bijgewerkt op 20-10-2017
u bent bezoeker 203 deze week


een kleine heldendaad
en de ontjoodsing van het lager onderwijs in Amsterdam, in de jaren 1940-1943

2.
de ontjoodsing

inleiding

In het eerste artikel van deze website vertel ik een verhaal over mijn vader Laurens Janszen, onderwijzer in het Amsterdamse Betondorp. Dat speelt zich af in 1941, het tweede jaar dat Nederland door de Duitsers bezet was en de verbanning van Joodse leerlingen en leerkrachten uit het onderwijs zijn beslag kreeg.
In dit artikel diep ik deze verbanning verder uit en introduceer hiervoor het begrip de ontjoodsing. Ik bedoel hiermee de verzameling maatregelen van de Duitse bezetter gericht op isolatie - concentratie - deportatie van de joodse Nederlanders en dientengevolge de ontjoodsing van de Nederlandse samenleving. In deze publicatie (en in mijn onderzoek) gaat het over de ontjoodsing van het onderwijs, en in het bijzonder het openbaar lager onderwijs in Amsterdam, in de eerste bezettingsjaren. Dat betreft dan de isolatie en concentratie van ruim 5 duizend joodse lagere school leerlingen en 133 joodse lagere school leerkrachten in de periode 22 november 1940 tot 29 september 1943.
wat was het geval :
Half augustus 1941 krijgen de ouders van de Amsterdamse joodse leerlingen bericht van het stadhuis dat hun kinderen ‘niet langer op de thans door hem bezochte school worden toegelaten.’ Het verbod gaat in op 1 september; zo staat het ook in de dagbladen van 30 augustus. Enkele weken later kunnen deze kinderen terecht op van gemeentewege speciaal voor hen opgerichte joodse scholen. Voor de afdeling onderwijs van de gemeente Amsterdam is het een stevige reorganisatie; er moet voor de ruim vierduizend joodse openbare lagere schoolkinderen afzonderlijk onderwijs worden georganiseerd. Er worden scholen opgeheven, verplaatst of samengevoegd; een aantal is van de ene dag op de ander ‘verjoodst’, daar worden juist de niet-joodse kinderen niet meer toegelaten.
Die verjoodsing treft niet alleen de kinderen; de bezetter heeft immers ook bepaald dat joodse kinderen alleen maar les mogen krijgen van joods onderwijs-personeel. Een ware benoemingencarrousel komt op gang, waarbij niet-joodse leerkrachten van die verjoodste scholen worden overgeplaatst en een honderdtal joodse onderwijzers en onderwijzeressen, weer in dienst van de gemeente komt, nadat ze een half jaar eerder juist ontslagen waren vanwege hun joodszijn.
Van af het begin werkt de bezetter er naar toe dat het joodse onderwijs onder het beheer van de Joodsche Raad gaat vallen, de bedoeling is immers dat óók het onderwijs aan joodse kinderen buiten de maatschappij wordt geplaatst en dat de joodse gemeenschap zelf de zorg en financiering van de scholen gaat dragen. Het duurt echter tot najaar 1942 voor dat de overname door de Joodsche Raad een feit is en er een Joods schoolbestuur en onderwijsbureau is ingesteld voor alle Joodse scholen, ook die buiten Amsterdam.
Ondertussen is, sinds in juli 1942 de transporten naar het oosten op gang zijn gekomen, het leerlingenaantal aanzienlijk gedaald. Het joodse onderwijsbureau sluit een aantal scholen, ook omdat de bekostiging door de bezetter, niet toereikend is om alle scholen in stand te houden.
Nauwelijks is deze herschikking in januari 1943 afgerond of de grote razzia’s in mei en juni, veroorzaken een bijna volledig ontvolking van de scholen. Uiteindelijk, over de zomervakantie van 1943 heen, is er nog slechts één schooltje over, met een kleine honderd leerlingen.
Met de laatste grote razzia op 29 september 1943 komt het openbare joodse leven in Amsterdam tot stilstand, dat geldt ook voor het onderwijs aan joodse kinderen; iedereen is weg, naar het oosten of in de onderduik.
Ik hanteer 'de bezetter' als verzamelnaam, maar het waren natuurlijk gewoon mannen, Duitse mannen en Nederlandse. Ik zet hier de belangrijksten op een rijtje, met als eerste natuurlijk Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart, de rechtstreekse vertegenwoordiger van Hitler, für die besetzten Niederländischen gebiete, en zijn Generalkommissar dr. Friederich Wimmer, die namens hem met het Jodenvraagstuk was belast. En dan was er de Beauftragte dr. Hans Böhmcker, het regelrechte verlengstuk van de Reichskommissar, für die stad Amsterdam. Dit drietal vul ik aan met nog drie hoofdrolspelers, de Generalkommissaren Hans Rauter,Fritz Schmidt en Hans Fischböck, waarvan de laatste over de overheidsfinanciën ging. Dat waren allemaal Duitsers, de bezetter dus. Maar zij werden bijgestaan door min of meer loyale Nederlanders, ambtenaren in Den Haag op het Departement van Opvoeding en op (de afdeling onderwijs van) het Amsterdamse stadhuis. Want [anders dan wat wij nog geen eeuw eerder in ‘de Oost’ deden] de bezetter bouwde in Nederland geen eigen bestuursapparaat op.
Een paar namen springen er dan uit, die van professor Jan van Dam, vanaf november 1940 Secretaris-generaal op het departement in den Haag en die van Edward John Voûte, sinds maart 1941 Regeeringscommissaris (burgemeester) voor Amsterdam; maar ook die van Johan Smit wethouder voor Onderwijs en zijn directeur Dr W.L. Hendriks, die leiding gaf aan de gemeentelijke afdeling Onderwijs. Zij stonden in direct contact met de bezetter, droegen diens bevelen ter uitvoering op aan hun ambtenaren en vervulden zo een cruciale rol bij de ontjoodsing.
Het verhaal zoals ik dat hier vertel, berust grotendeels op brieven, concepten en besluiten van met name Voûte en van Dam, opgesteld door hun loyale ambtenaren, doorgaans als gevolg van een bevel of opdracht afkomstig van de bezetter.
In het najaar van 1942, zodra het onderwijs aan joodse kinderen in opdracht van de bezetter aan de Joodsche Raad is overgedragen, verdwijnt het gemeentelijke apparaat grotendeels uit beeld. De Joodsche Raad vestigt een schoolbestuur met een onderwijsbureau dat alle taken die daarvoor bij de gemeente berustten, op zich neemt. Vanaf dat moment maakt de loyaliteit van de gemeenteambtenaren jegens de bezetter, plaats voor die van de bestuurders en medewerkers van de Joodsche Raad. Misschien is ‘loyaliteit’ een te hard oordeel en moet ik ‘verantwoordelijkheidsgevoel’ schrijven, jegens de (in aanvang) ruim elf duizend leerplichtige joodse kinderen in heel Nederland en hun ouders, opdat deze kinderen 'über die normale Ferienzeit hinaus nicht länger als etwa vier Wochen unbeschult bleiben.' zoals Seyss-Inquart in augustus 1941 had bevolen.

images/docs/factsheet_de_maatregelen.docx.pdfDE ANTI-JOODSE MAATREGELEN

notitie MIJN ONDERZOEK
LEESWIJZER
De ontjoodsing is opgebouwd uit een aantal paragrafen, waarin ik de gebeurtenissen en de ontwikkelingen beschrijf, vanaf de niet-joodverklaring en de verwijdering van de leerkrachten, tot aan de laatste door mij gereconstrueerde feiten, betreffende laatste leerlingen en de laatste leerkrachten, september 1943. Daar tussendoor behandel ik in een paar paragrafen de financiële en organisatorische aspecten, vooral van de periode onder de Joodse Raad.
Het eerste deel, dwz tot en met § 14 betreft voornamelijk de beginsituatie, zoals die zich voordeed vanaf najaar 1940 (schorsing joodse leerkrachten) tot najaar 1942 (overdracht door gemeente aan Joodsche Raad).
In deel twee, vanaf § 15 beschrijf ik het laatste schooljaar, tot en met september 1943; het betreft dan de situatie van het joodse lager onderwijs onder het beheer en toezicht van de Joodsche Raad.
In deel drie maak ik een uitstapje naar de situatie buiten Amsterdam, waar in tal van plaatsen de lokale overheid zich verplicht voelde onderwijs aan joodse kinderen te bieden. Dat betreft dan de periode september 1941 - zomer 1942, totdat de ‘provincies’ ontjoodst waren.
In een van de laatste paragrafen kom ik terug op het aspect ‘hoe kon het gebeuren’, zoals dat als vraag bij alle vorige paragrafen doorklinkt; ik tracht hier de omgevingsfactoren van het drama van de ontjoodsing in Nederland te verklaren. Waarna ik hopelijk tzt onderzoek en publicatie zal afsluiten met mijn commentaar en conclusies.
Naast dit artikel publiceer ik (zie artikel 3) een overzicht van de joodse scholen en de leerlingen en hun leerkrachten in Amsterdam, vanaf september 1941 tot aan september 1943.
Vergeet niet daar waar ze staan, op de groene pijltjes te clicken; in de rechter marge verschijnt dan een aanvullende notitie, commentaar, of een overzicht.

notitie NOTEN EN BRONNEN

§ 1. het joods zijn
Alhoewel de bezetter bij voorkeur afging op uiterlijke kenmerken, waren er voor het 'joods zijn' al snel formele criteria op papier. De eerste keer dat deze aan de orde kwamen in Nederland, was september 1940 in de Verordening 189/1940 voor de uitsluiting van Joodsche ondernemingen. In de 4e paragraaf daarvan werd 'het begrip Jood' vastgesteld:
'Jood is een ieder, die uit ten minste drie naar ras voljoodsche grootouders stamt.
Als jood wordt ook aangemerkt hij die uit twee voljoodsche grootouders stamt en
- hetzij zelf op den negenden Mei 1940 tot
de joodsch-kerkelijke gemeente heeft behoord of na die datum daarin wordt opgenomen,
- hetzij op den negenden Mei 1940 met een jood was gehuwd of na dat oogenblik met een jood in het huwelijk treedt.
Een grootouder wordt als voljoodsch aangemerkt, wanneer deze tot de joodsch-kerkelijke gemeente heeft behoord.'
Dat was de eerste stap. Gedurende het gehele proces van isolatie - concentratie - deportatie viel de bezetter telkens terug op deze omschrijving van het joods zijn. Dat gebeurde meteen al, half oktober 1940, als de bezetter de Nederlandse instanties beveelt:
'zo spoedig mogelijk een opgave in te dienen van alle personen in dienst van het Rijk, een provincie, een gemeente of een ander publiekrechterlijk lichaam, die hetzij geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede zijn, dan wel gehuwd of verloofd zijn met een persoon, die geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede is.'
de opdracht gaat verder met:
'Ter beoordeling van de vraag, of een bepaald persoon al of niet van Joodschen bloede is, dient als leidende gedragslijn te worden aanvaard, dat niet als te zijn van Joodschen bloede kan worden beschouwd hij, van wien geen zijner vier grootouders naar zijn weten heeft behoord tot de Joodsche geloofsgemeenschap, dat wil zeggen, lid, of tijdelijk lid is geweest van een Joodsch kerkgenootschap.'
Iedereen die kon verklaren dat hij niet, noch echtgenote of verloofde, ouders en grootouders tot de joodse geloofsgemeenschap behoorde, of behoord had, kon volstaan met het invullen en ondertekenen van een eenvoudig verklaring, formulier A. Dat formulier is de geschiedenis ingegaan als de Ariërverklaring, maar eigenlijk was het dus een niet-Joodverklaring.
De letterlijke tekst van deze verklaring was:
'De ondergeteekende, verklaart dat naar zijn (haar) beste weten noch hijzelf (zijzelf), noch zijn (haar) echtgenoot(e), (verloofde), noch een zijner (harer) (hunner beider) ouders of grootouders ooit heeft behoord tot de Joodsche geloofsgemeenschap.
Den (Der) ondergetekende is bekend, dat hij (zij) zich, ingeval vorenstaande verklaring niet juist blijkt te zijn, aan onmiddellijk ontslag blootstelt.'
Iedereen die deze verklaring niet kon tekenen werd vervolgens lastig gevallen met een lijst met vragen over familie, verloofde of echtgenote en kinderen, over beroep en inkomen en privévermogen. Dat betrof dan formulier B, dat bovendien in tweevoud moest worden ingediend.
De gegevens moesten voor het eind van de maand oktober zijn verstrekt.
Begin november schreef de directeur van de gemeentelijke afdeling Onderwijs, aan de Amsterdamse wethouder voor Arbeidszaken dat de afdeling onderwijs 3.031 personeelsleden telde,en:
‘Van deze ambtenaren hebben 238 verklaard dat zijzelf of hun echtgenooten of verloofden geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede zijn. 2.793 ambtenaren hebben derhalve de andere verklaring afgelegd’
De lijsten met de joodse ambtenaren 'in dienst van het Rijk, een provincie, een gemeente of een ander publiekrechterlijk lichaam ' werden zo snel mogelijk naar den Haag gestuurd. En zo beschikte de bezetter over vrij gedetailleerde informatie over een aanzienlijk deel van de Joods-Nederlandse bevolking, althans over dat deel dat in overheidsdienst was, als ambtenaar, hoogleraar, onderwijzer, politieman, werkman of anderszins.

notitie DE VERKLARING

§ 2. ontheffing en ontslag
Nauwelijks was die lijst binnen of de Secretaris-generaal van het departement van Onderwijs schreef Burgemeester en Wethouders van Amsterdam op 22 november 1940
:…..Aangezien mij uit de ingezonden verklaringen van afstamming is gebleken, dat de op bijgaande lijst genoemde onderwijzers(essen) Uwer gemeente, overeenkomstig de bovenstaande bepalingen geacht worden van Joodschen bloede te zijn, en mitsdien vallen onder de personen, bedoeld in genoemde Instructie van den Rijkscommissaris, heb ik aan de(n) betrokkene bij schrijven van heden medegedeeld, dat hij (zij) met ingang van diezelfde datum van de waarneming van zijn (haar) functie is ontheven.
De Rijkscommissaris heeft bepaald, dat de betrokkenen voorlopig in het genot blijven van hun wedde (toelagen enz.).
In heel Nederland waren het 639 personen in alle vormen van openbaar en bijzonder onderwijs, waarvan 283 onderwijzers en onderwijzeressen in het lager onderwijs.[HNA 2.14.37/00310] Daarvan werkten er 133 in het Amsterdamse gewoon openbaar onderwijs. Zij kregen allemaal simpelweg van dat departement een briefje met de mededeling dat ze waren 'ontheven van de waarneming van hun functie'. Dat betekende overigens wél met behoud van het volle salaris en zelfs de tien gehuwde joodse onderwijzeressen, die met een 'kostwinnerstatus' in het Amsterdamse onderwijs werkten, hielden hun rechtspositie. De wethouder schreef ze op 10 januari 1941 ‘mitsdien blijft gij ook na 1 Januari 1941 voorloopig in het genot Uwer salaris’. Dat voorlopig was fijntjes opgemerkt, want per 1 maart 1941 werden ze allemaal werkelijk ontslagen. Volgens een briefje van de toen net benoemde Regeeringscommissaris voor Amsterdam Voûte, aan de Inspecteur voor het Lager Onderwijs in de inspectie Amsterdam, werden er 105 leerkrachten bij het openbaar lager onderwijs ontslagen en 23 bij het openbaar voorbereidend onderwijs. 3 kregen eervol ontslag en vervroegd pensioen. 102+23+3 = 128, we missen er dus 5 om de 133 die in november ontheven waren, vol te maken. Dat waren vijf tijdelijke leerkrachten, waarvan de aanstellingen in november gewoon niet was verlengd; die stonden sindsdien op straat zonder salaris en zonder uitkering.

notitie 133 ONDERWIJZERS EN ONDERWIJZERESSEN

§ 3. vacatures
In het Amsterdamse gewoon openbaar lager onderwijs werkten in cursusjaar 40/41 zo’n 1000 onderwijzers en onderwijzeressen. Het plotselinge vertrek van ruim 100 leerkrachten greep op tal van lagere scholen diep in op het functioneren. Veel van de ontstane vacatures konden pas na de zomer van 1941 weer worden bezet, toen vanwege het vertrek van de joodse leerlingen, een herschikking van scholen plaatsvond.
Al in het najaar van 1940 kwam de Amsterdamse afdeling van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers met het voorstel om [SAA 5191 : 7235/4139]
'werkeloze leerkrachten die voor benoeming zijn uitgesloten, toch te benoemen op een overwegend Joodsche school (uitsluitend of bijna uitsluitend bezocht door Joodsche leerlingen).'
Maar wethouder Kropman van onderwijs antwoordde dat
'dat niet is toegestaan en dat het voorshands niet gewenscht is door overplaatsing van leerlingen, enkele bestaande scholen te maken tot scholen welke uitsluitend door Joodsche leerlingen worden bezocht'
De zorg van de Onderwijsbond betrof eigenlijk in de eerste plaats de nieuwe, vers afgestudeerde leerkrachten die nog niet benoemd waren en die vanwege hun Joods-zijn, niet meer voor een benoeming in het Amsterdamse onderwijs in aanmerking kwamen.
Ook op het departement maakte men zich zorgen hoe het verder moest. Begin maart 1941 liet Secretaris-generaal van Dam een brief opstellen aan Generalkommissar Wimmer, die het ‘joodsche vraagstuk’ namens Reichs-kommissar Seyss-Inquart behartigde:
‘Ik deel U mede, dat bij enkele groote gemeenten de vraag is gerezen, of het niet mogelijk zoude zijn, eenige der thans ontslagen Joodsche leerkrachten in functie te houden door bepaalde onderwijsinrichtingen uitsluitend te bestemmen voor Joodsche leerlingen. Zoowel te Amsterdam als te ‘s-Gravenhage zijn dergelijke maatregelen in oogenschouw genomen, en een en ander heeft inderdaad geleid tot het aanwijzen van bepaalde openbare scholen tot inrichtingen, uitsluitend beschikbaar voor leerlingen van Joodsche bloede, waaraan Joodsche leerkrachten verbonden kunnen blijven.
Op grond van de desbetreffende bepalingen van Duitsche zijde vastgesteld, heb ik gemeend, tot deze oplossingen te moeten medewerken. Aan eenige, oorspronkelijk ontslagen leerkrachten, is derhalve verlof verleend om onder de bovengenoemde voorwaarden in functie te blijven.’
’Liever niet (te) versturen’ staat met dik blauw potlood in de marge van dit briefconcept. Niet versturen betekent ook dat de maatregelen die van Dam voorstelde niet zijn uitgevoerd. De brief was slechts een poging van de Secretaris-generaal om een en ander in goede banen te leiden.

§ 4. concentreren
Het plan voor het beperkt samenbrengen van joodse leerlingen en joodse leerkrachten, is in Amsterdam niet van de grond gekomen. Wel was de Beauftragte für die stadt Amsterdam min of meer in samenspraak met het gemeentebestuur bezig de Joodsche Amsterdammers in kaart te brengen. In een brief van 16 januari vroeg hij het gemeentebestuur inlichtingen:
'in welchen Stadtteilen überwiegend Juden wohnen. Dazu bitte ich, eine Karte in vierfacher Ausfertigung beizufügen, aus der sich die Grenzen der Judenviertel genau ergeben.'
Als vertegenwoordiger van Reichskommissar Seyss-Inquart verzamelde hij allerlei gegevens over de Amsterdams-joodse bevolking en bedrijvigheid, als opmaat voor zijn plan een getto in te stellen. Uiteraard was zijn oog daarbij gevallen op de joodse buurt in de oostelijke binnenstad, het 'Judenviertel'. Het zal hem niet zijn ontgaan dat daar de joodse kinderen in groten getale, samen met ‘Arische’ kinderen in één klas zaten. Concentratie van de Amsterdamse Joden in één wijk zou vanzelfsprekend ook scheiding van joodse en niet-joodse leerlingen moeten betekenen. In die brief vroeg hij daarom ook:
'Wieviele öffentliche Schulen sich in de Judenvierteln befinden. Die Lage der Schulen bitte ich in die unter 1) erwähnte Karte einzutragen. Dabei bitte ich anzugeben, ob und welche Schulen jetzt nur Juden aufnehmen und wieviele jüdische Schüler jetzt Schulen besuchen, die sich ausserhalb der Judenviertel befinden.''
Het gemeentebestuur maakte Böhmcker echter duidelijk dat er niet één 'Judenviertel' bestond, maar een reeks van in elkaar overlopende buurten waar de meerderheid van de Joodse Amsterdammers woonde, maar ook haast evenveel niet-joodse stadsgenoten. Het instellen van een getto zou vanzelfsprekend het massaal uitplaatsen van die 'Arische' gezinnen betekenen en daar was het Duitsgezinde gemeentebestuur natuurlijk niet gelukkig mee. Een getto kwam in Amsterdam niet van de grond. In zijn brief van 13 mei 1941 aan de Regeeringscommissaris voor Amsterdam, meldde Böhmcker dat hij heeft besloten de 'absperrung aufzuhoben'.
Maar daarmee was het plan om de joodse scholieren af te zonderen bepaald niet van tafel. Uit de opgave die de afdeling onderwijs op 15 februari aan Böhmcker stuurde, bleek immers dat de joodse leerlingen over een aanzienlijk aantal scholen verspreidt waren, en niet alleen in de 'spezifische jüdenvierteln' . Dat moet hem zodanig hebben geërgerd, dat hij de Regeeringscommissaris Voûte tot maatregelen dwong, waarop deze zijn wethouder voor onderwijs op 15 april schreef:
'dat hem van de zijde der Duitsche autoriteiten is te kennen gegeven, dat dient te worden begonnen met de voorbereiding, verbonden aan het plaatsen van de Joodsche schoolkinderen in deze gemeente op één school of scholencomplex.
De Regeeringscommissaris noodigt den Wethouder voor Onderwijs uit, hieraan zijn aandacht te geven.'
Blijkbaar heeft deze uitnodiging bij wethouder Smit zoveel vragen opgeroepen, dat er van gemeentewege op 21 april een brief wordt gestuurd aan professor van Dam, de hoogste baas op het Departement van Opvoeding, in den Haag. Het ging er om 'eenige richtlijnen te mogen ontvangen, die naar Uw oordeel bij deze concentratie in het oog moeten worden gehouden.' In de brief komen verschillende problemen aan de orde, zoals het tijdstip van de voorgenomen concentratie, welke categorieën scholen het zou betreffen en de toe te passen criteria bij de bepaling van het Joodsch zijn. Voûte schreef in de laatste alinea's:
'Indien tot concentratie moet worden overgegaan, zou het aanbeveling verdienen, deze te beperken tot de buurten, die voor het merendeel door Joden worden bewoond. De te nemen maatregelen zouden dan minder ingrijpend en minder schadelijk voor het onderwijs behoeven te zijn.'
Van Dam op zijn beurt, wendt zich op 5 mei in een brief tot Generalkommissar Wimmer (die met het 'Jodenvraagstuk' was belast), neemt de vraagpunten van Amsterdam over en laat niet na zijn zorgen te uiten:
'Ik moge er in dit verband [de concentratie van Joodsche leerlingen] allereerst aan herinneren, dat het vraagstuk, hetwelk te Amsterdam aan de orde is gesteld, reeds eerder een onderwerp van overleg heeft uitgemaakt tusschen de Heer Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied en mij. Destijds is door den Rijkscommissaris het standpunt ingenomen, dat maatregelen van deze aard niet aan de orde waren.
De bezwaren, welke zich voordoen, gelden m.i. nog steeds in onverminderde mate, en het schijnt mij boven twijfel verheven, dat, mocht een dergelijke maatregel voor het geheele land worden voorgeschreven, met de onmogelijkheid van een goede uitvoering daarvan, een sterke verbreiding van onrust onder de bevolking gepaard zal gaan'
Maar hij besluit met:
'Resumereende zou ik er bij u derhalve op willen aandringen, dat eventueele maatregelen van dezen aard, zoo u deze voor noodzakelijk mocht houden, beperkt worden tot bepaalde gedeelten van de Stad Amsterdam, en dat daartoe door mij voorschriften worden ontworpen, aan de hand waarvan het bestuur van de Stad Amsterdam nagaat, welke uitvoerings-maatregelen in de practijk mogelijk zijn.'
Duidelijk is dat van Dam, sterker dan Burgemeester en Wethouder, weinig voelde voor isolatie van joodse leerlingen, al was het maar omdat hij een massale overstap van het openbaar naar het bijzonder (joods) onderwijs vreesde, waardoor de leerlingen uit het zicht van de overheid zouden verdwijnen.
'Mocht de concentratie slechts worden toegepast bij het openbaar onderwijs, dan zou van den maatregel het direct gevolg zijn, dat vele Joodsche leerlingen overgingen naar bijzondere inrichtingen van onderwijs, een gevolg, dat zeker niet bedoeld zal zijn.'
Een schriftelijke reactie van de Generalkommissar op de brief van de Secretaris-generaal is door mij niet in de archieven aangetroffen, maar op 9 juli is het dan zover. Van Dam schrijft aan Wimmer:
'De Regeeringscommissaris voor Amsterdam heeft mij medegedeeld dat hij op 8 juli jl. opdracht heeft ontvangen van den Beauftragte der Stad Amsterdam, om de verwijdering van Joodsche leerlingen van de scholen voor te bereiden, in deze vorm dat deze scheiding haar beslag moest krijgen bij het begin van den nieuwe cursus, derhalve in het begin van de maand september [....] Gaarne zou ik zien dat ook de mogelijkheid werd geboden om tijdig mededeeling te doen van de algemene gang van zaken, waardoor zal kunnen worden bereikt , dat een te verwachten onrust bij de bevolking in verband met deze maatregelen zoveel mogelijk wordt voorkomen'
Die Beauftragte was de regelrechte vertegenwoordiger van Reichskommissar Seyss-Inquart. Het is aannemelijk dat de opdracht waar Van Dam op doelt afkomstig was de Reichskommissar. Blijkbaar was hij, als hoogste baas op het departement van Opvoeding, hierbij gepasseerd. Hij moest het van Regeeringscommissaris Voûte vernemen. Niets wijst er op dat door de bezetter met de opmerkingen in zijn eerdere brief, noch met die in deze brief rekening is gehouden. Het gaat nu om de verwijdering van de Joodsche leerlingen en niet langer om concentratie op een beperkt aantal scholen. Het zal nog tot eind augustus duren voor dat er over deze isolatie een officiële mededeling aan de bevolking wordt gedaan.

