwamen nog wat kinderen bij uit Soest en andere kleine plaatsen.
De gemeentelijke bemoeienis beperkte zich gedurende dat eerste schooljaar uitsluitend tot die betalingen, totdat de school in oktober 1942 door de Joodsche Raad werd overgenomen. In het tweede schooljaar zakte het leerlingental gestaag tot onder de twintig maar het schooltje bleef bestaan tot 1 april 43; toen werd het gesloten ’wegens gebrek aan leerlingen’. Ondertussen was schoolhoofd Felix van Spiegel al naar Duitsland afgevoerd.
met dank aan Femke Mooijkind
'Het joodse kind op de joodse school' - Ma-scriptie UvA 2011

AMSTELVEEN
adres nog onbekend
24 leerlingen

BUSSUM
Willemslaan 19
93 leerlingen

DORDRECHT
Varkensmarkt 16
26 leerlingen

GOUDA
Turfmark (?)
26 leerlingen

HAARLEM
Zijlweg 123
128 leerlingen

Joodsche school HILVERSUM
Ook in Hilversum blijkt de gemeentelijke overheid niet van harte mee te werken, gelet op wat Simon Birnbaum namens de plaatselijke joodse gemeenschap op 25 november 1941 aan de burgemeester van Hilversum schrijft:
‘In vrijwel alle gemeenten is het onderwijs voor de leerlingen hervat. In Hilversum is dat nog niet het geval en de indruk wordt gewekt, dat ook per 1 december a.s. de lagere school voor leerlingen van Joodschen bloede niet zal zijn geopend’
Het duurde daarna nog tot halverwege januari 1942 voordat de gemeentelijke afdeling onderwijs een joodse lagere school vestigde in een villa aan de Utrechtseweg (op nr 64).
Denkbaar is dat dat talmen te wijten was aan de fanatieke NSB-burgemeester, maar wat de gemeente parten zal hebben gespeeld was natuurlijk de beschikbaarheid van leerkrachten.
De registratie had opgeleverd dat er ruim 150 leerplichtige joodse kinderen in het Hilversumse waren en daar had je toch wel vier joodse leerkrachten voor nodig. Uiteindelijk werd Menni Leefsma (1894-31 mrt 1944) uit Zandvoort overgeplaatst naar Hilversum om daar als schoolhoofd, tezamen met A.J. van Someren, juf H. Waterman en mevrouw E van Leersum-van Lier vanaf januari 1942 het nieuwe schoolteam te vormen. Het heeft allemaal echter niet lang mogen duren want de joodse bevolking van Hilversum werd al in juni 1942 gedwongen geëvacueerd naar Amsterdam.
[met dank aan C.M. Abrahamse]
C.M. Abrahamse - bundel 25 jaar Eigen Perk; 2006 – www.albertusperk.nl

LAREN
Groene Gerritsweg 2
48 leerlingen

UTRECHT
Ondiep 63/Springweg 164
145 leerlingen

WASSENAAR
adres onbekend
11 leerlingen

Joodsche school ZAANDAM
In Zaandam opende de Joodsche school begin oktober 1941 in een lokaal van het gebouw van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen aan de Czaar Peterstraat, nr.1. De gemeente trok onderwijzer Gerrit van Praag (1909-1944), aan, die tot november 1940 in Amsterdam als tijdelijke leerkracht voor de klas had gestaan. In Zaandam werd hij Hoofd der School en de enige leerkracht; hij mocht zich terzijde laten staan door zijn ‘huisgenote’ Henriette Nieweg (1909-1943), zij was handwerk juf en ook ontslagen in Amsterdam.
Er waren aanvankelijk zo’n tien joodse lagereschoolkinderen, maar met de half-joodse kinderen erbij en die uit Koog en Wormerveer, groeide het schooltje tot 26 leerlingen.
Op 16 januari, daags voor 123 joden uit Zaandam naar Amsterdam moesten vertrekken - 69 anderen kregen om verschillende redenen nog even uitstel - deelde wethouder Zuidervliet zijn collega’s mee ‘dat de joden te Zaandam de gemeente moeten verlaten, in verband waarmede het overbodig is de school voor joodse leerlingen langer te laten voortbestaan’. Hij stelde voor om de huur van het leslokaal per 16 februari stop te zetten. Een opzegtermijn voor de onderwijskrachten vond de wethouder overbodig: ze kregen wat hem betrof nog dezelfde dag ‘eervol ontslag’.
met dank aan Erik Schaap
‘Joodse school in Zaandam 1941’ NHDagblad, 12 april 2012

