bijgewerkt op 20-10-2017
u bent bezoeker 203 deze week


een kleine heldendaad
en de ontjoodsing van het lager onderwijs in Amsterdam, in de jaren 1940-1943

meester Janszen
In het verhaal een kleine heldendaad noem ik mijn vader 'meester’ Janszen, maar daar had hij een hekel aan; hij liet zich door zijn leerlingen liever aanspreken met ‘meneer’.
Dat zal zijn oorsprong hebben gehad op de Amsterdamse Gemeentelijke Kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen, waar Lau Janszen het onderwijzersvak leerde. Die ‘kweek’ was vergeleken met de meeste andere (Rijks-)kweekscholen nogal vooruitstrevend, in de tijd dat door de onderwijswet van 1920 het onderwijssysteem nogal op de schop ging.
Tot in het begin van de 20ste eeuw was er sprake van standenonderwijs, met aparte scholen voor de kinderen uit de burgerij en andere voor het werkvolk. Op die nummerscholen was het onderwijs naast kennis-overdracht, vooral gericht op het aanleren van fatsoen, gehoorzaamheid en dienstbaarheid voor een leven lang werken onder een baas, een meester dus.
Maar met de nieuwe wet en onder invloed van de verlichte pedagogen van die tijd, ontstond de eenheidsschool waar ook het volkskind kansen kreeg op doorstroming naar het vervolgonderwijs, een van de toenmalige idealen van de sociaaldemocratie. In die sfeer van verheffing werd Lau opgeleid tot onderwijzer en kreeg hij amper 20 jaar, in 1925 de bevoegdheid om voor de klas te staan.

image.jpeg

Lau was de jongste van vier kinderen in het gezin van Amsterdamse Laurens Janszen senior en de Walcherse Pieternella Bestelink; vader was smid en uitvinder. Eerst dreef hij een smederij in Noordwijk, daarna samen met Dik Wurfbain een constructiewerkplaats in Amsterdam, maar beide ondernemingen waren voor Laurens sr niet succesvol en zo belandde hij als amanuensis op de gemeentelijke hbs voor meisjes, aan de Keizersgracht. Lau was zestien toen zijn vader, na jaren sukkelen op 58-jarige leeftijd overleed; moeder Pieternel was toen al werkzaam als coupeuse. Ze was in dienst bij Maison Hirsch&Cie aan het Leidseplein, daarna begon ze voor zichzelf met een naaiatelier aan huis, voor welstandige dames en voor het toneel.
Eerst woonde het gezin in de Commelin-straat. Als je toentertijd die straat uitliep en de Linnaeusstraat overstak belandde je in het nieuwe Oosterpark en op de er naast gelegen oude Ooster-begraafplaats, die al jaren gesloten was. Voor kleine Lau een ideaal terrein om te avonturieren, tussen vervallen grafstenen, verwaarloosde bomen en de onkruidachtige begroeiing. Later verhuisde de familie over de Singelgracht naar het tweede korte straatje naast de Muiderpoort, de Alexanderstraat. Zo raakte hij bevriend met Leo Kaas, die daar ook pas was komen wonen, om de hoek op de kade. Lau sleepte Leo mee naar zijn speeldomein, die gesloten begraafplaats beheerd door een oude bewaker. Iedere kwajongen werd door hem weggestuurd, maar niet Leo en Lau, die waren er altijd welkom. Urenlang zaten ze in hun zelfgebouwde schuilhut de vele vogels te observeren en vertelde de oude baas van alles over die vogels en de planten die er in dat paradijsje groeiden.
Later toen ze iets groter waren met allebei een fiets, werd hun wereld wijder. Ze maakten tochten over de Oranjesluizen naar Waterland en de ander kant uit helemaal naar ‘s-Gravenland. Moerasorchis in de weilanden bij Holysloot, Aalscholvers in de Zuiderzee, IJsvogeltjes in de vijvers van de Gooise buitenplaatsen, Zwanenbloemen in de sloten bij Nigtevecht, Futen in het Abcoudermeer, ze zagen het allemaal; zochten thuis de namen op in de Flora van Heimans en Thijsse, en op de plaatjes van Jan Voerman in de Verkade albums, die ze driftig verzamelden.
Zestien jaar was Lau toen hij naar de Kweekschool ging en meteen in de tweede klas terecht kon; Leo vertrok naar de Hogere Textielschool in Enschede, Leo’s vader deed in textiel, vandaar. Ze stuurden elkaar briefkaartjes met boodschappen, zoals deze van Leo aan Lau in 1923:
‘Geef mijn groeten aan Fam. Mees, Torenvalk, Boomklever, de Goudhaantjes, Spechten, IJsvogels en allen die je tegenkomt. Hièr heb ik een IJsvogel gezien, maar nu leek hij lang niet zoo fabelachtig mooi.’
In een van de weekenden dat Leo weer thuis in Amsterdam was, troonde hij Lau mee naar een bijeenkomst van de Nederlandsche Bond van Abstinent Studeerenden; een kleine idealistische club die in haar hoogtijdagen rond 1930, zo’n 1.500 leden telde.
Het was niet alleen de geheelonthouding (abstinentie) dat deze studerenden verbond, het was ook ‘een beslist nee-zeggen tegen sleur, conventie, slechte gewoonte, vulgariteit en decadentie’. Alles viel op zijn plaats voor de jonge vrienden: de liefde voor de natuur en het buiten zijn, de progressiviteit en de principes van soberheid, reinheid, en gemeenschapszin. Lau werd al snel vegetariër en kon zijn ideeën en idealen scherpen aan die van zijn leeftijdgenoten, de meesten van hen ook kweekschoolleerlingen. Al snel hadden Lau en Leo een landelijke vriendenkring, waarmee ze op pad ging en kampeerden, ook in het Duitsland van de jaren dertig.
Zo leerde Lau, Mathilde Bouman kennen, een jonge onderwijzeres opgeleid aan de Apeldoornse Kweekschool voor meisjes, die voor de klas stond in Amsterdam en secretaris was van NBAS-afdeling Amsterdam Zuid. Daar, op een bijeenkomst van de drie hoofdstedelijke afdelingen ontmoetten ze elkaar voor het eerst, nog geen jaar later waren ze verloofd.