§ 5. tellen
Het onderwijsbureau van de gemeente Amsterdam startte voortvarend met de voorbereidingen. Meteen al, op 9 juli kregen de hoofden van het openbaar onderwijs een circulaire :
'Bij dezen verzoek ik U mij vóór 13 Juli a.s. een nominatieve* opgaaf te verstrekken van de leerlingen Uwer school, die van Joodschen bloede zijn.
Als te zijn van Joodschen bloede moeten worden beschouwd de kinderen, die drie of vier Joodsche grootouders hebben en voorts de kinderen, die twee Joodsche grootouders hebben en die zelf of wier ouders tot een Joodsche kerkelijke gemeente behooren.
De opgaaf moet vermelden de namen en voorletters der kinderen en het leerjaar, waarin zij na de zomervacantie zullen plaats nemen. Bij de opgaaf moeten gevoegd worden de leerlingkaarten dezer kinderen.
Leerlingen die na de zomervacantie niet terugkomen, behoeven niet te worden vermeld. Evenmin de kinderen, die staan ingeschreven en nog niet zijn geplaatst.
Ik vestig er Uw aandacht op, dat in gevallen van twijfel omtrent de afstamming niet mag worden afgegaan op de mededeelingen der kinderen zelf, doch inlichtingen aan de ouders moeten worden gevraagd.’
*met nominatieve opgaaf werd gewoon bedoeld: een lijst van namen
Alle hoofden van de 183 Amsterdamse openbare lagere scholen leverden de gevraagde gegevens. Maandag-morgen 14 juli waren de namenlijsten allemaal binnen op het Onderwijsbureau aan de Falckstraat. Zover ik heb kunnen nagaan, was er in Amsterdam slechts op één school sprake van weigering, door één onderwijzer [zie mijn artikel een kleine heldendaad] maar dat neemt niet weg dat ook dat het hoofd van die school zijn lijstje tijdig op de post heeft gedaan.
De leerlingenaantallen werden verzameld en verwerkt in een rapport dat op 29 juli door de chef van het Centraal Onderwijs Bureau werd aangeboden aan de Directeur van de Afdeeling Onderwijs op het Amsterdamse stadhuis. Het betrof:
'Een overzicht van het aantal leerlingen, dat als Joodsche leerlingen moet worden beschouwd, welke leerlingen scholen voor openbaar lager onderwijs bezoeken en met wier vertrek rekening moet worden gehouden.'
Volgens de opgaven zaten er 4.105 vol-joodse kinderen op de openbare lagere scholen. De cijfers waren geordend naar de zestien kwartieren waarin de stad in die tijd was opgedeeld. In tien stadskwartieren waren het kleine aantallen, variërend van 3 leerlingen in de Jordaan tot 81 in de Indische buurt, in totaal 214 kinderen. In de overige zes wijken zaten bij elkaar 3.891 joodse leerlingen op school, met als uitschieter uiteraard de Jodenbuurt in de oude binnenstad, met 1.232 kinderen. Deze cijfers vormden een maand later de basis voor hergroepering van een aantal Amsterdamse scholen.
Er was al eerder een inventarisatie van joden in Amsterdam gemaakt. Dat was in opdracht van de Beauftragte, die in januari 1941 allerlei aspecten van de joodse samenleving in Amsterdam bij elkaar bracht voor het instellen van een getto. De gemeente levert hem op 15 februari 1941 een uitputtende inventarisatie van zieken-huizen, bejaardenhuizen, aantallen woningen en bedrijven én joodse leerlingen. Dat waren er toen 5.415, zoals geteld op alle openbare lagere scholen in Amsterdam. Volgens de opgave zat de helft daarvan op de zeventien scholen in de Jodenbuurt, de Oosterpark- en Transvaalbuurt. De rapporterende ambtenaar merkte echter op:
'dat bovenstaande gegevens zijn gegrond op een telling van de Joodsche leerlingen, afgaande op voor- en achternamen van de leerlingen en hun ouders. De juiste gegevens kunnen eerst verkregen worden, wanneer over eenige maanden de resultaten van den aanmeldingsplicht der Joodsche ingezetenen bekend zijn en die gegevens zijn vergeleken met de schoolgegevens.'
Die aanmeldingsplicht werd voor Joodse Amsterdammers op 10 maart 1941 van kracht. [zie verder § 11] Men moest zich registreren bij de Joodsche Raad, via het bureau van de Raad kwamen de gegevens terecht in het Gemeentelijke Bevolkingsregister; de persoonskaarten werden voorzien van een ‘ruitertje’.
Aan de hand van deze registratie presenteerde het gemeentelijke bureau voor de statistiek in mei 1941, een nauwkeurig overzicht van ‘De Joodsche bevolking in de verschillende wijken der Gemeente’. Het waren er 85.897 op een totaal aantal ingezetenen van 755.170, dus ruim 10% van de Amsterdammers had zich als joods aangemeld. Bij deze statistiek zat een kaart van Amsterdam, betreffende 'verspreiding van de joden over de gemeente (mei 1941)', de joodse wijken zijn ingekleurd, hoe donkerder rood hoe joodser de buurt.
Deze bevolkingsregistratiegegevens werden door het Onderwijsbureau vergeleken met de inschrijvings-gegevens van alle leerlingen. Dat mondde uit in een nieuw overzicht van Joodse leerlingen in het gehele openbaar onderwijs, nu gespecificeerd per school. Deze lijst verscheen eind mei 1941 en werd direct aan het departement gestuurd, waarschijnlijk ter onderbouwing van de aanbeveling die Voûte in zijn brief van 15 april deed om de concentratie van Joodse leerlingen te beperken tot de buurten, die voor het merendeel door Joden worden bewoond :
'naar aanleiding van uw mondeling tot mij gerichte verzoek zend ik u hierbij een adreslijst van openbare lagere scholen (….) waarop bij elke school vermeld staat het aantal Joodsche leerlingen, dat naar een voorlopige schatting de school bezoekt.'
Van Dam stuurde de lijst op 11 juni, keurig overgetypt door aan Wimmer met inderdaad het voorstel om de joodse leerlingen te concentreren op een twintigtal 'typisch joodsche lagere scholen' Hij was blijkbaar nog steeds de mening toegedaan dat er een beperkte concentratie van joodse leerlingen mogelijk was. De lijst omvatte 5.141 joodse leerlingen op de gewone openbare lagere scholen. Dat aantal is lager dan de opgave van februari aan Beauftragte Böhmcker, maar beduidend hoger dan de uiteindelijke stand van zaken per 29 juli van 4.105 leerlingen. In het Amsterdamse openbaar lager onderwijs zaten dat jaar veertigduizend leerlingen, ruim 10% was dus joods.
Het leek alsof het bijzonder onderwijs buiten schot bleef. Dat gold zeker voor de vijf niet-openbare Joodse lagere scholen die de stad telde, met tezamen zo'n 1.100 leerlingen. Het waren deze scholen waarnaar een massale overstap werd verwacht bij de invoering van de isolatie-maatregel.

notitie WEIGERINGEN

§ 6. de aanwijzing
Op 8 augustus was daar dan de officiële aanwijzing van Reichskommissar Seyss-Inquart. Bovenaan de brief met adelaar en hakenkruis stond 'geheim' maar de Duitse tekst was overduidelijk:
'dass ab 1. September ds. Js sämtliche jüdischen Schuler aus den niederländischen öffentlichen und privaten Schulen ausscheiden und in denkbar kürzester Frist in Judenschulen zusammengefasst werden, in denen lediglich jüdischen Lehrer unterrichten. Derartige Schulen müssen in den Städten Amsterdam, Den Haag und Rotterdam bis zum 1. September ds. Js. vom Staat oder den Gemeinden zur Verfügung gestellt sein.'
en verderop :
'Es muss verhindert werden, dass durch die Ausführung dieser Weisung jüdische Kinder über die normale Ferienzeit hinaus länger als etwa vier Wochen unbeschult bleiben.'
Seyss-Inquart beval de regelrechte verwijdering van alle joodse leerlingen, om ze vervolgens samen te brengen op speciaal daartoe opgerichte scholen, met uitsluitend joodse leerkrachten. Anders dan wat van Dam en Voûte voor ogen hadden, gaat het nu om een totale isolatie en concentratie. De verwijdering moest ingaan op 1 september. Woensdag 13 augustus zond van Dam een afschrift van deze aanwijzing aan burgemeester Voûte, de Regeeringscommissaris voor de gemeente Amsterdam:
'stel ik er veel prijs op om binnen den kortst mogelijken tijd van U te vernemen, tot welke algemeene opmerkingen, met betrekking tot de mogelijkheid van uitvoering van dit besluit in uw gemeente U aanleiding geeft.'
Voûte antwoordde zo snel mogelijk; op dinsdag 19 augustus, schreef hij Van Dam:
' De verwijdering van alle joodsche leerlingen van openbare en bijzondere scholen te Amsterdam, reeds met ingang van 1 September a.s., is, al zijn er ook veel administratieve moeilijkheden aan verbonden, mogelijk. Bereids zijn hiervoor door mij de noodige maatregelen genomen.
Meer bezwaarlijk is het op korte termijn de openbare scholen, die veel joodse leerlingen verliezen, tot scholen met een normale klassenformatie te hergroeperen en de noodige joodsche scholen te organiseren. Voor het eerste is geen termijn gesteld, voor het laatste wel. Althans is in het schrijven van den Commissaris-Generaal voor Bestuur en Justitie voorgeschreven, dat op zeer korten termijn schoolgebouwen voor joodsche scholen beschikbaar moeten worden gesteld en verder uitdrukkelijk te kennen gegeven, dat voorkomen moet worden, dat de verwijderde joodsche leerlingen langer dan ongeveer vier weken na de normale vacantie zonder onderwijs blijven. Aangezien het vrijmaken van gebouwen voor joodsche scholen alleen kan geschieden door een hergroepering van de leerlingen der openbare scholen in de betreffende stadsdeelen, zou de hergroepering ook op zeer korte termijn moeten geschieden. Dit nu is practisch niet goed mogelijk. Er moeten duizenden leerlingen worden overgeplaatst, personeelsvoorzieningen worden getroffen, de noodige verhuizingen worden bewerkstelligd, enz. Een en ander kost tijd en brengt veel administratieve beslommeringen met zich. Het is uitgesloten, dat de uitvoering van een en ander in enkele weken kan geschieden.
De maatregel zou m.i. gemakkelijker uitgevoerd kunnen worden, ook minder bezwaar ontmoeten en minder schade aan het onderwijs, zowel van niet-joodsche als van joodsche leerlingen toebrengen, indien wat meer vrijheid van beweging en bovenal meer tijd voor de uitvoering werd gegeven.'
Van Dam wendde zich direct tot dr. Schwartz die namens Seyss-Inquart toezicht hield op het departement en verzocht de maatregelen voor Amsterdam op te schuiven 'en wel zodanig dat een en ander op 1 november afgerond is'. Het antwoord van de Reichskommissar kwam per ommegaande met de toestemming om 'voor Amsterdam den datum, waarop Joodsche leerlingen van de scholen zouden moeten verwijderd zijn te verschuiven naar 1 oktober'.

notitie AANWIJZING

§ 7. de bijzondere scholen
Bij de leerlingenopgave in juli leek het er nog op dat het bijzonder onderwijs buiten de maatregel zou vallen, maar direct na de zomervakantie werden ook deze scholen in Amsterdam - Rooms Katholiek, Protestants en Neutraal, aangeschreven. Door enige verwarring had de afdeling Onderwijs gedacht dat de maatregel beperkt kon blijven tot het onder de gemeente vallende openbaar onderwijs. Van Dam maakte echter duidelijk dat de bezetter bedoelde dat alle lagere scholen, openbaar én bijzonder, (‘öffentlichen und privaten Schulen’ stond in de aanwijzing van 8 augustus) verboden zouden worden voor joodse kinderen. Dat schreef hij in zijn brief van 25 augustus en dat was eigenlijk de eerste brief waarin het Departement van Opvoeding de order tot verwijdering van Joodse leerlingen aan de gemeente-besturen openlijk bekend maakte:
‘Ik deel u thans mede, dat mij is opgedragen te bevorderen, dat de Joodsche leerlingen met ingang van 1 September a.s. van de scholen - voor zoover deze niet uitsluitend voor Joodsche kinderen zijn bestemd - worden verwijderd. In verband hiermede verzoek ik U aan alle in Uw gemeente gevestigde scholen - openbare en bijzondere - mededeeling te doen van deze beslissing der Duitsche autoriteiten, en er wel op toe te zien, dat aan deze order gevolg wordt gegeven.
De Joodsche leerlingen bij het lager onderwijs moeten, zowel bij het openbaar als het bijzonder onderwijs, worden medegeteld op den teldatum van 16 September 1941 van de school, welke zij verlaten of zouden hebben bezocht, U gelieve dit eveneens aan de schoolbesturen mede te delen.
Met nadruk wensch ik erop te wijzen, dat het in de bedoeling ligt om de Joodsche kinderen in staat te stellen, het onderwijs, dat zij thans genieten, te vervolgen, zij het dan in afzonderlijke onderwijsinrichtingen.’
Het Onderwijsbureau haastte zich nu alle niet-openbare scholen aan te schrijven [in de marge van het briefconcept van 18 augustus, staat in blauw potlood genoteerd: '300 exemplaren'] met de opdracht de joodse leerlingen met naam en geboortedatum aan te geven. De hoofden van de openbare scholen hadden dan wel vlak voor de vakantie, loyaal en nauwgezet hun opgaven verstrekt, de reacties van uit het bijzonder onderwijs waren bepaald afwijzend. Het ging in Amsterdam om zo'n 120 lagere scholen voor bijzonder onderwijs. Ze antwoordden allemaal, sommige met een keurige opgave van aantal joodse leerlingen, zoals de hervormde Willem de Zwijgerschool, in de Transvaalbuurt, die 20 Joodsche leerlingen aangaf. Maar de meeste confessionele scholen weigerden een opgave te doen, met een beroep op Luther :'dat het altijd gevaarlijk is, iets tegen het geweten te doen' of met een citaat uit het Bijbelboek Romeinen: 'den Hoogsten wetgever die ons verbiedt onderscheid te maken tussen Jood of Griek, omdat Hij heere is van allen die Hem aanroepen'. Vaak was het hoofd van de school pragmatischer dan het bestuur, er kwamen dan twee brieven binnen, de ene principieel dat opgave werd geweigerd en de andere, van het hoofd, die keurig verklaarde dat er geen Joodse kinderen de aangeschreven school bezochten.

§ 8. herschikking
De gemeentelijke afdeling onderwijs was al sinds de verschijning van het rapport over de vertrekkende en blijvende leerlingen, eind juli, bezig de geëiste concentratie van joodse leerlingen voor te bereiden Het is een aanzienlijke reorganisatie schreef Voûte aan van Dam, met veel 'administratieve beslommeringen'. Het ging om meer dan 30 scholen, met wel 7.500 kinderen, zo'n 4.000 joodse en 3.500 arische leerlingen en een ook paar honderd onderwijzers en onderwijzeressen. Ze moesten allemaal van school wisselen. Half augustus hadden de onderwijs-ambtenaren het plan voor de 'hergroepering' klaar. In zijn brief van 19 augustus, aan van Dam, schetste Voûte:
'Zooals U bekend, zijn er in Amsterdam scholen, welke door een zeer groot percentage joodsche leerlingen worden bezocht. Ik zou het onderwijs aan deze scholen, die voor het meerendeel joodsche scholen zullen worden, na 1 September a.s. gewoon willen doen voortzetten door de eigen (niet-joodsche) onderwijzers deze scholen. Naarmate de hergroepeering van de leerlingen der openbare niet-joodsche scholen vordert, zou ik van bedoelde scholen willen wegnemen de niet-jooodsche leerlingen en hun plaatsen willen doen innemen door joodsche leerlingen en aldus de joodsche scholen organiseren.
Het groote voordeel van een dergelijke wijze van handelen is, dat niet op 1 September a.s. plotseling een zeer groot aantal joodsche kinderen zonder onderwijs komt. Het overgroote deel der joodsche kinderen zal na 31 Augustus a.s. gewoon onderwijs kunnen blijven ontvangen. Zonder onderwijs gedurende korten tijd zullen slechts blijven de joodsche leerlingen van die openbare scholen, waar het aantal deze leerlingen betrekkelijk gering is.
De bedoelde joodsche scholen zouden voorlopig openbare scholen met haar eigen onderwijzers blijven. Zodra mogelijk zouden de niet-joodsche onderwijzers dezer scholen vervangen moeten worden door joodsche onderwijzers. Is eenmaal de door den Commissaris-Generaal bedoelde joodsche raad gevormd, dan zouden deze scholen overgedragen kunnen worden aan den joodschen raad.
Het departement kwam, na overleg met de bezetter, al snel met de toestemming: Amsterdam kreeg volop de gelegenheid om volgens de aangegeven methode 'gedurende de eerstvolgende weken de verplaatsing van arische en niet-arische kinderen te regelen' maar 'langer uitstel is ondenkbaar.' Deze slag leek door Amsterdam gewonnen, niet alleen is er uitstel tot 1 oktober maar ook een herschikking naar eigen inzicht en mogelijkheden was door de bezetter toegestaan. Dat nam niet weg dat er nog wel wat kwesties waren waar de instemming van de bezetter voor noodzakelijk was.
Zo was er een probleem van de dubbele schoolgebouwen zoals die in de nieuwe wijken veelvuldig in gebruik waren. De vraag was dan of zo'n nieuwe joodse school gevestigd mocht zijn in zo'n schoolgebouw, náást een niet-joodse. Van Dam was daarover duidelijk:
'dat de Duitsche autoriteiten een oplossing, in welken vorm ook, waarbij in hetzelfde gebouw een niet-Joodsch en een Joodsche school wordt ondergebracht, niet kunnen aanvaarden.'
Daarop koos Amsterdam er voor in drie buurten, beide scholen in een dubbelschoolgebouw vrij te maken voor joodse scholen. Dat gebeurde in de Jekerstraat in Zuid, aan het binnenhof van de Sparrenweg in de Oosterpark-buurt en in de President Brandstraat in de Transvaalbuurt. Vijf van de zittende scholen werden opgeheven en de zesde verplaatst. Ondanks dat kwam er op 16 oktober een klacht van de Beauftragte bij Voûte binnen, omdat er joodse scholen onder één dak zaten met niet-joodse, althans dat leverde een ‘Uberprüfung’ op:
'Durch diesen Zustand wird das Eindziel, die Jugend schon frühzeitig auf die Rassenfrage aufmerksam zu machen, nicht erreicht.'
Voor het eerst werd dit 'Eindziel' in de correspondentie naar voren geschoven, geen van de andere betrokkenen plaatste de ontjoodsing van het onderwijs eerder in een ideologisch kader, zoals Böhmcker hier deed.
Hij klaagde over vijf scholen: de Joodsche Voorbereidende school B in de van Swindenstraat; de Joodsche school aan het van Bossenburgplein; de Joodsche Montessori in de Nierstraat, de Joodsche klas (school nr 15) aan de Floraweg en de Wilhelmina Catherina school aan de Weteringschans. Voûte antwoordde per ommegaande met een brief van drie kantjes waarin hij per school aangaf wat er aan de hand was. Bijvoorbeeld dat die Joodsche Montessorischool helemaal niet in de Nierstraat zat, maar aan het Willinkplein. Hij begon zijn betoog met:
'Amsterdam heeft in de laatste 10 a 20 jaar bijna uitsluitend schoolgebouwen opgericht, bestemd voor 2 à 3 , soms zelfs 4 scholen. (...) De bedoelde wijze van bouwen is zóó normaal geworden, dat in sommige stadsdeelen niet anders dan zulke paarsgewijze gebouwde scholen voorkomen. Bij de organisatie der joodsche scholen moest uit den aard der zaak met dit feit rekening worden gehouden.'
en hij besluit met fijntjes op te merken:
'Overigens vraag ik mij af, of het door U genoemde einddoel, de jeugd al vroegtijdig op het rassenvraagstuk opmerkzaam te maken, niet juist veel beter wordt bereikt door een joodsche school naast een niet-joodsche school te vestigen.'
Een groter probleem dan de huisvesting, was de status van de nieuwe scholen, duidelijk was dat het geen gewone openbare scholen zouden zijn. In de aanwijzing van 8 augustus schreef de Rijkscommissaris immers:
'Es ist beabsichtigt, die Unterhaltung und die Aufsicht der Juden-schulen einem zu gründenden jüdischen Rat zu überlassen. Biss dahin müssen diese Schulen aus öffentlichen Mitteln finanziert werden und sowohl im Aufbau wie in ihrem Betrieb von den zuständigen Schulinspektoren und Gemeindestellen betreut werden.'
De opzet van de bezetter was duidelijk: het onderwijs aan joodse kinderen diende volledig buiten de samenleving te worden geplaatst, het beheer, het toezicht én de financiering moest een zaak van de joden zelf zijn. Maar zover was het nog niet en het zou nog ruim een jaar duren voor de Joodse Raad de scholen toegeschoven kreeg. In eerste instantie was het beheer van deze nieuwe joodse scholen de taak van de gemeenten.
Amsterdam vroeg het Departement meer duidelijkheid in verband met de vele regels die in het onderwijs golden. De door de bezetter aan de gemeente opgelegde gang van zaken zou daarmee wel eens in strijd kunnen zijn. Van Dam was in zijn brief van 9 september duidelijk, dat de scholen:
'aangemerkt kunnen worden als ongesubsidieerde inrichtingen voor bijzonder onderwijs. Al zal aanvankelijk de financiering uit de openbare kas plaatshebben, reeds thans dit karakter aan de Joodsche scholen moet worden toegekend.'
Ongesubsidieerd en bovendien bijzonder onderwijs, dat maakte het mogelijk om bestaande regelgeving te omzeilen. Tegelijkertijd eiste de bezetter dat de joodse kinderen wel leerplichtig bleven en naar school gingen.

§ 9. onderwijsteams
Het belangrijkste probleem naast het vrijmaken van schoolgebouwen, was natuurlijk de samenstelling van de onderwijsteams voor de op te richten joodse scholen. Het bevel van de Rijkscommissaris was duidelijk 'joodse leerlingen mogen in het vervolg uitsluitend les krijgen van joodse leerkrachten'. Maar die waren juist in maart 1941 in opdracht van de bezetter ontslagen. Sindsdien was het lagere overheden en bijzondere scholen verboden joodse leerkrachten in dienst te hebben. Hier kwam de bijzondere status van de scholen van pas. Met het vooruitzicht dat de scholen onder het beheer van de Joodsche Raad zouden komen, werd het de gemeente toegestaan joodse leerkrachten op tijdelijke basis, aan te stellen. Dus zette de afdeling Onderwijs al die ontslagen joodse onderwijzers en onderwijzeressen weer op een lijst, met geboortedatum, bevoegdheden en burgerlijke staat. Bijna iedereen stond er weer op. Acht leerkrachten ontbraken, drie die met pensioen waren gegaan en zes waarvan het tijdelijke contract na november niet was verlengd. 124 leerkrachten waren beschikbaar; 23 kleuterleidsters, 15 vakleerkrachten in gymnastiek, handwerken en stenografie en 86 op die lijst waren gewone onderwijzers en onderwijzeressen.
Ruim 4 duizend leerlingen en slechts 86 leerkrachten, dat leverde een gemiddelde op van zo’n 47 kinderen per klas, terwijl de bezetter de leerlingenschaal juist had verlaagd naar maximaal 42 leerlingen per onderwijzer.
Alleen al in de 'joodse wijken' moesten 45 klassen worden gevormd om alle leerplichtige kinderen een plaats te geven en in het Montessorionderwijs ging het om ten minste 9 klassen, terwijl er maar 4 joodse leerkrachten met een Montessori-bevoegdheid op de lijst stonden.
Burgemeester Voûte nam contact op met het Departement om zijn zorgen over deze capaciteits-problemen te uiten. Secretaris-generaal van Dam liet op 9 september weten dat die wettelijke leerlingenschaal niet van toepassing was. Bovendien was er geen bezwaar gehuwde onderwijzeressen aan te stellen, mits ze maar joods waren. 'Al deze voorschriften missen mijns inziens te dezen toepassing' schreef hij.
En zo kon de afdeling onderwijs aan de slag, eerst werden er zestien schoolhoofden bij elkaar gezocht. Een aantal vervulde die functie al voor het ontslag en verder waren er genoeg met een hoofdakte, die voor benoeming in aanmerking kwamen. Vervolgens werden de teams samengesteld, dat ging met grote zorgvuldigheid. Vaak kwamen de leerkrachten gewoon terug op hun oude school en in andere gevallen werd - nogal vooruitziend, rekening gehouden met de afstand tussen huis en school. Eind augustus had er al een oproep voor Joodsche Leerkrachten in 'het Joodsche Weekblad' gestaan:
'Teneinde een overzicht te krijgen van de beschikbare Joodsche leerkrachten voor alle takken van onderwijs te Amsterdam, noodigt de Regeerings-commissaris voor Amsterdam hen, die in aanmerking komen voor een aanstelling op scholen met uitsluitend Joodsche leerlingen, welke zullen worden opgericht, uit, zich terstond schriftelijk aan te melden bij de afdeeling Onderwijs, Stadhuis, met vermelding van hun bevoegdheden.'
Zo kon het bestand van 86, aangevuld worden met leerkrachten die niet tevoren in dienst waren bij de gemeente. Het waren voornamelijk herintredende gehuwde onderwijzeressen, een paar jonge onderwijzers, nét gediplomeerd aan een kweekschool en een drietal afkomstig uit het bijzonder onderwijs. Het bleek minder moeilijk dan gedacht de teams rond te krijgen, er waren zelfs vaste invallers voor ziektevervanging. Natuurlijk waren ze allemaal bevoegd om voor de klas te staan, daar bleef de onderwijs-inspectie nauwgezet op toezien.
Half september was het zover, de afdeling Onderwijs voerde een ware benoemingencarrousel uit, waar zo'n 20% van de Amsterdamse lagere school leerkrachten, joods en niet-joods, in betrokken raakte.
benoemingencarrousel
Mijn vader was juist in augustus overgeplaatst van de Watergraafsmeerschool naar de Christiaan de Wetschool in de Transvaalbuurt, hij kwam in de plaats van meester Bram Wurms, die in november 1940 moest vertrekken. Die school werd half september opgeheven en meester Janszen verhuisde naar de van Riebeeckschool bij het Amstelstation. Daar kwam hij in de plaats van juffrouw Sophia de Jong die daar ontslagen was. Zij werd herbenoemd aan de Joodse Ulo in het gebouw van de Chr. de Wetschool aan de de Wetstraat. Bram Wurms zien we terug in het team van de joodse school nr 6, de voormalige Vrolikschool aan de Sparrenweg, in de Oosterparkbuurt, waar Betsy Sternfeld in november 1940 moest vertrekken. Haar zien we dan weer terug in het team van de joodse school nr 13, in het gebouw van de Daltonschool aan de Jan van Eyckstraat. Die Dalton-school werd niet opgeheven, maar kreeg ontdaan van 82 joodse leerlingen, met haar resterende 85 leerlingen onderdak bij de 1e Montessorischool in de Corellistraat, waar ook zo'n 63 joodse leerlingen niet meer welkom waren. Ook het hoofd van de Vrolikschool, Meijer Krefeld, zien we terug, als hoofd van Joodse school nr 8 aan de President Brandstraat in de Transvaalbuurt, in het gebouw van de President Brandschool, naast school nr 7, waar behalve meester Janszen, ook het hoofd, mevrouw Boots moest vertrekken, zij werd later benoemd aan de Watergraafsmeerschool in Betondorp. Van die President Brandschool gaat meester Tettelaar naar de Molukkenschool, waar hij de plek in neemt van Henriette den Hartogh, zij verhuist dan weer naar de Joodse Ulo, om de hoek in de Christiaan de Wetstraat.
Van de Vrolikschool die opgeheven wordt, gaat juffrouw Wildeman naar de Pieter Nieuwlandschool in Betondorp, zij komt in de plaats van meester Simon Gosselaar, die hoofd wordt van de Joodsche school nummer 5, die gevestigd wordt in het gebouw van de Camperschool, ook aan de Sparrenweg. Ook juffrouw Sipora Abram wordt aan die nieuwe school benoemd, ze komt van de Tjerk Hiddeschool op Wittenburg, haar vacante plaats wordt overgenomen door meester van Tilburg, die ook van de Vrolikschool komt. In de Oosterparkbuurt wordt ook 4e Montessorischool opgeheven, bij het gedwongen vertrek van 180 van haar 280 leerlingen. Montessori-juf Smits en Montessori-meester Eelkema gaan naar de 7e Montessori in de Corantijnstraat in West, en komen daar op de plaatsen van Catherin Hoek en Debora de Wilde. Die worden benoemd in de Joodse Montessori-klassen in de Smitstraat in de Transvaalbuurt. [enzovoort]
In totaal waren het ruim 100 joodse leerkrachten, die allemaal werden geplaatst, in tijdelijk dienstverband. De scholen zouden immers binnen afzienbare tijd over gaan naar de Joodse Raad. De benoemingen gingen in vanaf donderdag 18 of 25 september, op de dag dat de nieuwe scholen startten en liepen, volgens de benoemings-brieven, halverwege maart 1942 af. Ook gehuwde joodse onderwijzeressen, werden tegen de toen heersende opvattingen in, gewoon benoemd.
Op de dag dat die benoemingen ingingen, volgden ook de overplaatsingen van de niet-joodse leerkrachten die op die scholen werkzaam waren. Ruim 75 van hen kon meteen aan de slag op een andere (niet-joodse) school, zo'n 30 leerkrachten kwamen op wachtgeld, in afwachting van een vacante plaats; in sommige gevallen duurde dat wel tot na de volgende zomer, zoals voor mevrouw Boots. Zij moest op 18 september 1941 vertrekken van de Christiaan de Wetschool (omdat die de Joodse school nr 7 werd), pas augustus 1942 werd ze weer benoemd, nu als Hoofd der School aan de Watergraafsmeerschool in Betondorp.