ZANDVOORT
adres nog onbekend
56 leerlingen

ZEIST
adres nog onbekend
42 leerlingen

DEN HAAG en ROTTERDAM

___________________________________________________

Joodsche scholen den Haag

Opvallend is de situatie in den Haag; daar gingen net zoals in Amsterdam (en Rotterdam) al ruim voor 1940 vrij veel joodse leerlingen naar school op slechts een paar scholen, in de Bezemstraat in de oude binnenstad. Die scholen hadden dan ook al een sabbat-regeling (zaterdag vrij - woensdag langer les) en boden binnen het facultatieve godsdienst-onderwijs, ook joodse lessen aan.
Toen de joodse leerkrachten in november 1940 werden geschorst, begon de Haagse afdeling Onderwijs met het verder ‘verjoodsen’ van die scholen. Door een traject van overplaatsingen en tijdelijke benoemingen werden uitsluitend joodse leerkrachten op die twee scholen geplaatst. Tegelijkertijd werden daar nog alleen maar de joodse leerlingen toegelaten. Dat alles gebeurde na overleg met de chef Kabinet van het Departement van Opvoeding, Fockema Andreae. Maar even voortvarend als deze verjoodsing startte werd die abrupt stopgezet, omdat van Dam’s kabinetschef waarschuwde dat de kans bestond dat die scholen onbekostigd zouden kunnen raken, omdat ze niet meer vrij toegankelijk waren.
Toen in september ’41 de scheidingsmaatregel van kracht werd, kon die dus vrij geruisloos worden uitgevoerd, omdat alleen nog maar een handjevol niet-joodse leerlingen van die Bezemstraat-scholen overgeplaatst moesten worden. De Burgemeester van den Haag schrijft het zo aan Secretaris-generaal van Dam van het opvoedingsdepartement:
‘De van de openbare en bijzondere scholen voor gewoon lager onderwijs onderscheidenlijk afkomstige 846 en 113 leerlingen, als mede de 13 van de openbare lagere onderwijs-kopscholen afkomstige leerlingen zullen alle geplaatst kunnen worden in de openbare scholen voor gewoon lager onderwijs A, B en C - Bezemstraat 3 en in de bij mijn besluit van 19 september 1941 weder voor het lager en/of uitgebreid lager onderwijs bestemde voormalige lagere scholen Duinstraat 10 en Waalstraat 32. Ik merk hierbij op, dat reeds 392 dezer leerlingen voor 1 September 1941 geplaatst waren op de uitsluitend voor Joodsche leerlingen bestemde scholen A en B Bezemstraat 3.’
[HNA 21437/0350]
Naast die vier scholen voor joods lager onderwijs, in de Bezemstraat, de Duinstraat en de Waalstraat met in totaal zo’n 1000 leerlingen in het eerste jaar, stichtte de gemeente ook vier scholen voor het joodse vervolgonderwijs : twee ulo-scholen [200 leerlingen], een nijverheidsschool voor meisjes [50 leerlingen] en een lyceum met ruim 200 leerlingen (lees daarover ‘Slotakkoord’ van Wally de Lange)
Begin december 1942 werd ook het joodse onderwijs in den Haag overgedragen aan de Joodsche Raad; die ontkwam er niet aan alle lagere scholen en het vervolgonderwijs samen te brengen in één pand, het grote schoolgebouw aan de Bezemstraat; er waren dan nog 376 lagere school leerlingen, 49 ulo-leerlingen, 65 nijverheids-meisjes en 67 lyceisten. Vijf maanden later, 23 april 1943 zegde het Joodsche schoolbestuur de huur op bij de gemeente, alle leerlingen waren ondertussen verdwenen. Ook de ‘Haagsche Commissie Voor Het Onderwijs Aan Joodsche Kinderen’ die namens de Joodsche raad het onderwijs begeleidde, had inmiddels ook haar werkzaamheden beëindigd.
Net zoals in andere gemeenten waar joods onderwijs van gemeentewege werd georganiseerd, draaide Den Haag op voor de kosten, vanzelfsprekend dat ook daar getracht werd haast te maken met de overdracht aan de Joodsche Raad. Maar toen dat eindelijk gebeurde in december 1942 bleek dat de kosten die de gemeente dat schooljaar (dus vanaf september 1942) al had gemaakt, niet werden gecompenseerd, noch door een rijksbijdrage, noch door een verrekening met de Joodsche Raad.
Het is al eind november 1943 als de chef van het Joodsche Schoolbestuur van de Joodsche Raad aan de burgemeester van den Haag schrijft over de liquidatie van de Raad en dat de Joodsche Raad de claim van de gemeente niet kan betalen.
In de kranten heeft toen al gestaan dat iedereen die nog iets te vorderen heeft van de joden, zich moet wenden tot de commissaris voor niet-commerciële verenigingen en stichtingen. Maar zo blijkt, ook die kan niets meer betalen bij gebrek aan middelen, dus blijven de gemeenten (niet alleen den Haag) met de brokken zitten.
[met dank aan Wally de Lange]
BRON :
Gemeentearchief Den Haag – toegang 0610.01 mappen 2759 en 2762
Slotakkoord der kinderjaren – Wally de Lange; 2003, St Vrm Joods Lyceum