images/docs/PER_SCHOOL_41-43__pdf.pdfscholen en leerkrachten

§ 10. scheiden
We gaan even terug : Seyss-Inquart had dan wel de aanwijzing tot scheiding van de joodse kinderen gegeven, maar dat was een geheim bevel, zoals duidelijk boven zijn brief van 8 augustus stond. De week daarop waren de schoolvakanties afgelopen en vanaf woensdag 13 augustus ging iedereen weer naar school. De joodse kinderen samen met hun niet-joodse klasgenoten, gewoon naar hun eigen school. Van scheiding, afzonderlijke scholen en joodse leerkrachten was nog niets bekend. Maar dat duurde maar kort, want de week daarop ontvingen de ouders van de joodse kinderen een brief van de burgemeester van Amsterdam:
‘Bij deze deel ik U mede, dat de Duitsche Overheid heeft bepaald dat joodsche kinderen met ingang van 1 September a.s. niet (langer) tot openbare en niet-joodsche bijzondere scholen mogen worden toegelaten en moeten worden te zamen gebracht in scholen voor joodsche kinderen bestemd, waar joodsche leerkrachten onderwijs geven.
Voor de toepassing van deze bepaling worden als jood aangemerkt zij, die volgens art.4 van verordening No. 189/1940 van den Rijks-commissaris betreffende het aangeven van ondernemingen (zie hieronder) joden zijn. Voor Amsterdam komt dit hierop neer, dat jood zijn allen, die in het bezit zijn van een bewijs van aanmelding, afgegeven door den Joodsche Raad voor Amsterdam.
Aangezien Uw kind volgens door mij verkregen inlichting jood(jodin) is in den zin van bovenbedoelde bepaling zal het niet (langer) tot de thans door hem(haar) bezochte school (niet tot de school, waarop het zou worden geplaatst) worden toegelaten.
Tenzij gij vóór 22 Augustus a.s. mondeling of schriftelijk aan het Centraal Bureau voor Inschrijvingen van leerlingen (Falckstraat 2) te kennen geeft hierop geen prijs te stellen (en dus op andere wijze in het onderwijs van Uw kind voorziet), zal het ingedeeld worden op een van gemeentewege te vormen school, voor joodsche kinderen bestemd. Het zal daarop zoo spoedig mogelijk worden geplaatst. Nader ontvangt gij een oproeping voor deze school.'
[SAA 5191 - 7430/3217 – Dit bericht werd omstreeks 19 augustus aan de ouders van leerlingen van openbare scholen gezonden en 11 september ook aan die op de bijzondere scholen.]
Niet veel later, op zaterdag 30 augustus staat het ook zwart op wit in de dagbladen, dat:
'het in den vervolge verboden zal zijn, dat leerlingen van Joodsche Bloede en zij, die als zoodanig worden beschouwd van niet-Joodsche personen onderwijs, in welke vorm ook ontvangen, ook wanneer dit onderwijs gegeven wordt in den vorm van club- of privaatles.
Leerkrachten, welke van Joodsche bloede zijn of als zodanig worden beschouwd, mogen slechts onderwijs geven aan Joodsche leerlingen en de daarmee gelijkgestelden.'
De scheiding werd meteen, maandag 1 september van kracht; dat was de gewoonte van de bezetter; om onrust te voorkomen werden de anti-Joodse maatregelen kort voor de invoeringsdatum bekend gemaakt. Maar dat pakte dit keer anders uit, de ouders van de joodse leerlingen waren immers al halverwege augustus ingelicht over deze isolatiemaatregel en de gemeente had op 22 augustus al toestemming gekregen voor uitstel tot 1 october. Leerlingen, leerkrachten en ouders verkeerden zodoende wekenlang in het ongewisse wanneer en waar die ‘van gemeentewege te vormen school, voor joodsche kinderen bestemd’ open zou gaan. In de brief en in het kranten-bericht stond bovendien duidelijk dat het verbod van kracht werd per 1 september en dat maakte de verwarring compleet.
De gemeentelijke afdeling Onderwijs had echter toestemming voor een eigen regie: de scholen met een overwegend joodse populatie bleven voorlopig ongemoeid. Dat waren uiteraard de scholen in de oude Jodenbuurt, maar ook in de Transvaalbuurt was de schoolbevolking voor meer dan driekwart joods. Daar bleven de deuren óók voor de joodse kinderen open staan. Anders lag het in het ‘derde joodse kwartier’ de Rivierenbuurt, hier werden de joodse leerlingen actief geweerd uit hun oude klassen, de schoolhoofden kregen half augustus per brief de opdracht :
'dat joodsche kinderen met ingang van 1 sept as niet langer tot openbare en niet-Joodsche scholen zullen worden toegelaten’ en verderop 'bereids zijn de ouders van de hier bedoelde leerlingen in kennis gesteld dat zij van 1 September as af niet (langer) tot uw school zullen worden toegelaten'
En zo begon de uittocht, maar van een afscheidsfeestje zoals dat meestal voor vertrekkende kinderen werd gegeven, was geen sprake. Ze kregen hooguit een hand, zoals schoolhoofd Kuperus van de 6e Montessori in de Nierstraat vertelt: ‘In groepjes hebben we de kinderen op de hoogte gesteld. Ik herinner me dat we in de gang liepen en dat ik stuk voor stuk afscheid genomen heb’ Die kinderen hadden dus even een paar weken extra vakantie. ‘Ik vond het wel leuk om vrij te zijn, terwijl veel niet-joodse vriendjes en vriendinnetjes wel al naar school moesten. ’ vertelt John Blom, (1930 – leerling van de Michiel de Klerkschool in de Jekerstraat). Maar die éxtra-vakantie, duurde maar kort, want half september had de afdeling onderwijs de klus geklaard; 12 september publiceerde de gemeente het besluit van de burgemeester, het was een voorlopig besluit tot
‘oprichting 24 openbare joodsche inrichtingen van onderwijs : 3 voor voorbereidend onderwijs; 16 voor gewoon lager onderwijs, waaronder 1 voor Montessori-onderwijs; 1 voor voortgezet lager; 1 voor uitgebreid lager; 1 voor buitengewoon lager onderwijs; 2 voor middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs.’
Nauwelijks was de inkt van dit besluit droog of een aantal Amsterdamse schoolhoofden kreeg bericht
‘dat Uw school op 18 september a.s. zal worden verplaatst. Deze verplaatsing houdt verband met de vorming van joodsche scholen in deze Gemeente’ en verderop ‘Ik deel U voorts nog mede, dat Uw school van 18 September af zal worden aangemerkt als een joodsche school. De niet-joodsche leerkrachten blijven zoo noodig in functie, totdat het joodsch personeel voor Uw school zal zijn aangewezen.’
Gelijktijdig kregen de nieuw benoemde joodse schoolhoofden bericht dat ze konden beginnen. Donderdag 18 september wat het zover: de eerste gemeentelijke joodsche scholen openden hun deuren, dat was in de Transvaalbuurt. De ouders hadden in de week daarvoor het plaatsingsbericht voor hun kinderen gekregen en de leerkrachten hun aanstellingsbrief.
De gemeente sprak van een ‘wisseling van de joodsche en niet-joodsche leerlingen’ maar in de praktijk was het zo dat de meeste joodse leerlingen gewoon in hun school, in hun klas bleven en dat de niet-joodse leerlingen van de opgeheven scholen in de Transvaalbuurt, naar de Krugerschool en Oranje Vrijstaatschool verhuisden, die vanaf die datum gevestigd waren in het dubbele schoolgebouw achter de poort in de Laing’s Nekstraat. Het grootste effect van deze wisseling was dat een aantal van de joodse leerkrachten, weer terugkwam op hun oude school, zoals juffrouw Heintje Duizend, zelfs in haar eigen klas, waaruit ze nog geen jaar eerder had moeten vertrekken.
Het ging werkelijk allemaal verbazend snel; tussen de aanwijzing door Seyss-Inquart en de werkelijke start van de scholen zaten nog geen zes weken; ongekend voor een gemeentelijke procedure, maar we moeten niet vergeten dat de eerste voorbereidingen al halverwege april 1941 waren ingezet nadat Beauftragter Böhmcker, daartoe bij regeeringscommissaris Voûte had aangedrongen. [zie § 4]

notitie DE HERSCHIKKING

§ 11. naar school, maar wie ?
De kinderen die samengebracht werden in de nieuwe scholen en niet meer toegelaten waren op hun oude scholen, stonden uiteraard allemaal op leerlingenlijsten die de afdeling Onderwijs aan de schoolhoofden verstrekte. Bij de samenstelling van die lijsten waren de gegevens gebruikt zoals die in het Amsterdamse Bevolkingsregister sinds de registratie in maart 1941, waren opgenomen. Het betrof dus kinderen die ‘in het bezit zijn van een bewijs van aanmelding, afgegeven door den Joodsche Raad te Amsterdam’, zoals dat ook in de brief aan de ouders stond.
De hoofden van de scholen waar de leerlingen moesten vertrekken, hadden echter in juli een ‘nominatieve opgaaf’ gedaan van hun joodse leerlingen, [zie § 5] en ervoeren nog al wat verschillen tussen de twee lijsten. In juli hadden ze uitsluitend de ‘vol-joodse’ leerlingen [drie of vier grootouders] moeten opgegeven, terwijl op de nieuwe lijst van de afdeling Onderwijs ook de namen stonden van de zogenaamde ‘halvies’; kinderen die het met minder Joodsche grootouders moesten doen en vaak helemaal niet als joods door het leven gingen.
Ongeveer 12,5% van de in Nederland wonende joodse bevolking, die volgens de maart-registratie zo’n 160-duizend mensen omvatte, behoorde niet tot de categorie vol-joden. Vergelijking van de aantallen van de beide leerlingenlijsten, die van 29 mei en die van 29 juli levert op dat op basis van de ‘jodenregistratie’ er in Amsterdam, ruim 5-duizend joodse lagere school leerlingen waren; de lijst van 29 mei geeft er zo’n duizend minder; [zie notitie leerlingenaantallen bij § 5] Als dat verschil is veroorzaakt door de ‘niet-vol-joden’, dan was hun aandeel onder de jeugd beduidend hoger dan die 12,5%
[en dat zou dan iets kunnen zeggen over de assimilatie-graad van de Amsterdamse joodse bevolking in de dertiger jaren].
De schoolhoofden waren er dan wel aan gehouden ‘dat joodsche kinderen met ingang van 1 Sept a.s. niet langer tot openbare en niet-Joodsche scholen zullen worden toegelaten’ maar onduidelijk was en bleef, hoe dat dan moest dat ‘niet toelaten’, met name als het kinderen waren die niet op hun eigen lijst van juli voorkwamen maar wel op die van de afdeling Onderwijs.
Gerrit Meents (1930) vertelt in 2006 :
De Christian de Wetschool werd gesloten bij het einde van 1941, toen de Joodse kinderen er niet meer konden komen. De niet-joodse kinderen van deze school waren over geplaatst naar de Oranje Vrijstaat school, in de Smitstraat. Ik ging in Augustus 1941 naar de school voor alleen Joodse kinderen in de President Brandstraat nummer 7 tot en met eind 1942, toen werd de school gesloten. Waarom ik werd toe gelaten weet ik niet. Mijn vader was Joods, mijn moeder niet, zo ik was zogenaamd half Joods volgens de Duitsers. Maar de meeste kinderen moesten daar naar toe, dus wilde ik ook daar naar toe. Ik zat in de derde klas bij een hele lieve onderwijzeres, juffrouw Duizend, ik ben nog met mijn moeder op visite geweest en heb er gegeten in 1942.
In 1942 moest ik toch naar de Oranje Vrijstaat school. Ik kwam toen in de vierde klas. Daar zaten nog 3 anderen zo genaamde half Joodse kinderen, en een Joodse jongen met heel blond haar en blauwe ogen. Hij had een Joodse moeder en een niet-Joodse vader maar was toch half Joods verklaart en hoefde niet een ster te dragen. Maar voor de Joodse wet was hij Joods.
Het ziet er niet naar uit dat de schoolhoofden actief hebben meegewerkt aan het uitsluiten van joodse leerlingen. Dat was zo op de openbare scholen, maar zeker in het bijzonder onderwijs was de medewerking ver te zoeken. En daar zat burgemeester Voûte duidelijk mee in zijn maag, het was is immers zijn taak toe te zien op de naleving van de orders van de 'Duitsche autoriteiten'.
Hij wendde zich tot de confessionele schoolbesturen, en gebood dat:
'Het bestuur van ……………. verklaart bij dezen, dat sedert 1 October j.l. geen leerlingen van joodschen bloede of leerlingen, die als zoodanig worden beschouwd, zijn school (scholen) bezoeken en dat het, zolang de in de Staatscourant van 29 en 30 Augustus 1941, No 168 bekend gemaakte opdracht van kracht is, zulke leerlingen niet zal toelaten'
Dat viel niet in goede aarde bij het bijzonder onderwijs; een storm van schriftelijke protesten komt Voûte tegemoet. Meer dan 90 schoolbesturen weigeren. Ondertussen is het al half oktober - de joodse kinderen zijn al een paar weken in hun nieuwe scholen aan de gang, maar niet de ‘gedoopte joodse kinderen’. De burgemeester legde de kwestie in een uitvoerig schrijven voor aan Secretaris-generaal van Dam en citeerde ruimschoots uit brieven van zowel hervormde en gereformeerde als van rooms katholieke huize. De strekking van de protesten : gedoopte joodse kinderen kunnen niet meer thuis horen in een gewoon joods milieu.
'Wij, genoemd bestuur, zijn van oordeel, dat het oogenblik is aangebroken, waarop van overheidswege in zake het joodsche vraagstuk welks bestaan wij erkennen, onderscheid gemaakt moet worden tusschen joden en gedoopte christenen van joodsche afstamming, en in verband daarmede tusschen joodsche kinderen en gedoopte christenkinderen van joodschen bloede.
In de verordening, waarop het verzoek tot weigering van joodsche kinderen door het bestuur betrekking heeft, geschiedt dat niet'

en verder op:
'Bovendien vragen wij ons af, in welke pijnlijke, immers joodsch-godsdienstige omgeving deze kinderen zouden terecht komen, aangezien de geestelijke distantie tusschen den Christusverwerpenden jood en den Christusbelijder van joodsche afstamming een distantie is van buitengewone afmeting'
Maar in de laatste alinea’s van zijn brief schreef de burgemeester, aan van Dam, dat het eigenlijk niet meer was dan een principe kwestie. Op het merendeel van de scholen waarvan de besturen bezwaar maken, zaten immers helemaal geen (gedoopte) joodse leerlingen. Maar toch, vond hij, moest hij dit probleem aan de Secretaris-generaal voorleggen omdat de gemeente niet in staat was de scholen tot naleven van de order te verplichten.
Ook bij openbare scholen, die wel onder zijn gezag vielen, stond hij machteloos tegen over schoolhoofden, die met de leerplicht wet in de hand, duidelijk maakten geen toegang te kunnen weigeren aan welke leerling dan ook.
Naar aanleiding van Voûte’s schrijven wendde SG van Dam zich tot de bezetter en vervolgens schreef hij Voûte terug :
’Alsdan verdient het aanbeveling de schoolbesturen wel ervan te doordringen dat de verantwoordelijkheid van het niet-verwijderen van Joodsche kinderen van de scholen, naar de Duitsche opvatting, wordt gelegd op de ouders of verzorgers.’
Door de kwestie nu bij de ouders te leggen, omzeilde de bezetter een confrontatie met de kerkelijke gezagsdragers in Nederland, werd de leerplichtwet gerespecteerd en waren meteen alle openbare schoolhoofden ontlast van een handhavingsprobleem. Voor de joodse ouders gold vanaf toen als verbod, dat het niet langer is toegestaan dat Joodsche kinderen onderwijs krijgen tezamen met Arische kinderen, dan wel door niet-joodse onderwijzers en onderwijzeressen.
In de weken daarna kozen de joodse ouders, ook die van de half-joodse leerlingen, veiligheidshalve toch maar voor de plaatsing op een van de joodse scholen; een van die nieuwe van de gemeente of een van de joodse bijzondere scholen in Amsterdam. Terwijl de afdeling Onderwijs bij twijfel, de ouders een verklaring liet ondertekenen, waarin stond dat hij/zij :
‘verklaart bij dezen, dat genoemd kind niet is, noch beschouwd kan worden te zijn van joodschen bloede in den zin van de door den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied gegeven opdracht, inzak het onderwijs aan leerlingen van joodschen bloede, bekend gemaakt door den Secretaris-Generaal van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming in de Staatscourant van 29 en 30 Augustus 1941 No 168.’[SAA 5191:7479/4838]
En dat was dus weer volgens het criterium van tenminste drie joodsche grootouders. Onduidelijk blijft voor mij, wat de ouders van de niet-vol joodse leerlingen hebben besloten; uit het verhaaltje van Gerrit blijkt dat hij naar een van de twee Joodse scholen in de President Brandstraat ging en in de klas kwam bij juffrouw Duizend. Aannemelijk is dat de meeste ‘halvies’ hun schoolloopbaan hebben voortgezet op de school waar ze voor de zomer ook al zaten, of dat nou een gewone openbare was of dat die zo’n nieuwe joodse was geworden. Najaar 1942 werd de scheiding feller; toen de Joodsche Raad de scholen overnam, was daar alleen plaats voor vol joodse kinderen. De ‘kinderen zonder ster’ zoals de Raad ze betitelde, werden sindsdien geweerd uit het joodse onderwijs, zoals Gerrit vertelt. Maar nu loop ik nogal vooruit op mijn verhaal.


notitie REGISTRATIE

§ 12 de Joodsche school

image.jpeg

click op foto
Dit is de vijfde klas van de Christiaan de Wetschool, in de President Brandstraat, waar mijn vader voor de klas stond, tot begin october 1941; [zie art I, een kleine heldendaad] vanaf 18 september was het de Joodsche school nummer 7. Als je goed kijkt [click op foto] zie je dat er zo’n vijf, zes kinderen van de 44, niet joods is; die moesten dus allemaal weg, net als mijn vader. Die kinderen werden geplaatst op een andere school in de Transvaalbuurt, en daarvoor in de plaats kwamen er evenveel (of zelfs nog meer) nieuwe kinderen bij, joodse kinderen van andere scholen, zoals Rudi Voet en Liesje Mouw, van de Watergraafsmeerschool in Betondorp; elke dag liepen ze de hele Middenweg af om op die joodse school te komen.
Zo ging het op al die scholen, die vier in de Jodenbuurt en de Plantage en die drie in de Transvaalbuurt, ze werden allemaal verjoodst, met aanwas van kinderen van elders.
Anders was het in Zuid, waar leerlingen van nogal wat scholen, zelfs van uit de Pijp, werden samengebracht op drie nieuwe joodse scholen die in de Rivierenbuurt werden gesticht. Ook daar moesten nogal wat leerlingen dus een flinke tippel maken om naar school en weer thuis te komen.
John Blom (1930) : ‘De niet-joodse kinderen waren na de zomer al weer een tijdje aan hun schooljaar begonnen, voordat ook ik weer naar school mocht. Ik vond het wel leuk om vrij te zijn, terwijl veel niet-joodse vriendjes en vriendinnetjes wel al naar school moesten. Maar ook wel heel gek, want diezelfde vriendjes en vriendinnetjes kwamen steeds verder van mij af te staan. We raakten gescheiden van elkaar. In de loop van september werd ik met vele andere joodse kinderen geplaatst op de nieuwe joodse school in de Jekerstraat.’
Bij de Montessorischolen ging het ook zo, de ‘leveranciers’ van die joodse Montessori-kinderen waren immers de acht Montessorischolen die verspreid lagen over de stad.
De nieuwe joodse vestiging op het Willinkplein [Victorieplein] trok kinderen die zelfs helemaal in West woonden, afkomstig van de 2e Montessori in de Hasebroekstraat; en de 3e aan het Hygiëaplein.
Bertie van Gelder (1933) ‘In september 1941 gingen mijn oudere zus en ik naar de Joodse Montessorischool op het Daniël Willinkplein. Ik zat bij meester Abraham Mok in de 3e klas. Mijn zus zat twee klassen hoger. Het was een hele tippel, helemaal vanaf de Amstelveenseweg waar wij woonden, naar het Willinkplein bij de Wolkenkrabber, wel een stief uurtje heen en terug. Eerst hadden we nog een autoped met luchtbanden, die we van niet-joodse kinderen hadden gekregen; we gebruikten die om de beurt, maar al gauw mocht dat ook al niet meer van de bezetter.’
Ook in West werd een joodse school geopend, in de Cliffordstraat. Uit alle wijken in dat deel van de stad, waar bijna geen joden woonden, kwamen bij elkaar slechts 56 kinderen. Ik denk dat er nog al wat thuis werden gehouden, zoals Anna van der Kar, die met haar ouders aan de Aalsmeerweg woonde, voorbij het Hoofddorpplein. Ze was net zes geworden in october, maar om haar helemaal naar de Cliffordstraat te laten gaan, dat hebben haar ouders waarschijnlijk geen moment overwogen.
En in Noord kwamen kinderen zelfs uit Tuindorp Oostzaan naar de nieuwe joodse school nr 15, die toen aan de Floraweg gevestigd werd, zoals Carla en Hendrika Gobitz. Ze moesten vanuit het tuindorp om het Zijkanaal heen, helemaal de lange dijk af. In het begin lukte het ze nog om naar school te komen. Ze hadden van het onderwijsbureau een buskaart gekregen, een ‘ochtendkaart’ en een ‘middagkaart’. Tussen de middag bleven ze dan op school, dat was toen heel ongebruikelijk. Later had juf de Haas de pauzetijd zelfs aangepast, zodat ze nog voor het donker thuis konden zijn.
Maar uiteindelijk toen joden niet meer met tram en bus mochten en ook geen fietsen meer mochten bezitten werd dat door de afstand van wel een uurtje lopen zo goed als onmogelijk.
Voor al die kinderen zal het een vreemde gewaarwording zijn geweest. Van de ene dag op de andere werden ze apart gezet; gescheiden van hun vriendinnetje en vriendjes die even plotseling ‘niet-joods’ werden, als zij zelf ‘joods’. Nu zaten ze met alléén joodse kinderen en met een joodse meester of juf; de naam van de school verdween van de voordeur en ze waren bovendien op zaterdag vrij, vanwege de sabbat die ze thuis allang niet meer heiligden.
En zo werden ouders en kinderen door de bezetter terug gedrongen in een identiteit die voor veel van hen niet wezenlijk speelde, zeker niet in Zuid. Er was daar dan wel in 1937 een nieuwe synagoge gebouwd in de Lekstraat, maar anders dan in de joodse buurten ten oosten van de Amstel werd het joodszijn in hier nauwelijks actief beleefd; men was ook niet zionistisch maar Amsterdammer onder de Amsterdammers en de kinderen deden op school gewoon mee met het Sinterklaasfeest en de Kerstviering, naast de viering thuis, van Rosj Hasjana, het joodse nieuwjaar en Chanoekah.
Alleen op de vier joodse bijzondere scholen lag dat anders, maar de meeste joodse Amsterdammers (zo’n 80%) hadden duidelijk voor het openbare, lees niet-religieus georiënteerde onderwijs gekozen voor hun kinderen.

Naast de nieuwe ‘openbare’ joodse lagere scholen, waren er in Amsterdam al jaren, een viertal confessionele joodse lagere scholen. Daar speelde de verjoodsing dus geen rol, en ook in de schoolpopulatie wijzigde niet veel, behalve dan dat er sprake was van een opmerkelijke stijging, van ruim 160 leerlingen op een totaal van 1.000 het jaar daarvoor. Toen alle scholen onder de Joodsche Raad kwamen te vallen –in het volgende schooljaar, werden er afspraken gemaakt dat de scholen niet onder elkaars duiven mochten schieten, maar dat gezag had de gemeentelijke afdeling Onderwijs in 1941 niet over het bijzonder onderwijs, Wellicht vond men het op het stadhuis ook niet zo’n punt; die openbare joodse scholen waren immers de eerste maanden overvol.
En dan was er ook nog een bijzondere school op neutrale grondslag; de Wilhemina Catherina school van de Theosofische Schoolvereniging voor Opvoeding en Onderwijs aan de Weteringschans, waar nogal wat joodse kinderen op zaten. Ook over die school had de gemeente geen gezag, maar uiteraard gold het bevel van de bezetter ook daar; van de plm 175 leerlingen moesten er meer dan de helft vertrekken vanwege hun joodszijn.
Het schoolbestuur koos een eigen weg: de kinderen werden niet weggestuurd, maar de school werd ook niet verjoodst; men opende een joodsche afdeling, met een eigen voordeur aan de achterkant van het schoolgebouw.
[zie voor een overzicht per school en buurt, artikel 3, dat als bijlage van dit artikel dient]
Naast dit gewone lager onderwijs, in al zijn facetten, kende men in die tijd ook nog de woensdagmiddag-schooltjes, waar de joodse kennis van het kind werd versterkt, zoals de godsdienstschool van de Ned. Isr. Gemeente aan het Hygiëaplein, in een circulaire in augustus 1941 schreef :
‘Door jonge leerkrachten, met frisse, moderne methoden, wordt er naar gestreefd deze basis in enkele uren per week zoo breed mogelijk te doen zijn. De leerstof wordt daarom zoveel omvattend mogelijk gemaakt. Ze behelst o.m. de geheel geschiedenis van het Joodsche volk, bespreking van de meest bekende Joodsche tradities en gebruiken, van de betekenis van de bijzondere dagen in het Joodsche jaar, inzicht in de Hebreeuwse taal, behandeling van de belangrijkste, met zorg uitgekozen stukken uit de Bijbel, de liturgie, enz. [....] Het is, zeker thans, geheel onnodig er op te wijzen, welk een groot belang Joodsche kennis voor onze jeugd heeft.’

Voor iedereen is het ‘even’ wennen aan de nieuwe situatie, niet meer samen naar school, een andere juf of meester die zomaar zonder werkelijke aanleiding gedwongen wordt op de nieuwe situatie in te spelen
Het moet natuurlijk vreemd zijn geweest maar ook een uitdaging om als onderwijzer voor de klas te staan met alléén maar joodse kinderen. Elke dag bij het lezen van de absentielijst realiseer je je dat het misschien wel de laatste keer is, voor dit kind of dat andere; dat het morgen weggehaald kan zijn, of overmorgen, volgende week, en toch ga je door met lesgeven, je maakt het natuurlijk gezellig in de klas, maar ook geef je overhoringen, geef je cijfers en zelfs strafwerk alsof er nog een wereld te gaan is. Je doet je best samenhang te brengen in die vreemde bij elkaar geraapte kindergroep, waar naar het lijkt de enige overeenkomst het joodszijn is.
De eerste maanden is er niets aan de hand, lijkt het wel, maar dan wordt het voorjaar; van buiten Amsterdam komen nieuwe leerlingen op de scholen, kinderen die samen met hun ouders naar Amsterdam moesten verhuizen. En hoewel er ondertussen al kinderen verdwenen zijn, raken de klassen nog voller dan ze al waren. Het wordt allemaal een stuk moeilijker als ze niet meer met tram of bus mogen en zelfs het bezit van een fiets of een autoped verboden wordt. De sfeer wordt minder vriendelijk, het joodse leven buiten de schooldeur wordt dag op dag grimmiger, met verboden voor parken, speeltuinen, bioscopen, zwembaden en zelfs winkels.
De bezetter gaat ondertussen stug door de scholen te 'verjoodsen'; er komt een joodse schoolarts en schoolzuster; in april 1942 worden dr. I.K. Kantoriwicz en zuster Cohen aangesteld en zelfs de schoolschoonmaaksters moeten van joodschen bloede zijn.
John Blom (1930) In die beroerde tijd was de school voor ons, kinderen, een plek waar wij ons nog veilig voelden. Een plaats waar we ons konden ontspannen en waar we nog in harmonie met elkaar, konden omgaan; ook met de volwassenen. Er ontstond een vriendschappelijke verhouding met onze meester, meester Izaak Pinto, terwijl hij toch het gezag bleef houden over ons. Het opdoen van kennis raakte op de achtergrond en ik herinner me dat we intensief bezig zijn geweest met het instuderen van een revue. We leefden op school op een eilandje van wederzijdse vriendschap en liefde voor elkaar. Op school hadden we vrijaf van de oorlog. Maar ook weer niet helemaal, want het wegvallen van een vriendje of vriendinnetje was voor ons erg verdrietig, maar dat werd herkend en erkend. Heel dramatisch voor ons allen was het als een kind van school door zijn ouders opgehaald werd, om dan samen afgevoerd te worden naar de schouwburg of verder’.

image.jpeg

click op foto

Ondertussen is het mei 1942, de ster is ingevoerd maar nog bijna iedereen is op school aanwezig, de traditionele klassenfoto's worden gemaakt - met de Davidsster op de kleding (later weten we nauwkeurig te duiden wanneer de teruggevonden klassenfoto is gemaakt: voor 2 mei 1942 of later).
En dan dringt de buitenwereld keihard door in het klaslokaal. Eind juni maakt de Zentralstelle fur Judische Auswanderung bekend dat binnenkort begonnen wordt met tewerkstelling van Joodsche mannen en vrouwen uit Nederland in werkkampen in Duitsland. Deelname is niet langer vrijwillig, en bij het niet verschijnen op een oproeping zal worden overgegaan tot Erfassung.
Enkele weken later zijn er de eerste transporten, meteen al vallen er gaten in de onderwijsteams. Meester Bannet, hoofd van de school in de van Eyckstraat wordt afgevoerd en juffrouw Heintje Duizend, van school 7 en Maurits Buijs van school 6 en juf Keetje Frankfort van school 11. Ook verdwijnen er al kinderen uit de klassen; er wordt gefluisterd over onderduiken. Langzaam aan wordt het zorgelijk en bedreigend en onherroepelijk.
De Onderwijscommissie van de Joodsche Raad noteert in het vergaderverslag van 31 juli 1942:

‘Als gevolg van de uitzending zijn er uiteraard ook tal van problemen gerezen ten aanzien van het onderwijs. Veel kinderen zullen na de vacantie niet meer op school terugkomen, zoodat er overcompleet personeel zal komen.’
en op 21 augustus
‘Eenige cijfers worden vermeld van aantallen leerlingen, die na de vacantie (zomer 1942) niet meer op school zijn teruggekeerd. De percentages loopen van 7% tot 20% (per school). De indruk is wel, dat voornamelijk de minder goed gesitueerde groep naar Duitsland is vertrokken.’
Het enige wat de Onderwijscommissie toen kon doen, is het aanstellen van ‘onderzoekende onderwijzers’ om het contact tussen thuis en school te onderhouden, het komt immers maar al te vaak voor dat de ouders worden opgepakt terwijl de kinderen op school zitten.
John Blom (1930) : Echt heel ernstig en zeer bedreigend werd het vanaf juni 1942 toen de Zwarte Politie begon met het ophalen. De sfeer op straat werd beangstigend en de sfeer thuis erg bedrukt. Je leefde met de vraag: wanneer komen ze bij ons aanbellen ? Vanuit die sfeer kwamen we vaak s' ochtends in de klas bij elkaar. Geleidelijk aan werd de klas kleiner ; vriendjes en vriendinnetjes verdwenen van de ene dag op de andere: eerst Sara, daarna Loekie, vervolgens Hans, dan Greetje en Bora, en vele anderen. En dit overkwam uiteraard alle klassen. Begin 1943 werden de klassen zo klein dat vier, vijf en zes werden samengevoegd. Het proces van uitdunnen ging onverminderd door, totdat ik zelf in juni 1943 aan de beurt was, maar toen was er van de hele school nog maar bar weinig over.

§ 13 het onderwijsbureau
Het hele eerste schooljaar stonden de nieuwe joodse scholen in Amsterdam, onder het beheer van de gemeentelijke afdeling Onderwijs, met wethouder Smit en zijn afdelingsdirecteur Hendriks. Alhoewel de bezetter en Secretaris-generaal van Dam dan wel van ‘ongesubsidieerd bijzonder onderwijs’ spraken, waren het dus gewoon openbare scholen. Het was echter wel de bedoeling óók het onderwijs aan joodse kinderen volledig buiten de Nederlandse maatschappij te plaatsen en de scholen onder het beheer te stellen van een ‘jüdischen Rat’. Maar dat had nog heel wat voeten in de aarde; wel was er meteen van af het begin bemoeienis van uit de Joodse gemeenschap, voorlopig uitsluitend voor advies, zoals het in het Joodsche Weekblad, editie 5 september 1941, stond :
De Joodsche Raad en de Coördinatie-Commissie deelen mede, dat, met het oog op het verbod voor Joodsche kinderen om na 1 September niet-Joodsche scholen te bezoeken, door beide lichamen is ingesteld een Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs, die voorloopig gevestigd zal zijn Amstel 25, Amsterdam. Deze Commissie is bereid van raad en advies te dienen in alle zaken, het onderwijs aan Joodsche kinderen betreffend.
Maar we gaan weer even terug :
Vrij snel nadat in november 1940 de eerste anti-joodse waren uitgevaardigd, werd de Joodsche Coördinatie Commissie (JCC) opgericht door het Nederlandsch-Israëlitisch kerkgenootschap en het Portugeesch-Israëlitische Kerkgenootschap samen met de Nederlandse Zionistenbond. Het was een informeel orgaan voor onderling overleg, weliswaar gevestigd in den Haag, maar men meed het directe contact met de bezetter; het was meer gericht op bijstand aan de joodse gemeenschap, dan op invloed bij het Duitse gezag.
[voorzitter van deze commissie was de gezaghebbende, voormalige president van de Hoge Raad, mr Lodewijk Ernst Visser : 1872-1942; een van de lelijkste pleinen in Amsterdam is naar hem vernoemd, dat kan beter]
Een paar maanden later (12/13 februari 1941) werd op last van de bezetter, de Joodsche Raad voor Amsterdam ingesteld, als centraal platform voor alle joodse zaken, maar vooral als doorgeefluik naar de joods bevolking van Amsterdam.
Reichskommissar Seyss-Inquart had waarschijnlijk het voornemen, verspreid over Nederland meerdere joodse raden in te stellen, en zelfs een afzonderlijke ‘judenrat’ voor het joodse onderwijs. Het was joden inmiddels verboden elke vorm van vereniging of stichting overeind te houden; ik denk dat de bezetter daarop en daarom het begrip ‘Raad’ introduceerden. [zie oa NIOD 182-269/0037]
Al snel vormde die Coördinatie Commissie een Adviescommissie voor het Onderwijs; de joodse leerkrachten waren in november 1940 uit het onderwijs gestoten en het leek aannemelijk dat de joodse leerlingen hetzelfde lot zouden treffen. Deze onderwijscommissie kwam al snel met een rapport, als een blauwdruk voor eventueel zelfstandig joods onderwijs, maar daarna werd het stil; men wachtte de komende maatregelen af.
Het werd juli 1941; de schoolhoofden hadden opdracht gekregen de joodse leerlingen aan te geven en de voorzitter van de Joodsche Raad was door de Beauftragter voor Amsterdam ingelicht dat de joodse kinderen na de vakantie geweerd zouden gaan worden uit het openbare onderwijs. De joodse gemeenschap stond al snel bol van het gerucht dat de kinderen van de scholen verwijderd zullen gaan wordenen de ouders vreesden dat hun kinderen na de vakantie van onderwijs verstoken zouden blijven. En zo ontstond er een toeloop op de vier bijzondere joodse scholen in Amsterdam en dreigden er bovendien allerlei particuliere schooltjes te ontstaan. De Joodsche Raad raakte daarop doordrongen van de ernst van de situatie voor al die ouders en hun kinderen en trok die onderwijscommissie van de Joodse Coördinatie Commissie naar zich toe. Meteen na de vakantie, de scholen waren, nog wel met de joodse leerlingen gewoon in hun oude klassen begonnen, plaatste de Raad een mededeling in het Joodsche Weekblad van 22 augustus, dat
Zij, die inlichtingen wenschen betreffende plannen voor de oprichting van scholen voor Joodsche kinderen te Amsterdam (voor lager, middelbaar, voorbereidend hooger en ander onderwijs) , kunnen zich vervoegen bij het bureau van den Joodschen Raad voor Amsterdam, Amstel 25. Voor plaatsen buiten Amsterdam wende men zich tot bovengenoemd bureau of tot het bureau van de Coördinatie-Commissie, Bezuidenhout 215,'s-Gravenhage, etc
Ondertussen had de bezetter goedkeuring verleend die Haagse Onderwijsadvies Commissie om te vormen tot de Centrale Commissie voor het Joodse Onderwijs (CCJO). David Cohen, een van de twee voorzitters van de Joodsche Raad, werd voorzitter van die commissie; hij benoemde er ‘vakmensen’ in zoals I. van der Velde (vrm. onderwijsinspecteur in Groningen), W.S. Elte (vrm. leraar hbs Zaandam), J. Hartog (vrm. hoofd van een Amsterdamse lagere school) en A. Bartels (vrm. leraar Haags lyceum). Daarmee nam hij duidelijk afstand van die Haagse commissie, waarin het rabbinaat van beide kerkgenootschappen de boventoon voerde.
Alhoewel die Centrale Onderwijscommissie functioneerde als een afdeling van de Joodsche Raad voor Amsterdam, kreeg het vanuit de bezetter en het Departement van Opvoeding wel een landelijke (‘centrale’) taak. De bezetter had dan wel gesteld : ‘Es ist beabsichtigt, die Unterhaltung und die Aufsicht der Juden-schulen einem zu gründenden jüdischen Rat zu überlassen’ maar dat ging niet zo snel; voorlopig waren het de lokale overheden die het onderwijs aan de joodse kinderen moesten gaan verzorgen. Voor de Centrale Commissie zat er niet meer in dan inventariseren en adviseren.
Het is niet aannemelijk dat de Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs in de Amsterdamse situatie veel heeft betekend; de Afdeling Onderwijs van de gemeente was immers snel en adequaat in staat het onderwijs voor joodse kinderen in alle geledingen te organiseren. Het werk van de Commissie strekte zich vooral uit in het land, waar in minstens dertig plaatsen joods onderwijs door de gemeenten moest worden georganiseerd.
Daar zaten de problemen, enerzijds was er het gebrek aan joodse leerkrachten; als ze er al waren woonden ze vaak niet in de stad waar een school moest worden gesticht. Het andere probleem betrof de vaak zeer kleine aantallen kinderen, waar geen school voor mogelijk was, ook al had het Departement de stichtingnorm naar beneden de 50 bijgesteld. Wat moest er gebeuren met vijf kinderen op Texel of veertien in Alkmaar of één leerplichtig joods jongentje in Terneuzen.
Een complicatie was dat die Haagse Coördinatie Commissie overal in het land vertegenwoordigers had, die aan de lokale sjoels verbonden waren. Veelal bemoeiden zij zich ter plekke met het opzetten van die nieuwe joodse scholen, waardoor de lokale gemeente-besturen aarzelden deze onder hun verantwoordelijk-heid te nemen.
Ook bij het vinden van geschikte leerkrachten liep het in het begin allemaal via die lokale vertegenwoordigers naar de Coördinatie Commissie in de Haag. Die maakte dan contact (schriftelijk, want zo ging dat toen) met de Centrale Onderwijscommissie van de Joodsche Raad en die maakten dan weer contact met het Onderwijs-departement en ook met de betreffende gemeente.
In de maanden dat de verschillende instellingen naast elkaar bestonden en vervolgens probeerde de zaken te regelen, was er zodoende meer verwarring dan vruchtbare samenwerking.
Secretaris-generaal van Dam van het Departement van Opvoeding probeerde het met een taakverdeling voor de joodse onderwijszaken; hij bepaalde dat de Joodsche Raad zich met de Amsterdamse situatie zou bezig houden en dat alles elders in het land dan een zaak van de Haagse Commissie zou zijn. Maar ook zijn eigen departement hield zich niet aan deze taakscheiding en verwees de ene keer naar het Haagse adres en de andere keer naar Amsterdam.
Ook die Centrale Onderwijs Commissie zelf, probeerde tot een werkverdeling te komen, maar eigende zich vervolgens ‘alle getroffen leerlingen ’ toe ‘zonder onderscheid van leeftijd, soort van onderwijs, woonplaats’. De secretaris van de Onderwijs Commissie, Herman Aa eindigde zijn brief van 8 october 1941 met ‘Het zal uitermate moeilijk, zo niet onmogelijk zijn, scheidingslijnen te trekken, onderscheid te maken tussen groepen kinderen, wier lot de Commissie zich wel, en andere groepen kinderen, wier lot de Commissie zich niet aantrekt’
Dat alles speelde zich af in de weken tot eind oktober, toen de Coördinatie Commissie werd opgeheven; in die tien weken waren vele tientallen brieven tussen den Haag en Amsterdam, heen en weer gezonden.
Begrijpelijkerwijs namen de werkzaamheden van de Onderwijscommissie dus zodanig toe dat er in overleg met SG van Dam, een bureau werd opgezet. Het werd gevestigd in de Amsterdamse Tulpstraat, op nr 17 en Isaac vd Velde nam de leiding op zich; hij schreef over de werkzaamheden van de commissie:
Zij bezit n.l. geen enkele dirigerende bevoegdheid, zij kan in geen enkel opzicht, noch wat de stichting van scholen, noch wat benoeming van personeel, noch wat de aanschaffing van leermiddelen, enz. betreft, enig zelfstandig en beslissend besluit nemen. Zij bemiddelt o.m. inzake benoemingen tussen de Burgerlijke autoriteiten t.w. het Departement van Opvoeding en de Gemeentebesturen en de autoriteiten der Joodsche gemeenschap, t.w. de provinciale en plaatselijke vertegenwoordigers van den Joodse Raad. Daarnaast adviseert zij naar beide zijden, met dit verschil dat zij eerst dan aan de Burgerlijke autoriteiten kan adviseren als haar advies gevraagd is, terwijl tegenover de vertegenwoordigers der joodse gemeenschap meer aan haar eigen initiatief is overgelaten. Middelaarster, Adviesbureau, informatiebureau, ziedaar in eerste instantie de positie en taak van de C.C.J.O. [NIOD 182-282/0031 - 18 dec 1941]

Eind oktober 1941 beval de bezetter de opheffing van de Joodsche Coördinatie Commissie en bepaalde dat de Joodsche Raad voor Amsterdam van nu af aan, ook landelijk moest opereren. Door het wegvallen van die Haagse Commissie was de noodzaak voor een ‘Centrale’ commissie voor het onderwijs verdwenen; voorlopig was het gewoon de Afdeling Onderwijs van de Joodsche Raad. Maar Isaac van der Velde, het hoofd van het bureau had daar moeite mee. Slagvaardigheid is gewenst in het licht van de ophanden zijnde overdracht van de scholen, betoogde hij, en dat lukt niet als het onderwijs slechts een afdeling is en alle besluiten via het bestuur van de Joodsche Raad moeten lopen.
Zo ging de volgende fase in, onder de titel ‘Bestuur voor de Joodse Scholen in Nederland’ kwam er in het voorjaar van 1942 een onderraad van de Joodsche Raad, die vrij zelfstandig kon handelen en beslissen in alle onderwijszaken, voor het gehele land. Er kwam een eigen schoolbestuur met vijf leden; uiteraard werd professor Cohen, voorzitter van de Joodsche Raad ook voorzitter van deze onderraad, de andere leden waren opperrabbijn Dasberg, Ies Jacobson, Ed. Spier en Isaac Van der Velde. Er werd zelfs een statuut voor het joodse onderwijs ontworpen, maar net als het statuut voor de Joodsche Raad is dat nooit bekrachtigd geworden door de bezetter, die had daar geen belang bij (pas bij de razzia’s in mei 1943 begreep voorzitter Cohen het waarom).
Na de zomervakantie van 1942 werd het duidelijk dat de overdracht van de joodse scholen aan de Joodsche Raad op handen was. Eerst werden er nog wat ‘achterhoedegevechten’ gevoerd over de financiering [zie § 14 en 20] tussen SG van Dam en zijn collega op Financiën Rost van Tonningen, maar dat het ging gebeuren stond inmiddels vast. Isaac van der Velde had daar op vooruitlopend, het Onderwijsbureau aan de Tulpstraat stevig opgetuigd, want het besturen van zoveel scholen kon je nu eenmaal niet doen zonder een volwassen organisatie.
Alhoewel van der Velde onderwijsinspecteur in Groningen was geweest en er nog wel wat bureaumedewerkers regelrecht uit het onderwijs kwamen, was er nauwelijks ervaring met de materie van gezag, beheer en personeelszaken. Het wiel werd duidelijk opnieuw uitgevonden en een karrenvracht aan reglementen en instructies rolde uit de stencilmachines. De bureau bezetting vanaf augustus 1942 was daar dan ook naar : een chef (directeur van de afd. onderwijs); een 1ste secretaris; twee onderwijsafdelingschefs (een voor het Middelbaar- en een voor het Lager Onderwijs); zeven administratieve krachten; vier typisten; een archiefbeambte; een jongste bediende; een conciërge, bij elkaar dus een bezetting van achttien personen. Ze waren duidelijk klaar voor al die nieuwe joodse scholen in heel Nederland, van kleuterschool en lagere school tot en met de lycea. Maar het duurde toen nog tot het eind van 1942 voordat de overdracht werkelijkheid werd.