• oost

OVERIJSSEL – GELDERLAND
________________________________________

ALMELO
‘Tijdens de bezettingsjaren werden in Almelo dezelfde anti-joodse maatregelen genomen als elders in het land. In 1941, na de verwijdering van de joodse kinderen uit het onderwijs, werd er een joodse school opgericht. Deze bleef tot februari 1943, toen de deportaties al in volle gang waren, bestaan.’
[tekstje van JCK joodse gemeenten in Nederland]

DEVENTER
In Deventer zat de joodse lagere school in het begin van de Assenstraat (voormalige Fröbelschool; inmiddels gesloopt, vanaf de Brink links, nu nieuwbouw voor huis De Regenboog). Hier kregen de joodse kinderen onderwijs vanaf 8 october 1941 tot begin 1943. Er waren drie klassen met zo’n zestig kinderen. Salomon M. Noach (1892-1979) was hoofd der school, er waren twee onderwijzeressen Sophia Bos (1900-1943) en Rozet Pinto-Gosschalk (1895-1992); later werden die opgevolgd door Fie Wolf-Colthof (1898-1969) en Sophie van Spiegel (1890-1943).
Het schooltje was er ook nog in het tweede schooljaar, maar januari 1943 waren de meeste joodse inwoners van Deventer al gedeporteerd; het schooltje werd dus opgeheven.
met dank aan Lex Rutgers
werkgroep struikelstenen deventer © 2013. (zie website)

DOETINCHEM
Burgemeester Tenkinkstraat 15
38 leerlingen

ENSCHEDE
van Heekstraat 162
Prinsenstraat 16
119 leerlingen

NIJMEGEN
Smetiusstraat 9
39 leerlingen

Joodsche school WINTERSWIJK
In Winterswijk werd in september 1941 een regionale joodse lagere school opgezet, die tot april 1943 heeft bestaan en was gevestigd in het godsdienstles-lokaal van de synagoge aan de Spoorstraat (nr 34). Estella Herschel (1921-9 april 1943) was de jonge schooljuf van de 27 kinderen, niet alleen uit Winterswijk maar ook uit de omliggende dorpen Aalten, Groenlo, Neede, Eibergen.
Het heeft maar kort geduurd, begin mei 1942 zijn bijna alle joden uit de streek naar Amsterdam geëvacueerd, er bleef slechts één gezin, met twee schoolgaande meisjes achter.
[bij elkaar gesprokkeld uit verschillende digitale bronnen]

ZUTPHEN
Halterstraat 22
50 leerlingen

Joodsche school ZWOLLE
In 1746 kregen ook de joden in Zwolle het recht om hun godsdienst openlijk te belijden en huurden ze de Olde Munte aan de Voorstraat (op nr 41) als synagoge. Oorspronkelijk was het een drukkerij en later het Zwolse Munthuis.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog de Joodse School. Deze lagere school was hier gevestigd tussen najaar 1941 en eind 1942. Met ingang van 1 september 1941 waren joodse kinderen (65) en leerkrachten uitgesloten van het algemeen onderwijs.
[reliwiki.nl/zwolle]

• zuid

NOORD BRABANT – LIMBURG
________________________________________

BREDA
Clingelstraat 2
25 leerlingen

EINDHOVEN
Kerkstraat 8
37 leerlingen

HEERLEN
Stationstraat (?)
23 leerlingen

HERTOGENBOSCH
Mortel 3
44 leerlingen

MAASTRICHT
Bogaardestraat 40
36 leerlingen

OSS
Koornstraat 8
36 leerlingen

SITTARD
Plakstraat (?)
19 leerlingen

TILBURG
St. Antoniusstraat 7
28 leerlingen

VENLO
Maasschriksel (?)
7 leerlingen