§ 14 de overdracht
Half november 1942 was het zover, de joodse scholen werden op bevel van de bezetter, door de gemeente overgedragen. Gebouwen, materialen, leerlingen en leerkrachten, alles ging over naar de Joodsche Raad en de leerkrachten kregen per gestencilde circulaire medegedeeld :
‘Krachtens mededeeling van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken zullen de gemeentebesturen met de in het vorig jaar van gemeentewege opgerichte Joodsche scholen geen bemoeiingen meer mogen hebben.
Als gevolg hiervan zullen deze scholen overgedragen worden aan den Joodschen Raad, die het volledig beheer over de scholen zal voeren. De overdracht zal plaats vinden op 16 November a.s. Aangezien van Uw diensten bij de Gemeente, ingaande 16 November a.s. geen gebruik meer zal behoeven te worden gemaakt, is het tijdelijk dienstverband bij de Gemeente op dien dag beeindigd. Gij zult dan, voorzover de Joodsche Raad van Uw diensten gebruik meent te kunnen maken, overgaan in dienst van deze Raad.’
[NIOD 182/153-0104,11 nov 1942]
Zo’n drie maanden eerder waren juist opnieuw, de tijdelijke arbeidscontracten van die paar honderd joodse onderwijzers en onderwijzeressen met zes maanden verlengd. Maar er zat blijkbaar nog al wat spanning tussen het voornemen van de Reichskommissar en de werkelijke overdracht, waardoor die niet gelijk bij het begin van het schooljaar had kunnen plaatsvinden. Ook bij de invoering van de leerlingenscheiding een jaar eerder, was dat al niet gelukt.
In de eerste helft van 1941 regende het isolatie-maatregelen, van bioscoopverbod en parkverbod tot en met het winkelverbod en de afzonderlijke markten. Maar al die maatregelen waren qua uitvoering van een geheel andere orde dan het uit het Amsterdamse onderwijs verwijderen van zo’n achtduizend joodse kinderen. Alhoewel de gemeentelijke afdeling Onderwijs al sinds half april de opdracht had voorbereidingen te treffen, was het niet gelukt de nieuwe joodse scholen gelijk bij het begin van het schooljaar, half augustus 1941 te openen. Er was duidelijk wat anders aan de hand, zoals in de notulen van de vergadering van 19 augustus 1941 van de Joodsche Raad te lezen valt:
Op 14 Augustus [1941] kwam Prof. Cohen, op verzoek, bij de Wethouder van Onderwijs. Toen werd de circulaire voorgelezen, uitgaande van den Hr. Wimmer. Er was besloten de Joodsche kinderen van de algemeen scholen te nemen, zodra het Jodenstatuut er zou zij, maar nu dit uitbleef was voor Amsterdam, Rotterdam en den Haag voor alle openbare en particuliere scholen de datum op 1 September gesteld. [NIOD 182/003-0011]
Blijkbaar was er op ambtelijk niveau gewerkt aan een alles omvattende verordening ter uitsluiting van de joodse bevolking, maar het was niet gelukt zo’n sluitend ‘statuut’ op te stellen. En toen was er plotseling haast; de verwijdering van de joodse leerlingen duldde geen langer uitstel; door het ontbreken van dat statuut bleven er echter verschillende problemen op het bord van de bezetter liggen.
Allereerst was er een probleem met de status van de nieuwe Joodsche scholen; aanvankelijk leek het gewoon openbaar onderwijs te zijn, maar nog voor dat de nieuwe scholen hun deuren openden, schoof de bezetter op en werd de titel ‘ongesubsidieerde bijzondere scholen’ - later werd dat ‘gesubsidieerde bijzondere scholen’ en nog later ‘gesubsidieerde scholen’ en zelfs ‘inrichtingen voor onderwijs aan joodse kinderen’.
Secretaris-generaal van Dam wist er niet goed raad mee, gelet op de boodschap in de eerste circulaire, van eind october ’41 waarmee hij een aantal gemeenten uitnodigde tot het stichten van joodse scholen over te gaan:
'Wat het karakter der Joodsche scholen betreft, diene het volgende: De door mij ontworpen regeling gaat aanvankelijk uit van het standpunt, dat deze scholen uiteindelijk onder het bestuur zullen staan en onderhouden zullen worden door den in te stellen Joodsche Raad en als zoodanig dus zullen moeten worden beschouwd als ongesubsidieerde inrichtingen van bijzonder onderwijs. Het komt mij voor, dat ook al zal aanvankelijk de financiering uit de openbare kassen plaats hebben, reeds thans dit karakter aan de Joodsche scholen moet worden toegekend’
[NIOD 182/270-0068 e.v circulaire 28 oct 1941]
Die ‘ontworpen regeling’ was in strijd met de Nederlandse Grondwet, de Onderwijswet en de Leerplichtwet. In die wetten werd immers bepaald dat elk kind (binnen de leerplichtige leeftijd) recht had op onderwijs en dat dat kosteloos moest zijn en dat de Staat der Nederlanden het onderwijs bekostigde, óók het niet-openbare onderwijs.
Zowel de Joodsche Coördinatie Commissie als de Joodsche Raad protesteerden bij van Dam, maar vooral burgemeester Haspels van Enkhuizen was met een brief van 3 kantjes het felst in het oordeel dat het Departement van Opvoeding zich niet aan zijn eigen wet op het lager onderwijs hield.
De Secretaris-generaal haastte zich daarop te verklaren dat de maatregelen zoals uitgevaardigd, inderdaad in strijd waren met de bestaande wetsbepalingen, maar dat hij er niet aan twijfelde dat het Duitsche gezag bevoegdheid bezat om aanwijzingen te geven, zoals met de maatregelen was gedaan. Verder schreef hij de burgemeester, dat de Duitsche autoriteiten de bedoeling hadden aan de maatregelen die wettelijke grondslag te verlenen – en dat hij daar met klem op had aangedrongen. Maar zoiets zou erg veel voorbereiding hebben vereist, en daarom was er van af gezien, zo besloot hij zijn schrijven.
[HNA 21437/0038 : 29 aug en 6 sept '41]
Die onderwijswet regelde de toegankelijkheid tot het onderwijs; elk kind had recht op onderwijs, op een school naar eigen keuze van de ouders. Ook hier lag dus een probleem, de schoolhoofden konden met de wet in de hand, onmogelijk kinderen weren, of ze nou joods waren of niet. De bezetter bepaalde daarop - in oktober 1941, dat niet de scholen de kinderen moesten weren, maar dat de ouders strafbaar waren indien ze hun joodse kind naar een niet-joodse school stuurden.
Het overkoepelende probleem was en bleef echter de bekostiging; gesubsidieerd of niet gesubsidieerd. Alhoewel Seyss-Inquart in zijn aanwijzing van 8 augustus 1941 het niet duidelijk had gesteld, was het wel zijn bedoeling de Joodse gemeenschap uiteindelijk het onderwijs aan de joodse kinderen zelf te laten betalen, net zo als ze zelfs voor de kosten van de ‘Endlosung’ zouden moesten opdraaien.
Het uitblijven van een Jodenstatuut, de onduidelijkheid van de status van de nieuwe scholen en het school-verbod wijzen in de richting van een de strijd achter de schermen en wel zodanig dat de overdracht ook bij aanvang van het tweede schooljaar werd vertraagd.
Bij het joodse onderwijs waren drie Haagse departementen betrokken, uiteraard het departement van Opvoeding met SG van Dam en natuurlijk ook het departement van Financiën waar de NSB-er Rost van Tonningen de scepter zwaaide. Maar ook bemoeide SG mr. Karel Frederiks zich ermee, omdat zijn departement van Binnenlandse Zaken de Judenangelegenheiten bestierde.
Aannemelijk is dan van Dam, met de onderwijswet in de hand van mening was dat de joodse scholen, net als het gewone onderwijs bekostigd moesten worden door de Nederlandse overheid; volgens zijn opvatting was dit joodse onderwijs dan ook gewoon openbaar. Tegenover zich vond hij echter de man die over ’s Rijks financiën ging, de notoire NSB-er Rost van Tonningen, terwijl SG Frederiks laveerde in dit conflict, dat maanden sleepte.
Het was de Joodsche Raad ondertussen duidelijk dat zij de partij was die het joodse onderwijs onder haar hoede moest nemen. Seyss had dan wel in zijn aanwijzing gesteld dat er een afzonderlijke ‘jüdische Rat’ voor het onderwijs zou moeten komen, maar blijkbaar was dat plan inmiddels van de baan; waarop voorzitter en secretaris van de Onderwijscommissie van de Joodsche Raad, Cohen en van der Velde, het gesprek aangingen met SG van Dam en diens kabinetchef prof mr. A.L. de Block.
Naast allerlei uitvoeringskwesties die aan de orde kwamen, stond in die gesprekken die vanaf het najaar 1941 werden gevoerd, het karakter van het nieuwe joodse onderwijs en de wijze van bekostiging centraal. In de verslagen van die gesprekken staat het zo:
‘Art. 200 van de Grondwet kon niet gelden, aangezien er volgens de wil van de Duitse autoriteiten van “openbaar” onderwijs geen sprake kon zijn. Voorlopig ontbrak nog iedere wettelijke grondslag.
Wat de financiering van het ongesubsidieerde bijzonder onderwijs betreft, merkte de S.G op dat zijns inziens. de Joodse gemeenschap niet in staat was de kosten van een landelijke onderwijsorganisatie te dragen. Hij zou trachten een eventuele Staatsbijdrage te verkrijgen en aldus het Rijk financieel bij het Joodse onderwijs te betrekken. Daartoe diende eerst overeenstemming te worden verkregen met den Secretaris-Generaal van Financiën, Mr Rost van Tonningen. De onderhandelingen verkeerden nog in een aanvangsdatum’

[NIOD 182/108-0195 : 13 nov ‘41]
‘Gevraagd werd [door Cohen] of er een mogelijkheid bestond dat de Joodse Raad voor Amsterdam ten behoeve van het Joodse Onderwijs een subsidie of een toelage zou genieten.
Het Departement van Financiën maakt bezwaren, doch laat de verantwoording aan het Departement van Opvoeding, Wetenschappen en Cultuurbescherming.
De mogelijkheid van subsidie is dus niet uitgesloten en het is waarschijnlijk, dat er met de Joodse Raad overleg zal worden gepleegd inzake de grootte van de toelage.
Er is bij de Duitse autoriteiten een stroming vóór subsidie, terwijl een andere stroming meent, dat het gehele Joodse Onderwijs door de geloofsgemeenschap zelf moet worden bekostigd. Het Departement van Financiën komt tot zijn opponerende houding niet alleen gedreven door een zeker anti-semitisme, doch evenzeer door de slechte toestand van ’s Rijks schatkist.’
[NIOD 182/108-203 : 10 febr ‘42]
En zo bleef de bekostigingskwestie nog maanden slepen, maar halverwege de zomer van 42 had de Reichskommissar er duidelijk genoeg van: SG Frederiks werd ontheven van de ‘Judenangelegenheiten' en van Dam raakte de ‘Erziehung und Unterichts der Juden’ kwijt. Vervolgens stelde hij zijn Beauftragte für die Stadt Amsterdam, aan tot Sonderbeauftrager für Judenfragen, waaronder ook de ‘Erziehung und Unterrichts der Juden’ viel. 12 augustus 1942 kreeg de Raad het bericht daarover en óók dat er bij Lippmann-Rosenthal & Co een afzonderlijke bankrekening was geopend ten behoeve van een jüdischer Erziehungsfonds voor de jüdische Volksschulen.
[die Beauftragte für die Stadt Amsterdam was eerst Senator Doktor Hans Böhmcker. In juni 1942 was die opgevolgd door de SS-er Doktor Werner Schröder, deze man deed dus vanaf augustus alle Judenangelegenheiten en gaf Seyss' bevelen aan de Joodsche Raad, tot dat Amsterdam ruim een jaar later ‘judenrein’ was. Böhmcker hield zich ook al namens de Reichskommissar speciaal bezig met joodse zaken, dat was natuurlijk vanzelfsprekend omdat de meeste joodse kwesties in Amsterdam speelden]
Toen ging het plotseling snel, het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad werd opgetuigd met nog eens een tiental medewerkers en het begon met de voorbereidingen om het beheer en gezag over te nemen, niet alleen van de Amsterdamse scholen, maar ook van de ruim dertig scholen elders in het land.
In de brief van 12 augustus werd ook en voor het eerst, bevestigd dat er een subsidie per leerling kwam, gerekend vanaf 1 september 1942, van 80 gulden per jaar voor elke leerling van 7 tot 15 jaar.
Dat was duidelijk aan de krappe kant zodat het verse onderwijsbureau ogenblikkelijk zijn tanden moest zetten in een bezuinigingsoperatie.
De overdracht vond formeel plaats op 16 november 1942, maar er werd teruggerekend naar 1 september, dat was voor de bekostigingssystematiek elk jaar het begin van het schooljaar. Het werkelijke overdrachtmoment lag op woensdag 2 december, terwijl voor het subsidie voor het eerste kwartaal, de leerlingen-teldatum van 16 september werd aangehouden.
Er was inmiddels ook een eigen bestuur gevormd, ‘het bestuur van het Joods Onderwijs in Nederland’, dat onafhankelijk van de Joodsche Raad kon opereren en het Onderwijsbureau onder zich kreeg. Nauwelijks was het nieuwe briefpapier gedrukt of de naam werd gewijzigd in ‘het bestuur van het onderwijs aan Joodse leerlingen’. Die wijziging bleek noodzakelijk om verwarring te voorkomen met de joodse bijzondere scholen, want niet alleen de ‘openbare’ joodse scholen, maar ook dat joods bijzonder onderwijs, zoals dat alleen in Amsterdam bestond, viel onder deze overdracht.
De zelfstandige besturen van die bijzondere scholen werden ontbonden; zij vormden op last van de Beauftragte, vervolgens samen een nieuw ‘schoolbestuur voor het Joods Bijzonder Onderwijs’. De nieuwe besturen hadden echter beide geen juridische status; joodse verenigingen en stichtingen waren immers inmiddels verboden.
Zestien maanden nadat Seyss-Inquart de aanwijzing tot isolering van de joodse leerlingen had gegeven, had hij het eindelijk voor elkaar; Joodse kinderen en Joodse leerkrachten waren nu definitief buiten de Nederlandse samenleving gezet. Er was zelfs voldaan aan zijn wens van ‘einem zu gründenden jüdische Rat’ - maar wat betreft de bekostiging van het joodse onderwijs had hij bakzeil moeten halen, niet de joodse gemeenschap draaide daar voor op, maar gewoon de Staat der Nederlanden.
De isolering en centralisatie van de joodse leerlingen en leerkrachten was, volgens mij, wellicht de grootste bureaucratische operatie die de bezetter het Nederlands ambtenarencorps afdwong; ik kom daar later in mijn commentaar op terug

notitie JODENSTATUUT

Het Joods bijzonder onderwijs bestond ten tijde van de overdracht aan de Joodsche Raad uit de volgende verenigingen en stichtingen
  • de Nederlands Israëlische Schoolvereniging Kennis en Godsvrucht, met twee lagere scholen, de Palacheschool in de Lepelkruisstraat en de Herman Elteschool in de van Ostadestraat, en de kleuterscholen aan de Nieuwe Keizersgracht, de Plantage Muidergracht en de Lekstraat, en de Joodsche ULO-school aan de Weteringschans.
  • de Onderwijsstichting Talmud Tora, met twee lagere scholen, de Talmud Tora A in de 2e Boerhaaavestraat en de Talmud Tora B in de Kraaipanstraat.
  • de Centrale Organisatie voor de Religieuse en Morele Verheffing der Joden in Nederland met de Joodse H.B.S. in de vrm Stadstimmertuin.
  • de Vereniging voor Israëlische Voorbereidende scholen met kleuterscholen in de Keizerstraat, de Rapenburgerstraat en de Kraaipanstraat.
  • en dan was er nog de ‘gestichtschool’ van het jongensweeshuis Megadle Jethomien, aan de Amstel
Los van deze joodsreligieuze scholen waren er nog een drietal bijzondere scholen die ook onder de overdrachtmaatregel vielen
  • de Joodse afdeling aan de Falckstraat, van de (neutrale) Amsterdamse Schoolvereniging voor Onderwijs en Opvoeding
  • en tot slot de Vereniging voor oprichting en instandhouding van lagere Nijverheidsscholen, met de A.B. Davidschool in de Valckenierstraat en de E.J. van Detschool aan het Hortusplantsoen

Van de gemeente Amsterdam nam de Joodsche Raad in totaal 21 scholen over, gevestigd in 19 gebouwen
Joodse school nr 1 - Oude Schans 35
Joodse school nr 3 - Waterlooplein 24
Joodse school nr 4 - Plantage Muidergracht 20
Joodse school nr 5 - Sparrenweg 11
dependance school 5 - 1e van Swindenstraat 135
Joodse school nr 7 - President Brandstraat 9
Joodse school nr 9 - Kraaipanstraat 58
Joodse school nr 11/12 - Jekerstraat 84/86
Joodse school nr 13 - Jan van Eijckstraat 21
1e Joodse Montessori - Daniel Willinkplein 11
2e Joodse Montessori – 2e Boerhaavestraat 82
en in de Cliffordstraat (West) en aan de Floraweg 15 (Noord) de eenklassige schooltjes nr 14 en 15; de laatste verhuisde kort daarop naar Blauwe Distelweg in Asterdorp.
  • Verder ging ook de Joodse VGLO-school en de Joodse MULO over, die gevestigd waren in de Chr de Wetstraat 21/23 en daar ging ook de Joodse Kweekschool mee.
  • de Joodse BLO-school aan de Plantage Muidergracht 26/28 en in de Joubertstraat 11
  • het instituut voor Voortgezet Onderwijs (IvVO) bestaande uit het Joods Lyceum en de Joodse HBS gevestigd in de vrml Stadstimmertuin 1 en in de Lepelstraat 22
  • Ook de drie openbare joodse kleuterscholen gespreid gevestigd in de scholen aan de Sparrenweg, de 1e van Swindenstraat, het Willinkplein, de Joubertstraat en de 2e Boerhaavestraat.

zie verder het afzonderlijke, gedetailleerde artikel over de Joodse scholen, dat als bijlage dient bij dit artikel

§ 15 de verjoodsing
I
Naast allerlei praktische zaken die bij de overdracht van de scholen aan de Joodsche Raad, besproken en geregeld moesten worden, was er ook de kwestie van het Joods Cultureel Onderwijs of anders gezegd ‘hoe joods moesten die nieuwe joodse scholen zijn.’
Feitelijk waren die gemeentelijke joodse scholen openbaar en neutraal; daarnaast waren er een viertal ‘joodsreligieus georiënteerd’ joods-bijzondere scholen. Maar de overdracht naar de Joodsche Raad was voldoende aanleiding om die neutrale joodse scholen ook een ‘positief joods’ karakter te geven, althans dat werd door nogal wat betrokkenen overwogen.
Die discussie begon meteen al, in november 1940, toen de joodse onderwijskrachten uit het onderwijs werden verdreven. De toen pas gevormde Joodse Coördinatie Commissie [de Joodsche Raad bestond nog niet] benoemde een adviescommissie voor het onderwijs aan de joodse leerlingen, voor het geval dat de kinderen hetzelfde lot als hun leerkrachten zou treffen. Het advies kwam snel, januari 1941 lag er een rapport met de titel ‘Schema voor een afdeling onderwijs’ Het was opgesteld voor het geval dat ‘indien onverhoopt uit de omstandigheden acute problemen ten opzichte van het onderwijs aan Joodse kinderen zouden voortkomen.’
Het rapport is door mij niet gevonden in een van de beschikbare archieven. De bron die ik hanteer is Herman Aa; als secretaris van het onderwijsbureau van de Joodsche Raad schreef hij in 1942 een verslag over het joodse onderwijs. In dat uitvoerige verslag is sprake van deze onderwijsadviescommissie, die er voor pleit dat op de op te richten joodse scholen Joods Onderwijs gegeven gaat worden. Ook in de vergaderverslagen van de Centrale Commissie van de Joodsche Raad [NIOD 182/003 - 006] wordt er gewag van gemaakt: ‘Met gegevens is men reeds goed voorzien, door het werk van een commissie die reeds lang tevoren door de Coördinatie Commissie was ingesteld.’
Ik ga verder af op dat wat Herman Aa, er over geschreven heeft.
[NIOD 182.283].
Die Onderwijsadviescommissie stelde voor Joods Cultureel Onderwijs te introduceren op de eventueel te vormen scholen, dat zou dan moeten bestaan uit Hebreeuws, joodse geschiedenis, leer der riten en symbolen en dat alles zou toch zeker 3 uur per week moeten beslaan. Maar kennis van de bijbel ontbreekt in dit rijtje en over het vak Hebreeuws merkt de commissie op dat, dat minimaal mag zijn, waar dan bovendien nog dispensatie van mogelijk zou moeten zijn. Tot slot wordt verondersteld dat er te weinig goed geschoolde leerkrachten zouden kunnen zijn, om dit joodse onderwijs te verzorgen.
Maar naast de kwestie van het joodse onderwijs, citeert Herman Aa: ‘Bij de inrichting van de school zal het in de eerste plaats aankomen op de geest, waarin de school geleid wordt. Hiermede wordt niet slechts bedoeld, dat er Joodse feestjes moeten worden gemaakt, maar meer, hoe de school er elke dag zal uitzien; zowel materieel (platen e.d.) als ideëel (onderwerpen van opstellen, trant van geschiedenis-vertellen, zang-onderwijs en dergelijke)’ m.a.w. de school zou in positief-joodse zin moeten worden geleid.
Als slot van deze paragraaf in zijn rapport schrijft Aa dat de orthodoxe zowel als de nationalistische groepen binnen de Joods-Nederlandse bevolking in feite een kleine minderheid vormden, terwijl in het onderwijsschema van de commissie wel een vrij grote plaats voor het specifiek Joods onderwijs werd ingeruimd. Dat dit eventueel door vele ouders, doch nog in sterkere mate door de leerkrachten (afkomstig van het Openbaar onderwijs) niet van harte geaccepteerd zou worden, was te voorzien.
Maar anderzijds, zo concludeer ik, wilde de overgrote liberale meerderheid van de Amsterdamse joden, geenszins beschuldigd worden van een anti-joodse houding; met ander woorden, men accepteerde dat op die nieuwe scholen ‘kennis van en liefde voor het Jodendom zou worden bijgebracht en dat, dat alleen zou kunnen in een bewust Joodse omgeving waarbij de leiding van de school dus zorg draagt, dat in het gebouw en in de lessen een Joodse sfeer wordt geschapen. Baat het niet, het schaadt ook niet’
[NIOD 182.283 – p 16 tm 20]
Dat schreef de adviescommissie dus in januari 1941, en zodra het tot de Joodsche Raad doordrong dat de onderwijsscheiding werkelijkheid ging worden, werd dat ‘schema voor een afdeling onderwijs’ uit de kast gehaald. Meteen, in de vergadering van 17 juli werd die commissie van de Coördinatie Commissie, die nogal gedomineerd werd door het rabbinaat, terzijde geschoven en werd er een nieuwe commissie geïnstalleerd, de Centrale Commissie voor het Joodse Onderwijs, met uitsluitend ‘vakmenschen’, zoals vd Velde (insp. onderwijs Groningen), Elte (leraar hbs Zaandam), Hartog (hoofd lager school Amsterdam) en opperrabbijn Dünner.
Binnen twee maanden presenteerde deze nieuwe commissie, weer onder leiding van rabbijn J.H. Dünner, in september 1941 een weliswaar beknopt, plan voor Joods Onderwijs in de lagere school
'Doel : het onderwijs moet bijbrengen kennis van en liefde voor het Jodendom
Sfeer van het onderwijs : Het Joodse onderwijs kan eerst dan volledig tot zijn recht komen, indien het gegeven wordt in een bewust Joodse omgeving, d.w.z. dat de leiding van de school zorg draagt voor een Joodse sfeer tot uiting komend in de inrichting van het gebouw, in het aandacht schenken aan het joodse jaar, in het behandelen van joodse onderwerpen, ook bij andere lessen.
De sfeer moet liefde wekken voor het Joodse volk, eerbied voor zijn traditie en besef van zijn positie.
Inhoud : Hoezeer ook emotionele momenten een rol moeten spelen bij de opleiding van het Joodse kind, toch meent de commissie, dat bij het onderwijs, qua talis het bijbrengen van de kennis voorop moet staan, uiteraard bezield door het enthousiasme van den leraar.'
[NIOD 182.286-0001 tm 0003]
Düner c.a. legde in het lessenschema, net als in het rapport van de eerdere commissie, het accent op Hebreeuws, als basis om kennis en begrip van Jodendom te verwerven. Weliswaar was er nu sprake van ‘levend Hebreeuws’ (Ivriet dus) en ‘Uitspraak en woordenkeus moeten zijn afgestemd op een levende wereld’ en leek het daarmee tegemoet te komen aan de meer nationalistische [zionistische] groepen in de joodse samenleving. Maar met twee keer per week driekwartier Hebreeuws, was dit plan toch eigenlijk een opstapje voor godsdienstonderwijs en daar was de Joodsche Raad nu juist in grote meerderheid op tegen. Joods Cultureel Onderwijs, dat werd ondertussen aanvaardbaar gevonden, met het accent op de joodse geschiedenis, riten en symbolen, zang en vooral veel verhalen, over Josef, Mozes, Saul, David en Salomo, de koningen van Israel en Juda tot en met de verwoesting van de tweede Tempel. Maar godsdienstonderwijs moest buiten de openbare school blijven.
Van dat Joods Cultureel Onderwijs is in dat eerste schooljaar niets terechtgekomen en wat de joodse sfeer betreft, bepaalde de burgemeester dat ‘Met het oog op de nadering van een groot aantal joodsche feestdagen’ de scholen niet alleen des zaterdags gesloten zullen zijn, maar ook op de volgende joodsche feestdagen : 22/23 September Nieuwjaar; 1 October Groote Verzoendag; 6 en 7 October Loofhuttenfeest; 13 october Slotfeest en 14 October Vreugde der Wet.

II
Waarschijnlijk niet geheel los van het voorzichtige gemanoeuvreer van de Joodsche Raad en de nieuwe Centrale Onderwijscommissie, vatten de Nederlands Israëlische Hoofdsynagoge en de Portugees Israëlische Gemeente in Amsterdam, tezamen het plan op om joods-godsdienstonderwijs te gaan geven op die nieuwe scholen. De onderwijswet bood immers toentertijd in artikel 26, kerkgenootschappen de mogelijkheid binnen de school en binnen schooluren godsdienstonderwijs te verzorgen. Er werd een verzoek gedaan aan de gemeentelijke afdeling onderwijs en dat was best wel een precedent, geen van beide joodse kerkgenootschappen had eerder op een openbare Amsterdamse lagere school zulk soort onderwijs gegeven.
Joods godsdienstonderwijs werd immers sinds jaar en dag, buitenschools verzorgt door de verschillende synagogen in de stad, in zgn ‘zondagschooltjes’ die zondag en woensdagmiddag aan de joodse kinderen in de buurt, in een ‘clubhuisachtig’ sfeer, joods onderricht aanboden. En natuurlijk werd er godsdienstonderwijs gegeven op de vier joodse bijzondere lagere scholen, maar binnen het openbaar onderwijs in Amsterdam hadden de Joodse Kerkgenootschappen tot toen toe geen rol.
Het schijnt dat de burgemeester, want die ging toen over dit soort zaken, in eerste instantie afkerig stond van deze poging het onderwijs op de nieuwe joodse scholen te beïnvloeden. Half november kwam hij alsnog, schoorvoetend over de brug en schreef
‘.. deel ik u mede dat ik bij nadere overweging bereid ben, ertoe mede te werken, dat aan de Joodsche scholen voor gewoon en voortgezet gewoon lager onderwijs binnen den gewonen schooltijd aan de leerlingen, wier ouders daartoe den wensch te kennen hebben gegeven, gelegenheid wordt gegeven , godsdienstonderwijs te ontvangen van een door U aan te wijzen godsdienstleeraar en wel gedurende drie uur per week etc...’. [NIOD 182.153-0009]
Onduidelijk is wat er van terecht is gekomen; de gemeente had dan wel toestemming gegeven voor godsdienstonderwijs, met een uitdrukkelijke dispensatie-mogelijkheid voor ouders die bezwaren koesterden. Een probleem was echter de beschikbaarheid van godsdienstleerkrachten, dat waren niet de klassenonderwijzers, maar speciaal opgeleide krachten, benoemd en betaald door de kerkgenootschappen. Daarvoor moest dus een beroep worden gedaan op de juffen en meesters van die ‘zondagschooltjes’ en dat had nogal wat voeten in de aarde.
Vermoedelijk waren er in het Amsterdamse toen, zo’n twintig joodse godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen, uiteraard had elke joods-bijzondere school er minstens een in dienst die daarnaast ook les gaf op zo’n buitenschools godsdienstschooltje. Maar er waren er ook die hun activiteiten op die zondagschooltjes combineerden met doordeweeks een ander beroep, buiten het onderwijs. Het zal knap lastig zijn geweest om puttende uit dit kleine reservoir, elke nieuwe joodse school te voorzien van een godsdienstonderwijzer of onderwijzeres, voor drie uur per week in alle klassen, zoals de burgemeester had toegestaan.

III
Maar het ging in het plan van de commissie niet alleen om godsdienstonderricht, of Joods Cultureel Onderwijs, er was zeker behoefte aan een joodse sfeer, op al die nieuwe scholen. Schoolhoofd Jerohm Hartog van de joodse school nr 7 schrijft het zo in het Joodsche Weekblad van 10 oktober 1941:
‘Het Joodsche schoolkind bevindt zich thans in eigen omgeving. Het werkt, leert en leeft dagelijks met Joodsche kameraden, het heeft Joodsche onderwijzers en leeraren. Daar kan een groote kracht van uit gaan voor het latere Joodsche leven van dit kind. Het is duidelijk , dat de Joodsche scholen kinderen bijeenbrengen uit verschillende Joodsche milieus, waar men schakeeringen aantreft tot a-religieus en a-nationaal toe. Daartusschen ligt een rijk gevarieerd terrein van geloofs- en ander inzicht. En het is moeilijk om de uitersten tevreden te stellen.
Doch het behoort toch zeker tot de mogelijkheden om deze vogels van diverse pluimage iets positief Joodsch mee te geven voor hun geheele leven.
Is er ooit schade toegebracht aan de ziel van een kind, wanneer het bekend gemaakt werd met het specifiek eigene, met de cultuurwaarden van de gemeenschap, waarmede het met sterke banden gebonden is ? Wij gelooven zeker, dat dit niet het geval is. En waarom zou ons Joodsche schoolkind, dan niet iets van de Joodsche geschiedenis, van de Joodsche taal, van de Joodsche cultuur mogen leeren ? Wanneer het hierdoor interesse krijgt voor het Jodendom en zijn godsdienst, dan staan het genoeg wegen open om zich verder en diepgaander te verrijken met Joodsche kennis’
De schrijver, schoolhoofd Hartog kwamen we al tegen zowel in die onderwijsadviescommissie die dat schema voor een afdeling onderwijs opstelde, als in de nieuw gevormde Centrale Onderwijscommissie van de Joodsche Raad. Met het artikeltje in het Joodsche Weekblad verwoordde hij weliswaar het commissiestandpunt inzake de ‘joodsheid’ van het nieuwe onderwijs, maar of hij medestanders had onder de hoofden van die zeventien lagere scholen, dat is zeker de vraag; voorzitter Cohen laat immers in een van de vergaderverslagen noteren :
‘de moeilijkheid schuilt daarin dat de leerlingen en het personeel van de scholen voor het allergrootste deel buiten het Jodendom staan. Zij wensen geen bepaald Godsdienstonderwijs, doch willen zich schikken in een onderwijs dat objectieve kennis bijbrengt’ [NIOD 182/102-0065]

IV
Dat de discussie over het karakter van de nieuwe scholen zich uitstrekte tot in de huiskamers, was vanzelfsprekend en dat er ook ‘fanatici’ opstonden om het vuurtje aan te wakkeren, niet meer dan logisch. Salomon Voet (vakbondsman) en Jacques de Leon (journalist) deden dat met een brief aan alle schoolhoofden, toen het Sinterklaasfeest 1941 naderde.
Naar wy vernemen bestaat het plan om op verschillende scholen welke uitsluitend voor Joodse leerlingen bestemd zyn, het Sint Nicolaasfeest te vieren. [........] Allerwegen wordt ons Joden in toenemende mate erop gewezen dat wy behoren tot een Joodse gemeenschap, dat wy anders zyn dan de overige Nederl. bevolking. Dat dit speciaal in Assimilanten-kringen niet gaarne wordt aanvaard, verandert de realiteit niet ! Den kop in het zand steken is behalve onwaardig ook een gevaarlyke tactiek, de onafwendbare gevolgen zullen, voor zoover deze nog niet op hun hoofden zyn neergekomen, niet uitblyven. U echter, als opvoeders der Joodse jeugd in deze moeilyke tyd hebt een zware taak en een even zware verantwoordelykheid.
[.....] Helaas, slechts noodgedwongen zyn Joodse kinderen toevertrouwd aan de leiding van Joodse leraren. Uit die nood een deugd maken, is de eenig juiste houding ! Sinterklaas vieren al of niet met katholieke emblemen op een Joodse school onder leiding van Joodse leraren onder auspiciën van den Joodsen Raad is een hoon voor het zich orthodox noemende Ned. Rabbinaat. Daartegenover en ook om den kinderen hun “pretje” niet te onthouden is het vieren dit jaar van Chanoekah op de scholen een veel waardiger geste. Ook en vooral uit peadagogisch standpunt bezien van onschatbare waarde.
[deze brief ondertekend door Salomon Voet, mede namens Jacques de Leon (Kastanjeplein 13), ontvingen de Hoofden van de nieuwe joodse scholen eind november 1941. Jacques de Leon was redacteur (en eigenaar) van het Joodse Weekblad, maar dat mag niet verward worden met het Joodsche Weekblad dat uitgegeven werd, met autorisatie van de bezetter, door de Joodsche Raad. Het weekblad van de Leon verschijnt vanaf augustus 1940 tot het eerste nummer van het officiële Joodsche Weekblad, 11 april 1941.] [de volledige brief is te vinden in de map van school nr 15 bij het NIOD : 182.153- 011]
Dat was december 1941; een jaar later ging de strijd om Sinterklaas gewoon verder. School nummer 3 aan het Waterlooplein bereidde november 1942, het jaarlijks sinterklaasfeest voor en daar kreeg opperrabbijn Philip Frank lucht van. Hij seinde collega-schoolbestuurder Isaac Jacobson in en die kon niet nalaten de pas benoemde Inspecteur voor het Joods Cultureel Onderwijs er een briefje over te schrijven. Nico Dasberg antwoordde per kerende post uit Hilversum:
‘Ik ben gaarne bereid met den Heer Frank dit Sinterklaasfeest op school No 3 meer luister bij te zetten. De Heer Frank laat ik de eerste keus: of hij voor Sinterklaas wil spelen of dat hij liever zwarte Piet is. Ik zou overigens gaarne het gedelegeerde karweitje uitknokken, maar ... helaas ik heb nog steeds geen reisvergunning. .... Zou dus de Heer Frank de gevechten maar vast willen openen ? [NIOD 182.106 – 043 dd 16 Nov 1942]
Maar daarmee was de zaak niet afgedaan, de kwestie werd subbiet aangekaart in het nieuwe Joodse Schoolbestuur. Frank en Jacobson riepen daar om het hardst dat ‘wij geen sinterklaasfeest, doch een Chanoekah feest moeten maken’ en dat er in plaats van de kerstvakantie, een Chanoekah-vakantie in gesteld moest worden en dat er ook maar meteen overgestapt zou moeten worden op het Joodse jaar. In de vergaderingen van het Joodse Schoolbestuur vonden ze echter de liberale Cohen en vd Velde tegenover zich, want die wilden zo weinig mogelijk veranderen. Maar er is wel een ‘opwekking’ uitgegaan aan alle scholen:
‘Wij zouden het zeer op prijs stellen, indien U ter gelegenheid van het a.s. Chanoekafeest op de onder uw leiding staande onderwijsinrichting voor de leerlingen een feestelijke bijeenkomst wilt organiseeren. Chanoeka iss de laatste tijd een volksfeest bij uitnemendheid geworden. Wij vertrouwen dan ook, dat u aan ons verzoek gevolg zult geven.
U zult voor de uitvoering van dit plan zeker de medewerking van de leerkracht voor het Joodsch Cultureel Onderwijs kunnen verkrijgen. Het Onderwijsbureau van de Ned. Isr. Hoofdsynagoge heeft een aardig plan uitgedacht en zal u gaarne met de uitvoering daarvan behulpzaam zijn.

(Chanoeka was in 1942 van 4 tot 11 december)
[NIOD 182.108-0210]

V
Het is dan al november 1942, de feitelijke overdracht van de scholen aan de Joodse Raad is gaande; de ‘strijd’ over het joodse karakter van de scholen gaat een nieuwe fase in, nu de gemeente haar gezag heeft overgedragen. Ook de Centrale Culturele Commissie van de Joodsche Raad mengt zich er in en schrijft aan het pasgevormde Joodse Schoolbestuur:
‘Het aan de onder Uw leiding staande scholen te geven onderwijs zal naar onze stellige overtuiging zijn eigen stempel dienen te ontlenen aan het streven, den leerlingen de kennis bij te brengen, die nodig is voor een begrip zowel van de oorzaken, die het voortbestaan van het Joodse volk hebben mogelijk gemaakt, alsook van die welke tot zijn tegenwoordige positie hebben geleid. Daartoe komt naar wij menen, in aanmerking onderwijs in de navolgende vakken: Hebreeuws taal – Joodse letterkunde – Joodse geschiedenis – Joodse zedenleer – Joodse levenspractijk’
[NIOD 182.139.015]
In het schooljaar ‘41-‘42 was er dan wel godsdienstonderwijs verzorgd en daar hadden de meeste leerlingen aan deelgenomen (80% zelfs, althans volgens vd Velde, de chef van het onderwijsbureau) maar godsdienstonderwijs, is niet hetzelfde als Joods Cultureel Onderwijs en voor dat laatste werd allerwegen gepleit. Nu de overdracht een feit was, de gemeente zich noodgedwongen had teruggetrokken en de joodse gemeenschap zelf verantwoordelijk was gemaakt, zagen de orthodoxen, de zionisten, zowel als de liberalen een kans het onderwijs naar hun eigen richting te trekken.
Het binnenschoolse godsdienstonderwijs (A-onderwijs) werd door de liberalen gezien als een voorbereiding op het buitenschoolse godsdienstonderwijs (het B-onderwijs, dat ook de joodse liturgie behandelde en opleidde voor de Bar/Bat-Mitswa) en daar wilden de liberale meerderheid niets van weten, zeker niet op een openbare school. Het binnenschoolse A-onderwijs moest dus zodanig worden aangepast en ontdaan van ‘godsdienstige aspecten’ dat het verder kon als Joods Cultureel Onderwijs of Algemeen Vormend Joods Onderwijs. Weliswaar met dezelfde leerkrachten, die allemaal opgeleid waren aan het Nederlandsch Israëlisch Seminarie en bevoegd waren voor zowel het A- als het B-godsdienstonderwijs.
Dat maakte de kwestie extra ingewikkeld, voorheen waren de leerkrachten voor het godsdienstonderwijs ‘gast’ op de school; er bestond geen gezagsverhouding; ze werkten in opdracht van de Hoofdsynagoge. Nu echter de Joodsche Raad het gezag over de scholen had gekregen (en dus ook over het personeel), rees de vraag wie er de baas was over deze gastleerkrachten en of opperrabbijn Frank zomaar een school mocht bezoeken. Er wordt een gezamenlijke commissie ingesteld van de het nieuwe schoolbestuur en de hoofdsynagoge om een en ander uit te praten.
Het lijkt nauwelijks meer over de inhoud van het leerplan te gaan, en niet alleen liberale joden hebben er een probleem mee en de zionisten, maar ook de Parnassien van de Portugees Israëlitische Gemeente; de Hoofdsynagoge die die leerkrachten leverde was immers niet de Portugese.
Ondertussen is het al februari 1943, zo’n beetje de helft van de Amsterdamse joden is al verdwenen en er zijn nieuwe hoofdrolspelers. De opperrabbijnen Philip Frank en Lodewijk Hartog Sarlouis zijn dood, ook rabbijn Joseph Dünner (Dinner) is verdwenen, maar de nieuwe opperrabbijn Simon Dasberg, die rabbijn Frank in maart 1943, opvolgde staat zijn mannetje en raakt bijna meteen, in conflict met zijn naamgenoot Nico Dasberg uit Hilversum, de in november benoemde inspecteur op het joods cultureel onderwijs. En dan wendt Willem Elte, de rector van het Joodsch Lyceum zich ook nog eens in de strijd :
'Het invoeren van confessioneel onderwijs of half confessioneel onderwijs, lijkt mij een opgepast gebruik maken van de (huidige) omstandigheden en het aansturen op een cultuurstrijd in dezen tijd erger dan ongewenscht'
NIOD 182.106 – 0044

notitie ARTIKEL 26 - WET L.O.

§ 16 kinderen zonder ster

image.jpeg

click op foto
Op deze foto van de vijfde klas van de Herman Elte school, met hoofdonderwijzer Elias Stibbe, zijn de Davidssterren duidelijk zichtbaar. Het is mei 1942, een tiental kinderen draagt geen ster, nota bene op een confessionele school. Een nieuwe scheidslijn is getrokken : je hebt een ster of je bent een ‘kind zonder ster’, op deze foto zitten ze nog bij elkaar.
Voorheen, dat wil zeggen sinds de scheiding in het onderwijs had niemand zich daar druk over gemaakt; aanvankelijk was het geen probleem. Je kon dan wel een halvie zijn, maar je was joods en zat dus op een joodse school, op zo’n confessionele of op een openbare. Voor de meeste ouders was dat geen keuze, de kinderen bleven gewoon op hun vertrouwde school, in de klas waar ze voor de vakantie naar bevorderd waren, ongeacht het aantal joodse grootouders of de kerkelijke verbondenheid.
Wat telde was het bewijs van registratie en ook half- en kwart-joden waren in maart geregistreerd.
Het gemeentelijke gezag maakte er zich verder niet druk over, de joodse kinderen waren geïsoleerd en samengebracht. De verantwoordelijkheid voor de schoolkeuze was bij de ouders gelegd en de gemeente spande zich in voor personeel, gebouwen en leermiddelen. En iedereen bleef hopen op betere tijden. Maar met de invoering van de Davidsster, ontstond de nieuwe scheiding, de half-joodse kinderen werden zichtbaar binnen hun eigen klas, als kinderen zonder ster, die dus eigenlijk niet thuishoorden, op die joodse scholen.

image.jpeg

Vanaf zondag 3 mei 1942 was het de joden verplicht een Davidster te dragen, op de kleding waarin je de deur uitging.
De ster, een geel lapje textiel met als opdruk de zeshoekige ster met daarin het woord Jood, moest in viervoud worden aangeschaft tegen betaling van zestien cent plus een textielbon van het distributierantsoen. Dat deed je bij een bureau van de Joodsche Raad, op vertoon van het persoonsbewijs, dat vanaf april 1941 verplicht was en waar een vette J in was gestempeld, als uitkomst van de eerdere Joden-registratie.
En zo ontstond de nieuwe scheiding, immers als je niet over voldoende joodse grootouders beschikte, was je een half-jood en stond er geen J op je persoonsbewijs gestempeld en kwam je dus ook niet in aanmerking voor een Davidsster.

[overigens, een Persoonsbewijs is niet hetzelfde als een Ausweis, dat is een bewijs van toestemming of werkvergunning en dat is dan weer niet hetzelfde als een Sperr, dat was specifiek een ‘vrijstelling’ van deportatie]

We weten ondertussen dat zo’n 12,5% van de 160.000 geregistreerde Joden, gerangschikt werd onder de titel half- en kwartjoden. Ik veronderstel [zie § 11] adhv de leerlingentellingen, dat bij de schooljeugd dat percentage best wel hoger zou kunnen zijn geweest. Maar als we die [minstens] 12,5% toepassen op de Amsterdamse situatie zou geconcludeerd kunnen worden dat bij aanvang schooljaar 41/42, zo’n 600 van de 5.300 joodse lagere schoolkinderen, wellicht niet voljoods was. Aan het eind van dat schooljaar werden ze gekwalificeerd als ‘kinderen zonder ster’. De meeste van hen hebben daarop hun schoolloopbaan voortgezet op een gewone (lees niet-joodse) school.
[In die periode van sept 1941 tot sept 1942, was er op de ‘openbare’ joodse scholen sprake van een daling van ruim 1.300 leerlingen. Dat zal voor een deel verklaard kunnen worden door de uittocht van de kinderen zonder ster – naast natuurlijk het vertrek vanwege de deportaties die tegen het eind van het schooljaar 41/42 begonnen - zie tabel bij § 12]
De bezetter was duidelijk, zoals weer eens bleek uit een convocatie, dit keer van het Departement van Financiën begin oktober 1942. Aan de gemeentebesturen werd gevraagd: ‘een opgave te willen verstrekken van de in Uw gemeente, op de onderwijsinrichtingen voor Joden, ingeschreven leerplichtige kinderen.’ Voor de duidelijkheid werd daarbij nog eens gesteld dat ‘Onder Joodsche kinderen worden verstaan leerlingen, bedoeld in de bekendmaking van den Secretaris-Generaal van het Departement van Opvoeding’ En zoals we ondertussen weten stonden in die bekendmaking van 16 Augustus 1941 [SAA 7433/3255] de bekende criteria voor het joodszijn, aangevuld met ‘dat kinderen, die twee voljoodsche grootouders hebben, dan als jood worden aangemerkt, wanneer zij een joodsch-godsdienstige opvoeding ontvangen'
Niet veel later werden de scholen overgedragen aan de Joodsche Raad en die was niet gerust op de aanwezigheid van kinderen zonder ster. Uit de enquête die het joodse onderwijsbureau daarop instelde, bleek dat er nog 61 kinderen zonder ster op de joodse scholen zaten op een totaal van zo’n 3.500 leerlingen. Zo’n beetje de helft van hen zat op een van de drie scholen in de Jodenbuurt. Maar die tien op de foto met meester Stibbe komen we in deze opgave niet tegen; die waren dus inmiddels geplaatst op een andere school, een niet-joodse.
Februari 1943 speelde de kwestie nog steeds en alhoewel het nog maar 33 van de 2000 joods leerlingen op de openbare joodse scholen betrof, pakte het Onderwijsbureau het opnieuw als zeer ernstig op. Tot drie keer toe werden de schoolhoofden geïnformeerd en gemaand:
‘In Amsterdam heeft men feitelijk tot Mei 1942 via de verklaring betreffende een Joods-godsdienstige opvoeding van de ouders beslist over de plaatsing van de leerlingen [bedoeld wordt hier het bewijs van registratie]. Na Mei 1942 kon bij nieuwe leerlingen gemakkelijk door middel van de ster bepaald worden, of zij op een Joodse school thuis behoorden.
Het gevolg van deze regeling is echter geweest, dat op het ogenblik
[begin febr 1943] nog steeds een aantal leerlingen, die geen ster behoeven te dragen omdat zij half-Joden zijn etc., op de scholen voor Joodse leerlingen gaan, omdat zij nu eenmaal deze school volgden. Niemand heeft hen tot nu toe bevolen, deze scholen te verlaten.'
‘In opdracht van de Duitse autoriteiten, bij wie de onderhavige kwesties aanhangig waren, zullen met ingang van 1 Maart 1943 op de Joodse scholen alleen Joodse kinderen, in de zin van Verordering 189/1940, les mogen ontvangen’
[SAA 1407 (N.I.K.) map 445]
‘de ouders van deze leerlingen direct mede te delen, dat zij hun kind naar een anders, niet Joodse school laten overplaatsen. Indien zij hiertoe niet overgaan, is U verplicht de kinderen op 1 Maart a.s. de toegang tot de school te weigeren.’
[SAA 1407 (N.I.K.) map 445]
'O.i. is het, uit veiligheidsoverwegingen voor de betrokken personen, gewenst, dat deze leerlingen, die door de Duitse overheid niet als Joden worden beschouwd, ook niet onze scholen bezoeken.
Mocht besloten worden, dat zij toch op onze scholen mogen blijven, dan is het noodzakelijk, dat de hoofden onzerzijds een verklaring krijgen, dat het leerlingen zonder ster is toegestaan onze scholen te bezoeken.’

[NIOD 182/108-255]
Ook alle ouders kregen een waarschuwing thuisgestuurd, dat
‘half-joodse leerlingen, die geen ster behoeve te dragen (b.v. omdat ze geen lid van een Joods kerkgenootschap zijn) niet meer op scholen voor Joodse leerlingen mogen worden toegelaten.
Wij zijn derhalve genoodzaakt U te berichten, dat U, na ontvangst van deze brief, Uw kind moet laten overschrijven naar een gemeentelijke school.’

[SAA 1407 (N.I.K.) map 445]
Tenslotte schreef de chef van het Onderwijsbureau, Isaac van de Velde op 2 maart 1943 aan de voorzitter van de Joodsche Raad een uitvoerige verantwoording:
Wij wisten n.l. wel, dat er half-joodse leerlingen op de scholen waren, doch niet precies wie onder deze maatregel, dat half-Joden die geen ster dragen de scholen moeten verlaten, begrepen waren.
Intussen hebben wij ons met de Gemeente Amsterdam in verbinding gesteld (afdeling Onderwijs) teneinde te vernemen op welke wijze de desbetreffende leerlingen zo spoedig mogelijk naar een Gemeentelijke school konden worden overgeplaatst.
Ons is toen verzocht een lijst van namen en adressen van de kinderen op te stellen, mede onder vermelding van de Gemeentelijke school, waar naar de overplaatsing door de ouders wordt gewenst.
Direct na ontvangst van de namen van de leerlingen hebben wij de ouders de desbetreffende opgave van de nieuwe school gevraagd.
De door de Gemeente gewenste lijst wordt thans opgesteld, waarna overplaatsing zal kunnen geschieden. De gehele maatregel zal in de loop van de volgende week naar wij vertrouwen volledig zijn beslag krijgen.’

[SAA 1407 (N.I.K.) map 445]
Veiligheidsoverwegingen werd het genoemd, het was niet verstandig leerlingen die niet aan de criteria voor het joodszijn voldeden, langer op een joodse school te handhaven.
De schoolhoofden konden er last mee krijgen, maar zeker ook het Joodsche Schoolbestuur en de Joodsche Raad. Die kinderen zonder ster mochten immers niet worden meegeteld in het subsidie, zoals dat sinds overdracht, door het Departement van Financiën aan de Joodsche Raad werd verstrekt. Vandaag zouden we zoiets als ‘fraude’ bestempelen, begrijpelijk dat van der Velde en Cohen er een kwestie van maakten. De relatie van de Joodsche Raad met de ambtelijke top van het Departement van Financiën was vanwege dat subsidie voor het joodse onderwijs, op zijn zachtst gezegd toch al uiterst precair.


notitie RELIGIEUZE OPVOEDING

§ 17 scholen in de Mediene
In de vorige paragrafen refereer ik hier en daar aan de situatie elders in het land. Daar is - zover ik kan nagaan, niet zoveel over geschreven, met uitzondering van de publicaties van Femke Mooijkind over de joodse school in Amersfoort en van Wally de Lange over het Joods Lyceum in den Haag [zie overzicht andere publicaties]. Vandaar dat ik hier een paragraaf wijd aan de situatie in de Mediene, dat wil zeggen buiten Amsterdam.
We gaan daarvoor weer even terug. Een kleine week voor de ingangsdatum van 1 september 1941, [zie § 6] stuurde Secretaris-generaal van Dam alle gemeentebesturen zijn aankondiging van de isolatie-maatregel. Hij had ze een week daarvoor al opgedragen hem een ‘nominatieve’ opgave te verstrekken van de leerplichtige joodse leerlingen ter plaatse. Maar met deze brief droeg hij de gemeenten op erop toe te zien dat alle scholen per 1 september de joodse leerlingen daadwerkelijk uit de scholen zouden verwijderen en schrijft hij dat ‘afzonderlijke onderwijsinrichtingen zoo spoedig mogelijk worden opgericht’ Daarover gaat hij dan verder in zijn volgende circulaire, begin september ’41:
‘In het algemeen zou ik als maatstaf wenschen aan te nemen, dat, zoo in eenige gemeente (of in een gemeente met eenige randgemeenten tezamen) 50 leerlingen van Joodschen bloede aanwezig zijn, in ieder geval overgegaan behoort te worden tot het voorbereiden van een afzonderlijke school voor dezen. Wanneer mij op grond van de mij toegezonden opgaven blijkt, dat zulk een geval zich voordoet, stel ik mij voor om – voor zover dit niet reeds is geschied – aan den betrokken Burgemeester mededeling te doen van deze omstandigheid en aanwijzing te geven voor de inrichting van een zoodanige school.’
[HNA 21437/0350 en SAA 5191-7433/3255: 9 sept 1941]
Het ziet er naar uit dat die verwijdering van de joodse leerlingen overal in het land, getrouw is uitgevoerd, maar van gemeentelijk initiatieven het onderwijs voor hen aansluitend, te garanderen lijkt bijna nergens sprake te zijn geweest. Pas eind oktober, als de gegevens verzameld zijn, geeft van Dam de Burgemeesters daarover uitsluitsel:
‘op grond van de ter zake aan mij verstrekte gegevens van oordeel ben, dat de navolgende gemeenten voor vestiging van één of meer scholen voor gewoon lager onderwijs voor leerlingen van Joodschen bloede in aanmerking komen: Groningen, Onstwedde (Stadskanaal), Winschoten, Leeuwarden, Assen, Hoogeveen, Almelo, Deventer, Enschede, Zwolle, Apeldoorn, Arnhem, Nijmegen, Winterswijk, Zutphen, Amersfoort, Utrecht, Amsterdam, Bussum, Haarlem, Hilversum, Laren (N.H.), Zaandam, Zandvoort, ’s-Gravenhage, Leiden, Rotterdam, Wassenaar, Eindhoven, ’s-Hertogenbosch, Oss en Maastricht.’
[SAA 5191-7521/0352]
De joodse kinderen waren toen al zo’n acht weken zonder onderwijs, terwijl in de aanwijzing van Seyss-Inquart [zie § 6] duidelijk staat dat dat niet langer dan vier weken mocht duren.
De gemeentebesturen hadden al die tijd dus een afwachtende houding; de aantallen kinderen waren immers niet zo groot dat het oprichten van een afzonderlijke school gerechtvaardigd en wettelijk mogelijk leek. In zijn schrijven begin september noemt van Dam de aanwezigheid van 50 leerlingen voor de stichting van een afzonderlijke school. Uit de verzamelde gegevens zal hem duidelijk zijn geworden dat dit aantal, zoals dat vastgelegd was in de Onderwijswet, zelden haalbaar was, waarop hij met Generalkommissar Wimmer die de joodse aangelegenheden in zijn portefeuille had, in overleg trad en hem eind november vervolgens schreef dat:
‘Op een enkele uitzondering na, bedraagt het in deze gemeente voor het bezoeken van een Joodsche school voor g.l.o. in aanmerking komende aantal leerlingen ten minste ongeveer (sic) 40 ll aanwezig zijn. In deze gevallen kwam schoolstichting mij noodzakelijk voor.’
[HNA 2.14.37-352]
Naast het probleem met het ‘ten minste ongeveer’ aantal leerlingen, onderkende van Dam ook het tekort aan bevoegde leerkrachten van joodse bloede, met name in de kleinere gemeenten. In de jaren twintig/dertig was ook onder jonge onderwijzers en onderwijzeressen een duidelijk trek naar de grote steden op gang gekomen. Het was daardoor bijna ondenkbaar dat in Ommen, Dordrecht of Sittard een joodse man of vrouw met een onderwijzersdiploma beschikbaar zou zijn. Maar ook daar vond hij een ‘oplossing’ voor, zodat hij in de circulaire van eind oktober kon schrijven, dat:
‘De door mij ontworpen regeling gaat aanvankelijk uit van het standpunt dat deze scholen uiteindelijk onder het bestuur zullen staan en onderhouden zullen worden door den in te stellen Joodschen raad en als zoodanig dus zullen moeten worden beschouwd als ongesubsidieerde inrichtingen voor bijzonder onderwijs. De door mij bovengeschetste opvatting brengt mede, dat de bepalingen der Lager-onderwijswet 1920 op de Joodsche scholen voor gewoon lager onderwijs ten deele niet van toepassing zijn. Zo acht ik b.v. de bepaling dier wet, betreffende het aantal verplichte leerkrachten, op de Joodsche scholen voor gewoon lager onderwijs niet van toepassing, terwijl het mijns inziens geen bezwaar ontmoet, indien gehuwde Joodsche vrouwelijke leerkrachten als onderwijzeres aan zoodanige scholen worden aangesteld.’
[SAA 5191-7521/0352]
Vervolgens verwees hij de Burgemeesters in dit schrijven naar de Centrale Commissie voor het Joodsche onderwijs te Amsterdam ‘opdat een billijke en regelmatige verdeeling der beschikbare Joodsche leerkrachten kan worden bevordert’. En dat is zo’n beetje het laatste wat de Secretaris-generaal van Opvoeding, de gemeenten heeft mede te delen, betreffende zijn zorgen voor de joodse leerplichtige kinderen.
[In de Onderwijswet, versie 1936 zijn criteria voor oprichting van een bijzondere lager school gegeven in art 73.1. In gemeenten met minder dan 25-duizend inwoners zijn er tenminste 50 kandidaat-leerlingen noodzakelijk, wat oploopt met 75 bij meer dan 25-duizend en 100 bij meer dan 50-duizend naar 125 bij gemeenten met meer dan 100-duizend inwoners. Dezelfde aantallen worden in art 22.bis (sinds 1936) ook gehanteerd voor de opheffing van een openbare school - dat moet je dan lezen als ‘bij minder dan 50’ etc. Uiteraard staat het de minister van Onderwijs vrij een uitzondering te maken cq lagere aantallen toe te staan. Maar helaas was de minister ‘uitstedig’. Alhoewel van Dam dat nergens schrijft, is het aannemelijk dat hij, gelet op zijn opstelling dat de scholen ongesubsidieerde inrichtingen voor bijzonder onderwijs zullen zijn, zich beroept op artikelen 73.1 en de mogelijkheid daar een uitzondering op toe te staan. Dat deed hij dan door ‘tenminste ongeveer’ 40 kinderen als norm te noemen in zijn brief aan Wimmer]

[In de verschillende brieven aan de burgemeesters en in zijn brief van 21 nov aan die Wimmer, schrijft van Dam dat de gemeenten door hem zijn ‘aangewezen’. Ik betwijfel echter de wettelijkheid daarvan. In de Onderwijswet ontbreekt zo’n aanwijzingsmogelijkheid door de minister; zeker bij bijzondere scholen is dat recht voorbehouden aan particuliere initiatief (van oa de kerken) Bovendien was sinds de inval in Nederland het recht van aanwijzing voorbehouden aan de Reichskommissar.
Het verzoek en de aanwijzing waren overigens gericht aan de gemeentebesturen. Maar sinds maart 1941 was de gemeenteraad uitgeschakeld en de burgemeester alleenheerser in zijn gemeente en de -vanuit de raad gekozen, wethouders vervangen door een soort super-ambtenaren.]


II
Die Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs was, zoals ik in § 13 beschrijf, nauwelijks eerder gesticht door de Joodse Coördinatie Commissie in den Haag en de Joodsche Raad voor Amsterdam uiteraard onder het voorzitterschap van professor Cohen, die meteen in de eerste vergadering eind sept 1941, stelde dat:
‘de oprichting en voorlopige exploitatie van de scholen voor Joodsche kinderen is opgedragen aan de burgerlijke gemeenten. De burgerlijke gemeenten moeten dus aan de wenschen van de Duitsche autoriteiten en het departement gevolg geven. Al geeft de Centrale Commissie ook ideeën, daarnaast kan ze geen enkele verantwoordelijkheid tegenover het Departement aanvaarden. De Commissie vindt het echter zeer prettig te zijn ingeschakeld.’ [NIOD 182-038/0001 e.v]
De commissie, zo stelde Cohen was beschikbaar voor advies en begon haar taak met een landelijk onderzoek. Een achttal enquêteurs werden erop uit gestuurd [de dames Frank en Troostwijk en de heren Aa, Broekman, Duizend, Soetendorp, Fränkel en de Vries] om de situatie in het land in kaart te brengen. Het gevolg was gedetailleerde rapportages met concrete voorstellen voor combinaties van leerlingen vanuit de verschillende plaatsen, en daar waar de aantallen te klein lijken te zijn en er een schaarste aan bevoegde onderwijzers is, wordt zelfs de aanstelling van een reizende onderwijzer aanbevolen. Limburg, Groningen en Drenthe, maar ook de driehoek Culemborg-Tiel-Zaltbommel moet worden bediend door een reizende meester.
[de hele rapportage, eind oktober 1941, is bewaard gebleven bij het Ned. Israëlisch Kerkgenootschap [N.I.K.]: SAA 1407 map 443 – er zitten allemaal kladjes in die map met de leerlingenaantallen per plaats, in heel het land - waarop vervolgens rayonindelingen zijn uitgeknobbeld – met zelfs de treintijden, bijv van Slochteren naar Groningen vv.
In het tweede deel van deze map zitten getypte en geschreven rapporten van uit de verschillende provincies met gedetailleerde voorstellen voor de organisatie van het onderwijs ter plaatse.]

[de aantallen en de plaatsen waar de scholen werden gesticht heb ik allemaal opgenomen en samengebracht in een excel, zie pijltje onderaan deze paragraaf]

Door uitdrukkelijk elke verantwoordelijkheid af te wijzen trachtte Cohen de overdracht van het joodse onderwijs aan de Joodse gemeenschap, zoals dat door Seyss-Inquart was bevolen, te verhinderen, die schreef immers in het verwijderingsbevel ‘Es ist beabsichtigt, die Unterhaltung und die Aufsicht der Juden-schulen einem zu gründenden jüdischen Rat zu überlassen’. Maar het lijkt me dat Cohen ook beducht was dat de talrijke voorzichtige onderwijs-initiatieven vanuit de synagogen in den lande ongecontroleerd wortel zouden schieten, waardoor de verantwoordelijkheid sluipenderwijs toch bij ‘zijn’ Joodsche Raad zou belanden.
Bij de enquête werden er zo’n kleine vierduizend lagere school leerlingen geteld, overal in Nederland, tot in de kleinste plaatsen, zoals Brielle (3); Terneuzen (1); Ochten (1) en Tiel (6). Zo’n 1.500 daarvan ging in Rotterdam en den Haag naar school.
De Secretaris-generaal noemde in zijn schrijven van eind oktober, 32 gemeenten en op initiatief van de joodse onderwijscommissie en lokale joodse gemeenschappen kwamen daar nog zeker 18 andere plaatsen bij, waar in de kleinsten, zoals Meppel, Sittard en Venlo, nog geen twintig leerplichtige lagereschoolkinderen waren geteld. Als we bij deze aantallen ook de Amsterdamse leerlingen, in het openbaar en bijzonder lager onderwijs tellen, dan waren er toen, september 1941 zeker wel 8.000 joodse lagereschoolkinderen in heel het land.

III
Zoals ik in het eerste blokje al beschrijf, zagen de meeste gemeentebesturen het niet direct als hun verantwoordelijkheid onderwijs voor die joodse kinderen die niet meer toegelaten werden op de openbare scholen, te verzorgen. Het ging ook maar om zeer kleine aantallen en de problemen bij het vinden van goede klaslokalen en joodse onderwijskrachten speelden de plaatselijke onderwijsambtenaren parten. De nieuwe centrale onderwijscommissie maakte zich daar grote zorgen over, zoals die dat meerdere keren aan de Secretaris-generaal liet weten, maar was gelet op het eerder genomen standpunt, niet instaat zelf tot handelen over te gaan.
Verwijderen is één ding maar de continuering van het onderwijs was duidelijk iets anders voor de bezetter en de Nederlandse autoriteiten. Behalve dan de ‘aanwijzing’ van de Secretaris-generaal, ontbrak het aan een duidelijke opdracht tot het stichten van een joodse school. Het gevolg was afwachtendheid van de burgemeesters en de joodse onderwijscommissie, waarop de joodse gemeenschappen her en der in het land zelf het initiatief namen voor het onderwijs en plaatselijke onderwijscommissies vormden. Vooral nadat begin november bekend werd, dat
‘de verantwoordelijkheid voor het niet verwijderen van Joodsche leerlingen van de scholen, welke zij op grond van het op dit stuk verordende niet meer mogen bezoeken, wordt gelegd op de ouders en verzorgers dier kinderen.’
[HNA 21437/0350]
En zo, terwijl Cohen en zijn mede-commissieleden zich daartegen hadden gekeerd, kreeg via de schooldeur van de sjoel, de Joodse Raad meteen al met het joodse onderwijs te maken.
[Er zijn vrij weinig bronnen die deze stelling onderbouwen, behalve dan dat een digitale rondgang langs de vestigingsadressen - die in de documenten van het N.I.K. te vinden zijn, aantoont dat zeker de helft van de nieuwe schooltjes gevestigd waren op het adres van de toenmalige plaatselijke synagoge.]
De gang van zaken in Amersfoort, zoals beschreven door Femke Mooijkind is een goed voorbeeld van de gang van zaken. Omdat er in die gemeente ruim 45 joodse lager schoolkinderen geregistreerd waren, gingen de Amersfoortse onderwijsambtenaren op zoek naar een geschikte locatie voor een joodse lagere school. Ze lieten hun oog vallen op een paar lokalen in het gebouw van de particuliere Amersfoortse Schoolvereniging, maar het bestuur van die vereniging had bezwaren en ook het Departement meende dat onder één dak met niet-joodse kinderen, niet de juiste oplossing was. Dat speelde in de eerste weken van september, waarna de gemeentelijk bemoeienis in het slop raakte en een commissie uit de lokale joodse gemeenschap - op initiatief van mejuffrouw Henny de Vries [1913-30 sept 1943] zelf tot handelen overging. Er werden lokalen gehuurd in het wijkgebouw van de Hervormde kerk aan het Laurens Costerplein en op 1 november 1941 opende het schooltje haar deuren. De commissie stelde Felix van Spiegel [1903-20 mrt 1943] uit Meppel aan als schoolhoofd en Kaatje Cohen [1908-6 mrt 1944] als juf voor de kleintjes. Pas nadat van Dam Amersfoort daadwerkelijk had aangewezen als vestigingsplaats voor een (regionale) joodse school trok de gemeentelijke het schooltje eind november, naar zich toe; nam de huur van de lokalen over en ook de salarisbetalingen aan de twee leerkrachten. Het schooltje telde toen 43 leerlingen allemaal uit Amersfoort en daar kwamen nog wat kinderen bij uit Soest en andere kleine plaatsen bij. De gemeentelijke bemoeienis beperkte zich gedurende dat eerste schooljaar uitsluitend tot die betalingen, totdat de school in oktober 1942 door de Joodsche Raad werd overgenomen. In het tweede schooljaar zakte het leerlingental gestaag tot onder de twintig, maar het schooltje bleef bestaan tot 1 april ‘43 toen werd het gesloten ’wegens gebrek aan leerlingen’. Ondertussen was schoolhoofd Felix van Spiegel al naar Duitsland afgevoerd.
[met dank aan Femke Mooijkind]
Ook in Hilversum blijkt de gemeentelijke overheid niet van harte mee te werken, gelet op wat Simon Birnbaum namens de plaatselijke joodse gemeenschap op 25 november 1941 aan de burgemeester van Hilversum schrijft:
‘In vrijwel alle gemeenten is het onderwijs voor de leerlingen hervat. In Hilversum is dat nog niet het geval en de indruk wordt gewekt, dat ook per 1 december a.s. de lagere school voor leerlingen van Joodschen bloede niet zal zijn geopend’
Het duurde daarna nog tot halverwege januari 1942 voordat de gemeentelijke afdeling onderwijs een joodse lagere school vestigde in een villa aan de Utrechtseweg (op nr 64). Denkbaar is dat dat talmen te wijten was aan de fanatieke NSB-burgemeester, maar wat de gemeente zeker parten zal hebben gespeeld was de beschikbaarheid van leerkrachten. De registratie had opgeleverd dat er ruim 150 leerplichtige joodse kinderen in het Hilversumse waren en daar had je toch wel vier joodse leerkrachten voor nodig. Uiteindelijk werd Menni Leefsma (1894-31 mrt 1944) uit Zandvoort overgeplaatst naar Hilversum om daar als schoolhoofd, tezamen met A.J. van Someren, juf H. Waterman en mevrouw E van Leersum-van Lier vanaf januari 1942 het nieuwe schoolteam te vormen. Het heeft allemaal echter niet lang mogen duren want de joodse bevolking van Hilversum werd al in juni 1942 gedwongen geëvacueerd naar Amsterdam.
[met dank aan C.M. Abrahamse]

Opvallend is de situatie in den Haag; zoals Wally de Lange die beschrijft. Daar gingen net zoals in Amsterdam (en Rotterdam) al ruim voor 1940 vrij veel joodse leerlingen naar school op een paar scholen in de oude binnenstad. Die hadden dan ook een sabbat-regeling (zaterdag vrij - woensdag langer les) en boden binnen het facultatieve godsdienstonderwijs, ook joodse lessen aan.
Toen de joodse leerkrachten werden geschorst en vervolgens ontslagen [nov ’40 – mrt ‘41] bedachten ze op de Haagse afdeling Onderwijs het plan, deze onderwijskrachten op die scholen te plaatsen om zo de schorsingsmaatregel te omzeilen. Om dat aanvaardbaar te maken werden toen de scholen in de Bezemstraat nog maar alleen toegankelijk voor joodse kinderen. Dat alles gebeurde na overleg met de chef Kabinet van het Departement van Opvoeding, Fockema Andreae. Maar even voortvarend als deze verjoodsing startte werd die abrupt stopgezet, omdat van Dam’s kabinetschef waarschuwde dat de kans bestond dat die scholen onbekostigd zouden kunnen raken.
Maar in september ’41 toen de scheidingsmaatregel van kracht werd, kon die vrij geruisloos gebeuren omdat net zoals bij een aantal scholen in Amsterdam [en in Rotterdam bij de scholen aan het Molenpad] eigenlijk juist alleen een handjevol niet-joodse leerlingen overgeplaatst moesten worden van die Bezemstraatscholen. De Burgemeester van den Haag schrijft het zo aan de SG:
‘De van de openbare en bijzondere scholen voor gewoon lager onderwijs onderscheidenlijk afkomstige 846 en 113 leerlingen, als mede de 13 van de openbare lagere onderwijs-kopscholen afkomstige leerlingen zullen alle geplaatst kunnen worden in de openbare scholen voor gewoon lager onderwijs A, B en C Bezemstraat 3 en in de bij mijn besluit van 19 september 1941 weder voor het lager en/of uitgebreid lager onderwijs bestemde voormalige lagere scholen Duinstraat 10 en Waalstraat 32. Ik merk hierbij op, dat reeds 392 dezer leerlingen voor 1 September 1941 geplaatst waren op de uitsluitend voor Joodsche leerlingen bestemde scholen A en B Bezemstraat 3.’
[HNA 21437/0350 24 sept ’41]
[met dank aan Wally de Lange]
Bij de enquête door de Joodse Onderwijscommissie werd ook vastgesteld dat er nog al wat kinderen in kleine plaatsen onmogelijk naar een verder weg gelegen te stichten joodse school konden reizen. Dat gold bijvoorbeeld voor alle leerplichtige lagereschoolkinderen in Zeeland, waarvan er vijf in Middelburg waren geteld, een in Zierikzee en ook nog eentje in Terneuzen . Niet alleen in het Zeeuwse maar evenzo op de Zuid Hollandse eilanden (13 kinderen), in Wageningen (2), Dieren (1), Harderwijk (5) en tal van kleine dorpen in het Groningse (bij elkaar 40 kinderen), was het organiseren van onderwijs onmogelijk en de afstanden te groot om naar een joodse school elders te reizen. Zowel het Departement als de Joodse Onderwijscommissie werden overladen met tal van verzoeken een ‘exceptie’ toe te staan, waarop van Dam zich begin december ‘41 weer eens tot Kommissar-general Wimmer wendde en pleitte een uitzonderingen mogelijk te maken voor de leerlingen die op een lange, bij de brief gevoegde lijst, in aantallen en plaatsen worden vermeld.
‘Derhalve acht ik het raadzaam, dat voor Joodsche leerlingen in die plaatsen, welke geen of een slechte spoor- of tramweg-verbinding hebben met steden, waar een Joodsche school bestaat, een uitzondering worden gemaakt.’
Zover is na te gaan is door de bezetter, in geen van deze gevallen zo’n exceptie toegestaan, waarop Van Dam volstond de burgemeesters en de onderwijscommissie te antwoorden dat thuisonderwijs de enige juiste oplossing zou zijn. Niet veel later deed een ambtenaar op het Departement aan van Dam de suggestie dat deze verspreid wonende kinderen beter verzameld zouden kunnen worden in een daartoe op te richten internaat met school. Zelfs in juli, de evacuaties naar Amsterdam waren in volle gang en de transporten naar Duitsland al begonnen, wendde van Dam zich nog eens tot Ministerial Rat dr. Schwartz, de toezichthoudende Duitse ambtenaar op zijn departement. Hij uitte opnieuw zijn zorgen dat zoveel kinderen problemen hebben, door het reisverbod, waardoor de kinderen en de onderwijzers gedupeerd worden en dat het wegvoeren (naar arbeitslager) van Joodse leerkrachten in sommige plaatsen het onderwijs zo goed als onmogelijk maken.
Het ziet er naar uit dat in de meeste (kleinere) plaatsen het joodse onderwijs in een isolement terecht kwam, de gemeente betaalde dan wel de salarissen van de leerkrachten (zo’n 90 exclusief die in den Haag en Rotterdam) maar verder bemoeide niemand van buiten de joodse gemeenschap zich er verder mee. Het was immers al snel duidelijk - gelet op de berichten vanaf maart 1942, dat binnen afzienbare tijd de joodse aanwezigheid in al die gemeenten zou eindigen, door evacuatie naar Amsterdam en daarna naar elders, tot over de landsgrenzen. Al bij aanvang van het tweede schooljaar waren er bij de overdracht aan de Joodsche Raad, van de 41 scholen buiten Amsterdam (en excl. den Haag en Rotterdam) die begin dat jaar door het Nederlands Israëlisch Kerkgenootschap waren geteld, al meer dan twintig gesloten; een paar maanden later, voorjaar 1943 is het helemaal afgelopen.

zie ook in het hoofdmenu (nieuw) artikel 4 :
SCHOLEN IN DE MEDIENE

images/docs/joodse_lagere_scholen_in_het_land_1942.pdf ALLE SCHOLEN IN HET LAND

§ 18 het geld
I
Zoals de bezetter in zijn aanwijzing van 8 augustus had bepaald: Es ist beabsichtigt, die Unterhaltung und die Aufsicht der Juden-schulen einem zu gründenden jüdischen Rat zu überlassen. Biss dahin müssen diese Schulen aus öffentlichen Mitteln finanziert werden, kwam het onderwijs aan de joodse leerplichtige kinderen in het eerste schooljaar geheel en al ten laste van de Rijksoverheid. Dat was volledig in lijn met de Onderwijswet van 1920, waarbij de bevoorschotting en het declareren door de gemeenten bij ’s-Rijks schatkist was geregeld. Dat ging goed daar waar deze nieuwe joodse scholen feitelijk geen uitbreiding van het plaatselijke scholenbestand betekenden, dat was eigenlijk alleen in Amsterdam (en in den Haag, Rotterdam en Groningen) het geval. Daar kwamen de meeste joodse scholen immers tot stand door een ‘simpele’ uitruil van joodse en niet-joodse leerlingen en verliep de ‘herschikking’ bijna helemaal ‘budget-neutraal’.
Anders lag dat in de andere gemeenten waar een joodse school noodzakelijk bleek te zijn. Daar betrof het de uitbreiding van de plaatselijke onderwijs-formaties, met bij elkaar ruim 80 leerkrachten en een 30-tal nieuw gehuurde onderwijslocaties. Het is aannemelijk dat de afwachtendheid van de meeste burgemeesters werd ingegeven door hun ervaring met allerlei niet-declarabele kosten vanwege de vele maatregelen die de bezetter inmiddels al had uitgevaardigd. Secretaris-generaal van Dam, van het opvoedingsdepartement kwam de burgemeesters eerst tegemoet door de stichtingsnorm te verlagen naar ‘tenminste ongeveer 40 leerlingen’. Vervolgens ging hij over tot het ‘aanwijzen’ van de gemeenten en gaf hij aan: ‘Het is de bedoeling regels te geven voor de terugbetaling door de Joodsche Raad van wat uit de openbare kas ten behoeve van de Joodsche Scholen is besteed.’ [HNA 21437/00352]
Maar van Dam maakte zichzelf ook zorgen, zoals blijkt uit de brieven die hij aan General-kommissar Wimmer die belast was met het joodse vraagstuk, stuurde. Hij informeerde hem over het systeem van bevoorschotting en declareren telkenjare in januari en juli en gaf aan dat deze extra-uitgaven onmogelijk ten laste van de reguliere onderwijsbegroting van zijn departement konden komen. Er moest dus, vond hij, een extra krediet worden aangevraagd bij de Thesaurier-generaal, ‘ten behoeve van de Joodsche scholen voor gewoon lager onderwijs in gemeenten, welke voor de stichting van een zoodanige school door mij zijn aangewezen.’
Vijf maanden later informeerde van Dam de Beauftragte voor Amsterdam:‘Het was de bedoeling van General-kommissar Wimmer, dat het beheer en de financiering van die scholen zou berusten bij de Joodsche gemeenschap, zoodat de kosten, aanvankelijk voor de Joodsche scholen gemaakt, ten slotte door die gemeenschap zouden worden gedragen.’ [HNA 2.14.37/352] Alleen al uit dat ‘het was de bedoeling’ klinkt door dat van Dam dat geenszins aannemelijk achtte. Niet veel later schrijft hij vertrouwelijk weer aan Wimmer
‘Nu is mij intusschen ter oore gekomen, dat de Duitsche autoriteiten in zooverre wijziging in hun vroegere standpunt zouden hebben aangebracht, dat zij overwegen de kosten ten laste van het Rijk te brengen. Hierdoor zou het Rijk echter voor grooter uitgaven komen staan dan strikt noodig is. De oplossing schijnt mij deze, dat op zeer korten termijn den Joodschen Raad wordt opgedragen een regeling te treffen voor het bekostigen der scholen en wel in dier voege, dat hij daarvoor op de normale wijze van Overheidswege wordt gesubsidieerd’
Aannemelijk is dat van Dam bedoelde de Joodsche Raad aan te merken als een instelling voor bijzonder onderwijs, waardoor op grond van de Onderwijswet, normaal recht op subsidie uit ‘s-Rijk kas zou ontstaan. Waarop ‘de Raad zal dan moeten beginnen met een bedrag beschikbaar te stellen, om de voorschotten der gemeenten terug te betalen.’ [HNA 2.14.37/352]
Tegen het eind van dat eerste schooljaar lijkt het geregeld, dat de bezetter instemt dat de nieuwe onderwijsuitgaven ten laste van ’s-Rijks kas komen. Dat schreef Ministerialrat Schwartz, die namens de bezetter toezicht hield op het departement, eind juli aan van Dam, maar dan moest men zich wel inhouden met betrekking tot het aantal en omvang van de scholen. Inmiddels was vanaf maart, de concentratie in Amsterdam op gang gekomen en waren vervolgens de transporten naar de vernietigingskampen aangevangen. Desondanks ging de strijd over de onderwijsbekostiging door.

II
De wisseling en tegenstelling in de standpunten over die bekostiging bleef maandenlang het grootste struikelblok voor de overdracht van de scholen aan de Joodsche Raad [zie § 14]. De strijd speelde zich af tussen het departement van Opvoeding en dat van Financiën waar de NSB-er Rost van Tonningen de scepter zwaaide, maar de Secretaris-generaal Karel Frederiks bemoeide zich er ook mee, omdat zijn departement van Binnenlandse Zaken de Judenangelegen-heiten bestierde. Totdat Reichskommissar Seyss-Inquart ingreep en alle aangelegenheden inzake de joodse kwestie opdroeg aan Doktor Werner Schröder de nieuwe Beauftragte für die Stadt Amsterdam, waaronder ook ‘Erziehung und Unterrichts der Juden’ viel, dat ging gepaard met drie brieven aan de Joodsche Raad, halverwege augustus 1942, waarin de ‘Neuregelung der Verwaltung der jüdischen Schulangelegenheiten und Bildung eines jüdischen Erziehungsfonds’ werd aangekondigd.
Die ochtend dat Sonderbeauftragte Schröder zijn drie brieven liet opstellen vond op het Departement een bespreking plaats waar Cohen en van der Velde, als voorzitter en secretaris van het nieuw gevormde Joodse Schoolbestuur. Daar raakten ze er van doordrongen dat de joodse scholen, allemaal én in heel Nederland binnenkort overgedragen zouden worden. De laatste hindernissen waren duidelijk genomen, de bezetter had ingegrepen in de controverse tussen de drie Departementen van Onderwijs, Financiën en Justiz en had besloten tot subsidiëring. Het bedrag stond nu ook vast, 80 gulden per jaar, voor elke leerplichtige leerling.
Die 80 gulden leverde van der Velde, met de 12.500 leerlingen die volgens hem nog aanwezig waren, één miljoen gulden op, terwijl zijn berekeningen erop neer kwamen dat er zo’n 2,5 miljoen nodig zou zijn voor het joodse onderwijs in heel Nederland. De ambtenaren van het Departement van Financiën verzekerden hem echter dat er - naast dat subsidiebedrag, sprake zou zijn van ‘een fonds, dat door de Duitse autoriteiten beschikbaar zou worden gesteld bij de firma Lippmann, Rosenthal & Cie, uit kapitaal dat bij deze firma berust’.[NIOD 182-107/061]
Anderdaags, terug op kantoor begreep van der Velde, uit die brief van 12 augustus, dat het Erziehungsfonds uitsluitend en alleen gevormd zou worden met die 80 gulden per joodse leerling en voorzag hij grote problemen bij de bekostiging van al die joodse scholen in heel Nederland, zodra de Joodsche Raad die toegeschoven kreeg.

III
Dat bekostigingsprobleem speelde niet het jaar daarvoor toen Secretaris-generaal van Dam in augustus 1941, de gemeentebesturen opdroeg het onderwijs aan joodse kinderen in aparte scholen onder te brengen. In Amsterdam [en in de andere grote steden, Den Haag, Rotterdam, Groningen waar ook substantiële aantallen joodse leerlingen school gingen] werd dat ambtelijk vooral gezien als een ‘hergroepering’ waarbij vrij grote groepen kinderen van de ene naar de andere school werden overgeheveld, zonder noemenswaardige financiële gevolgen.
Sinds november 1940 toen de joodse leerkrachten moesten vertrekken, kampten de scholen met nogal wat opengevallen plaatsen, die sindsdien deels werden bezet door invallers en kwekelingen. Door die hergroepering van scholen en leerlingen, konden die ontslagen joodse onderwijzers en onderwijzeressen weer worden aangesteld en was het vacatureprobleem in een keer opgelost. Ook werd de kans gegrepen enkele kleinere scholen op te heffen. De hele onderwijsorganisatie waar in Amsterdam zo’n 31 gemeentelijke lagere scholen in betrokken raakten, kon zo feitelijk binnen het bestaande gemeentelijke budget voor het lager onderwijs worden uitgevoerd. In het besluit van 12 september 1941 van de Burgemeester, tot oprichting van de Joodsche scholen wordt immers niet gewezen op enige financiële consequentie voor de gemeentebegroting.
Des te opmerkelijk is dan, dat in het begrotingsjaar 1942 tot drie keer toe afzonderlijke budgetten (kredieten) worden vastgesteld voor het openbare joodse onderwijs, twee keer van 141.000 gulden en de laatste voor het derde kwartaal van 1942 wordt er zelfs 150.000 extra vrijgemaakt, omdat, zo schrijft de Burgemeester op 14 juli 1942 aan Secretaris-generaal van Dam :
‘… waar de stad steeds meer het centrum van het Joodsche onderwijs van het geheele land begint te worden. Amsterdam herbergt vele Joodsche kinderen uit gemeenten, die zelf Joodsche scholen in stand hielden, doch deze wegens het vertrek de gezinnen naar Amsterdam hebben moeten sluiten, waardoor de lasten van Amsterdam zijn toegenomen, terwijl die voor de bedoelde gemeente zijn verminderd.’[SAA 5191-7530/0661]
Ter toelichting van het eerste krediet in januari 1942 schrijft Burgemeester Voûte:
'Bij het ramen van de uitgaven der Gemeente voor het jaar 1942 werd geen rekening gehouden met de inkomsten en uitgaven van de door de Gemeente ingerichte scholen voor Joodsche kinderen, daar verwacht werd dat deze scholen voor 1 Januari 1942 zouden worden overgenomen door den Joodschen Raad' [SAA Gemeenteblad 1942 afd 1A p 64 en 258]
De motivering van de Burgemeester komt nogal vreemd over, het is immers niet aannemelijk dat het onderwijs aan joodse leerlingen op afzonderlijke scholen, meer kostte dan voordien. Bovendien was het zo dat de onderwijskosten (openbaar en bijzonder) weliswaar door de gemeenten werden betaald maar vervolgens konden worden gedeclareerd bij het Rijk, zoals dat sinds 1920 in de onderwijswet was bepaald.
En bovendien, bij eerdere reorganisaties van het onderwijs, had de afdeling Onderwijs altijd het motief gehad ‘boventalligheid’ op te lossen. Ook nu, bij de ‘hergroepering’ in september 1941, werden niet alleen de joodse leerlingen herschikt, maar meteen ook enkele probleemscholen gesloten en de gemeente daardoor verlost van een aantal boventallige leerkrachten. Alles bij elkaar was er dus voor de burgemeester geen enkele aanleiding zich er zorgen over te maken dat de joodse leerlingen de gemeentelijke onderwijsbegroting zwaarder zouden belasten dan het jaar daarvoor.
Bij die ‘hergroepering’ (zoals het in het rapport van 29 juli wordt genoemd) waren 31 openbare lagere scholen betrokken, met 181 leerkrachten en 8.025 leerlingen. Vervolgens werden er 17 joodse lagere scholen opgericht met 101 leerkrachten (en 3.983 ll) en bleven er van die 31 slechts 14 algemene openbare scholen over, met 89 leerkrachten en 3.425 leerlingen. 101+89 lk is 200, dwz 19 leerkrachten meer dan voor deze reorganisatie.
Als we de lijst van scholen die in deze reorganisatie werden betrokken bestuderen, ontkomen we niet aan de indruk dat de gemeente dankbaar gebruik maakte van dit moment om een zestal ‘probleemscholen’ die onder de bekostigingsnorm zaten, te sluiten. Toch vertoonde het resultaat een plus 19, dat kan niet allemaal op het conto van de joodse scholen worden geschoven, in de eerste plaats was er hier sprake van het effect van de verlaging van de klasse-norm, zoals de bezetter in maart ’41 had afgekondigd. Van gemiddeld 44 naar 39 leerlingen per klas, dat leverde dus (in moderne termen) aardig wat werkgelegenheid op.
Maar bij die nieuwe joodse scholen, waren er meteen twee met te weinig leerlingen om welke bekostiging dan ook te rechtvaardigen. In Amsterdam West werd één school geopend voor alle joodse kinderen in dat stadsdeel [met in totaal 280.000 inwoners waarvan plm. 3.000 joods, met zo’n 100 lagere schoolkinderen]. De school kreeg een hoofd en twee onderwijzeressen [Mozes Goubitz, Grietje Mol en Sara Stern] maar toen de deuren op 18 september opengingen verschenen er maar 57 kinderen. (volgens de nieuwe klasse-norm zou met twee onderwijzers kunnen worden volstaan). Ook twee Montessori-leidsters op 31 leerlingen op de Montessori-dependance in de Transvaalbuurt was wel aan de royale kant.
[De bekostiging van het onderwijs was een zaak van het Rijk, vastgelegd in de Onderwijswet van 1920. De gemeenten konden de onderwijsuitgaven verhalen op het Rijk, mits voldaan werd aan de regels, zoals die golden tav de leerlingen-norm.
Die norm was door de bezetter per maart 1941 verlaagd naar gemiddeld 42 leerlingen per onderwijzer, met een maximum van 255 ll op de zes leerjaren [was daarvoor 285].
Voor het goede begrip, het werkte zo : daalde het aantal leerlingen onder die 255 dan was één van de zes leerkrachten ‘boventallig’ en werd (in principe) diens ‘wedde’ niet door het Rijk vergoed en kwam dus ten laste van de Gemeentekas.
In het schooljaar 40/41 waren dat in Amsterdam zo’n 38 leerkrachten in het lager onderwijs. Dat daalde na de invoering van de nieuwe schaal naar 8, maar in december 1941 waren het er alweer 23, mede veroorzaakt door de herschikking van de scholen ivm het vertrek van de joodse leerlingen en de oprichting van de nieuwe gemeentelijke joodse scholen.]
[SAA 5191-7381/2129]

images/docs/opheffen_en_oprichten.pdf OPHEFFEN en OPRICHTEN

IV
Tachtig gulden per leerling voor het hele schooljaar, daar werd onderwijschef Isaac van der Velde dus mee geconfronteerd. In de maanden daarvoor had hij een begrotingsproeve laten opstellen die uitkwam op zo’n 2,5 miljoen en nu werd het hem duidelijk dat het joodse onderwijs afgescheept ging worden met minder dan de helft. Bovendien verschoof de wijze van bekostiging van de reguliere leerkracht-gerelateerde financiering, zoals in de onderwijswet was vastgelegd naar een bedrag per leerling. Vanzelfsprekend dat dat enorme verschillen ging leveren, want zeker in het bijzonder onderwijs en bij de nijverheidsscholen was het aantal leerlingen per leerkracht vrij klein, waardoor er daar sprake was van relatief grote schoolteams.
uit de Onderwijswet 1920 (versie 1936)
Art. 56. 1). Over elk dienstjaar vergoedt het Rijk aan de gemeente de jaarwedden der hoofden en der volgens de artikelen 27 en 28 verplichte onderwijzers, alsmede de jaarwedden of wedden van hen, die overeenkomstig artikel 41 zijn aangewezen voor tijdelijke waarneming ener betrekking van onderwijzer of van hoofd der school. Wanneer verplichte meer onderwijzers aan een school zijn verbonden, wijzen burgemeester en wethouders volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen aan, wie tot het wettelijk verplicht aantal behoren; deze aanwijzing geldt voor het verdere deel van het jaar. Van deze aanwijzing wordt aan belanghebbende mededeling gedaan 2). In bijzondere gevallen, den Onderwijsraad gehoord, kan de in het eerste lid bedoelde Rijksvergoeding voor een jaar of een gedeelte van een jaar worden verleend voor één of meer onderwijzers boven het in dat lid bedoelde aantal.
Natuurlijk was er op de cijfers van van der Velde wel wat af te dingen. Het punt was dat de calculaties waren gebaseerd op gemiddelde bedragen per type onderwijs, vermenigvuldigd met de landelijke leerlingenaantallen die de toenmalige onderwijscommissie van de Joodsche Raad in januari 1942 ter beschikking had. Maar zeker sinds in juli de transporten waren aangevangen, mocht hij er van uit gaan dat zijn cijfers niet meer klopten. Hij had er wellicht beter aan gedaan zijn berekeningen te baseren op Amsterdamse cijfers. Het gemeentelijke krediet voor de eerste drie maanden was 141.000 gulden, en dat gedeeld op het aantal in januari 1942 in het Amsterdamse openbare joodse onderwijs aanwezige kinderen ( 5.347) leverde een bedrag van ruim 26 gulden op, voor drie maanden. Dat week dus niet zoveel af van die 80,- per jaar, waar hij zo van geschrokken was, maar des temeer van het gemiddelde rond de 200 gulden waar hij in zijn begrotingsproeve op uit was gekomen.
We weten overigens niet wat in dat Amsterdams krediet wel en niet aan kosten was meegenomen; wel weten we dat de gemeente een paar maanden later bij de Joodse Raad een rekening neerlegde van fl. 48.409,08 voor de onderwijsuitgaven, ná 31 augustus 1942; dus betreffende de periode tot de overdacht begin december, daar zat ook het onderhoud bij en verwarming en verlichting)
Hem restte niets anders dan de leerlingen, die per september 1942 ‘zwischen den 1. September 1927 und dem 31. August 1935 geboren sind’op een rijtje te krijgen om vervolgens die als maatstaf te laten accepteren door de ambtenaren op het Departement van Financiën, want die ging zoals in Schröder’s brief van 12 augustus stond, de betaling van dat subsidie op bank Lippmann doen.
Bij de vaststelling van de aantallen deed zich nog een apart probleem voor, de bezetter, bij monde van de Sonderbeauftragte hanteerde die het begrip ‘jüdischer Volksschüler’ en in eerste aanleg werden daar niet de leerlingen in het Middelbaar, Hoger en Nijverheids-onderwijs onder verstaan.
Hier wreekte zich het verschil tussen het Duitse en Nederlandse onderwijsbestel, maar van der Velde verwees uitdrukkelijk naar de Nederlandse leerplichtwet en dat er een toezegging was dat de bekostiging zou gelden voor kinderen tussen het 7e en het 15e jaar. Zo kwamen er nog eens 1.295 kinderen bij, dat werd vastgesteld door het Departement van Financiën. Daarna kwam er nog een correctie van een enkele lagere schoolleerling in Eindhoven, en kwam het leerlingen-aantal geteld per 1 september 1942, uit op een totaal van 8.712 [6.670 (lo) + 747 (ulo) + 1295 (vhmo en no)]. Ondertussen was al 300.000 gulden op de rekening bij Lippmann gezet, dus werd door het Departement besloten dat aan te vullen tot 348.480,- voor het eerste halve jaar.
Maar halverwege januari 1943 ontstond opnieuw onduidelijkheid; het Onderwijsbureau had her en der in het land nog 100 kinderen gevonden, die dus moesten worden toegevoegd, waarop het bedrag voor het eerste halfjaar weer werd bijgesteld. Vervolgens wilde van der Velde op 1 maart 1943 ook nog de kinderen in ‘de kampen’ toevoegen; dat waren er in Westerbork 1005, in Vught 150 en in Barneveld, 30. Althans dat waren de schattingen; ik denk dat het dubbelingen waren, die kinderen waren immers eerder elders meegeteld. Het Departement hield het dan ook op die 8.712, voor het eerste half jaar.
Het was toen al maart 1943 en kwamen de cijfers voor de tweede helft van het schooljaar binnen; 4.484 waren er geteld, in het lager onderwijs. Een jaar eerder was dat nog het dubbele. Ook nu was er weer verwarring over de aantallen en werd het uiteindelijk vastgesteld op 5.213 leerlingen in het hele land, wat zo’n twee ton opleverde om het schooljaar af te maken.
Latere correcties zijn niet aangetroffen; ik denk dat de ambtenaren het bij die 5.213 hebben gelaten, beseffende dat het binnen een paar maanden best wel eens afgelopen zou kunnen zijn. Buiten de grote steden waren immers bijna alle scholen al gesloten; wat restte was het onderwijs in Amsterdam, waar ook de laatste kinderen uit de Mediene inmiddels waren gecentraliseerd.

images/docs/scholen__leerlingen_1942-1943.pdf SCHOLEN en LEERLINGEN

V
Ondertussen was de overdracht vrij geruisloos verlopen en draaiden de scholen in januari 1943 gewoon door. Maar nog voor de wintervakantie van 42/43 [‘kerstvakantie’ had voor de joodse scholen afgedaan] was een vrij forse reorganisatie doorgevoerd, waarover Onderwijschef van der Velde begin januari aan de voorzitters van de Joodsche Raad schrijft:
'De financiële gegevens, die het Bestuur [het bestuur van het joodse Onderwijs in Nederland] tijdens de overname van het onderwijs in de verschillend gemeenten ter beschikking kwamen, gaven het Bestuur aanleiding met grote spoed verschillende reorganisatie-maatregelen te nemen.
Het onderwijs, dat door de gemeenten in het algemeen gesproken, op lofwaardige wijze was georganiseerd, kon onmogelijk in de bestaande omvang worden gehandhaafd, aangezien de organisatie daarvan nog niet was aangepast aan het sterk verminderde aantal leerlingen.
Met ingang van 1 december j.l. zijn verschillende scholen opgeheven of samengevoegd, waardoor een besparing op de kosten kan worden verkregen.
Benevens is het Bestuur van oordeel, dat ook de bij de gemeenten bestaan hebbende salariëring van het personeel, niet op dezelfde voet als tot dusver kan worden gehandhaafd. Bovendien bestaan er grote verschillen in de salarisregelingen van de verschillende gemeenten.’

[NIOD182-163/051]
Wat van der Velde niet in dit verslag vermeldt, zijn de zorgen over de kosten van het Onderwijsbureau van de Joodse Raad, dat juist op advies van het Onderwijs-departement stevig was uitgebouwd. De uitgaven voor het bureau beliepen ondertussen ruim 1.000 per maand, alleen al aan personeel, dat kon dus echt niet uit het subsidiebedrag per leerling en daar ontstond een kleine strijd met voorzitter Cohen.
Van der Velde had juist aldoor gepleit, al vanaf de opheffing van de Centrale Commissie, [zie § 13] voor de zelfstandige positie van zijn onderwijsbureau en het nieuwe joodse schoolbestuur binnen de vrij logge en bureaucratische organisatie van de Joodsche Raad. Maar nu, gelet op het beperkte subsidie voor het onderwijs, zou hij toch graag zien dat de apparaatskosten (tegenwoordig heet dat ‘overhead’) door de Raad worden gedragen.
[Onduidelijk is dan hoe de organisatie van de Joodse Raad zelf, met zo’n achthonderd medewerkers werd gefinancierd; subsidie van het Rijk zat er niet in, dus betaalde de joodse gemeenschap er zelf voor. De Jong rept (V p 527) van een ‘belasting’ die Joodse burgers aan de Raad moesten betalen, maar dat kan vast niet voldoende zijn geweest bij zo’n groot personeelsbestand. Ook Presser (vanaf p 492) heeft het over een ‘verplichte bijdrage’ maar zijn verhaal is - ook hier, nogal warrig]
De discussie duurt voort tot in de vergadering van half januari 1943, waarin van der Velde stelt dat er geen geld is om de januari salarissen te betalen en dat hij zich afvraagt of het wel gerechtigd zou zijn om bureaukosten uit het onderwijs-subsidie te betalen.
Maar de Financiële Commissie van de Raad geeft geen krimp, de salarissen worden dan wel voorgeschoten, maar regulier het budget voor het bureau buiten de onderwijsbegroting plaatsen, zoals van der Velde voor ogen heeft, dat geeft geen pas, wordt geconcludeerd. De discussie verplaatst zich naar de benoemingen van het onderwijspersoneel; als de Raad betaalt, beslist die vanzelfsprekend ook de benoemingen. Dat gaat van der Velde te ver, waarop hij verzucht dat het spijtig is dat indertijd niet is gekozen voor een echt zelfstandige stichting voor het Joodse Onderwijs, dat had wel de instemming van de bezetter, maar ook toen lag de Raad, bij mondde van voorzitter Cohen, dwars.
Uiteindelijk werd besloten, het was toen al 4 maart 1943, af te wachten wat het financiële resultaat van het joodse onderwijs over de afgelopen maanden zou zijn. De afrekening over die eerste periode waar van der Velde op wilde wachten, is er waarschijnlijk nooit gekomen, terwijl in de vergadering van het schoolbestuur van 17 juni, besloten werd het onderwijsbureau drastisch te reorganiseren, omdat talloze medewerkers verdwenen zijn.

VI
Zoals van der Velde in zijn verslag in januari schreef, werden er meteen bij de overdracht begin december, een aantal scholen opgeheven of samengevoegd, waardoor een besparing op de kosten werd verkregen.
In Amsterdam betrof dat uitsluitend die scholen die september 1941 door de gemeente waren opgericht. Het nieuwe joodse onderwijsbestuur voegde deze 19 scholen samen tot 14. Zo verdween er in de ‘Oude Jodenbuurt’ een van de vier, dat was wel vanzelf-sprekend daar het leerlingental daar, was teruggelopen met 300 leerlingen; zo’n beetje een hele school dus. Terwijl de drie scholen in de Rivierenbuurt, waar inmiddels zo’n 250 kinderen verdwenen waren, samengevoegd werden tot twee, bovendien samen in één schoolgebouw.
De enige niet-gemeentelijke school die gesloten werd was het schooltje van het weeshuis Megadle Jethomiem, de zestig leerlingen die er daar nog waren verhuisden naar de Talmud Tora school in de 2e Boerhaavestraat, samen met hun hoofdonderwijzer meester Bruin. Vervolgens werden de vier bijzondere scholen aangepakt; door het samenvoegen van de relatief kleine klassen, konden er daar vijf onderwijs-banen worden geschrapt.
Het effect van dit alles was dat in Amsterdam het totale lager onderwijs-corps meteen na de wintervakantie 42/43 verkleind was van 151 docenten naar 107 [van 114 naar 81 bij de ‘openbaren’ incl blo en vglo, en van 37 naar 26 bij de confessionelen].
Voor het onderwijsbudget pakte dat positief uit, want terwijl er eerst gevreesd werd voor aanzienlijke tekorten op basis van die 80 gulden per leerling, bleek al snel dat de aan de reorganisatie aangepaste begroting sluitend was, zoals de Begrotingscommissie van de Joodse Raad met voldoening vaststelde in haar 2e aanbiedingsbrief van 5 januari 1943.

images/docs/onder_beheer_Joodse_Raad.pdf ONDER BEHEER van de JOODSCHE RAAD

VII
Meteen in oktober ‘42 presenteerde van der Velde zijn eerste onderwijsbegroting aan het schoolbestuur, gebaseerd op die 80 gulden per leerling. Het bestond uit twee delen; het eerste voor de periode september-december, sloot met een tekort van 90 duizend en het tweede deel voor de aansluitende maanden tot maart 1943, vertoonde een tekort van 21 duizend; totaal dus ruim een ton in de min op een begroting van 4,5 ton voor dat eerste half jaar. Ter toelichting schrijft de Begrotingscommissie:
‘Het hierbij gaande ontwerp is dientengevolge slechts een ruwe benadering der kosten, waarbij, wat het aantal leerlingen, het aantal scholen en de aan die scholen verbonden leerkrachten betreft, aangenomen is, dat de toestand, zoals die omstreeks September 1942 bestond, gedurende het gehele schooljaar gehandhaafd zal blijven. Vast staat, dat deze premisse onjuist is, maar als wij anders gehandeld zouden hebben, zouden wij vooruit gelopen zijn op beslissingen, die nog genomen moeten worden.’
[NIOD 182-163/52]
Op een uitgetypt en zes kwartovelletjes lange versie van deze begroting, zijn in potlood in de beide marges aanpassingen van de getypte bedragen geplaatst. In de linker marge zijn het nieuwe cijfers voor de onderwijsperiode december- maart, terwijl de bijgeschreven cijfers aan de rechterzijde blijkbaar dienden als eerste proeve voor een begroting voor de rest van het schooljaar. Uit de reconstructie van al dit gecijfer [zie bijlage] valt af te lezen dat de begroting voor de eerste drie maanden vanaf de overdracht, mede door de bezuinigingen, sluitend en uitvoerbaar was.
Maar dat gold niet voor de daaropvolgende periode: maart-april-mei 1943. Uit de cijfers die in potlood zijn bijgeschreven op die getypte versie, blijkt dat er in die drie maanden afgestevend zou worden op een tekort van 50.000 op een begroting van 160.000, met ongeveer de helft van de leerlingen ten opzichte van de voor de eerste periode gehanteerde aantallen.
Anders was het gesteld met de begroting voor de maanden september-november 1942, immers het toegezegde subsidie gold vanaf 1 september van dat schooljaar. Over die drie maanden werd het grootste deel van het totale tekort van 111.000 geraamd, 90 duizend gulden - over een periode die volledig onbeheersbaar was voor het nieuwe Joodse schoolbestuur. De werkelijke overdracht van het onderwijs vond immers pas plaats op 6 december; tot die datum waren de scholen onder het beheer van de gemeente gebleven, aan wie het pas vanaf november verboden was nog langer voor het joodse onderwijs uitgaven ten doen.
Vanzelfsprekend declareerde de gemeenten de kosten over die eerste maanden bij de Joodsche Raad. Dat deed niet alleen de Amsterdamse burgemeester Voûte, maar tal van burgemeesters in de andere plaatsen waar de gemeenten het joodse onderwijs hadden verzorgden, kwamen ook met een rekening aanzetten. Onderwijschef van der Velde becijferde dat in de balans over het eerste kwartaal tot een totaalbedrag van 180.000. In zijn toelichting haalde hij ‘het geval Haarlem’ aan, waar de gemeente over de eerste twee maanden ruim 7.600 had uitgegeven aan de joodse lagere school en het joods lyceum aldaar, terwijl de 75 Haarlemse leerlingen tezamen slechts goed waren voor een bedrag van 6.000 voor het hele schooljaar.
Burgemeester van Amsterdam maakte het helemaal bont door eind mei 1943 ijskoud een rekening te presenteren van bijna 50 duizend (waarvan bijna de helft voor het lager onderwijs), met het verzoek dat even snel te betalen, het gemeentegironummer staat er zelfs bij vermeld. [/margin] Terwijl in het voorjaar van 1943 de financiële aspecten van het joodse onderwijs onder de Joodsche Raad eindelijk een duidelijke vorm begonnen te krijgen, veranderde de situatie van de joodse scholen dramatisch. De transporten sloegen steeds groter gaten in onderwijsteams en leerlingenpopulatie, zodat eind mei tot een nieuwe reorganisatie werd overgegaan. [financiële gegevens daarvan ontbreken helaas].
Tot in de laatste dagen van het Joodse Onderwijsbureau - september 1943, zaten van der Velde en Aa in hun maag met al die betalingsverzoeken van de ruim 35 betrokken gemeenten. Het beliep ondertussen in totaal zo’n 180-duizend gulden alléén al voor de eerste drie maanden van dat tweede schooljaar, en dat was best wel veel geld in die dagen.
En als dan de aanmaningen van de gemeenten aan het adres van de Joodsche Raad als onbestelbaar retour komen, wendde de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zich tot Secretaris-generaal van Dam, waarop die liet weten dat de onderwijskosten voor de cursus ‘41-’42 om ‘practische redenen’ niet verhaald kunnen worden op de Joodsche Raad.
Uiteindelijk komt het erop neer dat iedereen door de bezetter met een kluitje in het riet werd gestuurd en de gemeenten opdraaiden voor de kosten zonder die verrekend te krijgen door het Rijk; zelfs na mei 1945 vingen de gemeenten bot bij de nieuwe Onderwijsminister. [lees verder bij § 22 en § 23]

[augustus 2017]
-------------------------------------------------------------

er komen hierna nog de volgende paragrafen:

§ 19 - regels en organisatie
§ 20 - concentratie in Amsterdam
§ 21 - sperr & vertrek
§ 22 - de scholen sluiten
§ 23 - na 1945 : rechtsherstel

en dan nog een heel stuk
over mijn bevindingen en met mijn commentaar