image.jpeg

Al snel was de jonge enthousiaste onderwijzer opgemerkt door de gemeentelijk onderwijsinspectie en werd hij voorgedragen voor een vaste benoeming. Nota bene op een van de scholen in het pas gebouwde Tuindorp Watergraafsmeer, Betondorp. En net zoals er een zekere selectie was bij toewijzing van woningen in Betondorp, zal er ook een selectief beleid zijn geweest bij de benoeming van leerkrachten op de openbare lagere scholen in dat ‘rooie’ dorp.
Voor Lau was het een droom die werkelijkheid werd, zeker toen hij niet veel later, ook een woning schuin tegenover de school toegewezen kreeg, aan het Huismanshof op nummer 28. Vanaf zomer 1929 had hij een eigen klas op de Watergraafsmeerschool en een jaar later, 1 oktober 1930 trouwde hij met zijn NBAS-vriendinnetje, de jonge onderwijzeres Tilly Bouman.

image.jpeg

zomer 1940, Lau Janszen met Tilly Bouman, haar moeder en de vier kinderen (Robje, Ike, Aartje, Joske) en links Lau’s vriend Leo Kaas met dochter Wielke.
(foto genomen door opa Bouman, bedrijfsleider bij Capi in de Kalverstraat)
Meester Janszen stond het liefst voor de 4e of de 5e klas, de kinderen konden dan al lezen, schrijven en rekenen, zodat hij zich kon richten op verdieping. Dat deed hij niet alleen met boeken en voor het schoolbord; even vaak stapte hij met zijn leerlingen op de tram om de geschiedenis tot leven te brengen in de Amsterdamse binnenstad of stuurde hij ze met schrift en potlood, het dorp in om natuurwaarnemingen te doen. Lau was duidelijk geïnspireerd door het leerboek ‘De levende natuur’ van natuurvorser en onderwijsman Eli Heimans:
‘Kinderen tot inzicht te brengen; ze moeten leren zelf na te denken over alles wat op hun afkomt. En wat ze daarvoor nodig hebben is helder inzicht. Onderwijs is geen optelsom van maatschappelijke problemen, maar het opbouwen van een geheel van kennis waarmee onderwerpen en problemen inzichtelijk gemaakt kunnen worden.’
Dat was de onderwijsfilosofie die Lau zijn leven lang is blijven volgen. Oud-leerling Wiet Boeken (1921) vertelt het zo:
‘Met wie dat wilde gingen we op heldere winteravonden op de dijk sterrenbeelden kijken, op zaterdagmiddag gingen we soms met een groepje naar IJdoorn (lopend). “Meneer” kwam dan op de fiets achteraan met een verrekijker en daar zagen we dan grutto’s en kemphaantjes.
Ook gingen we wel naar de oosterbegraafplaats om naar vogels te kijken en te luisteren. Daar heb ik voor het eerst een winterkoningnest gezien. Hij ging met de hele klas oud-Amsterdam in om de verschillende oude bouwstijlen te leren kennen en maakte schoolreisjes van twee of drie dagen naar een jeugdherberg.’
‘Aanschouwelijk onderwijs’ werd dat genoemd en ook wel ‘Heemkunde’ en daarmee schuurde meester Janszen dicht langs de pedagogische ideeën van het Nationaal Socialisme. Maar voor de goede orde: daarbinnen was de aandacht voor individuele ontplooiing ver te zoeken en dat was juist een van de kernwaarden van meester Janszen’s onderwijsfilosofie.
Als gedreven onderwijsmodernist had hij het natuurlijk van tijd tot tijd aan de stok met zijn Hoofd der School die immers van een oudere generatie was. De eerste keer was bij de aanloop naar Lau’s vaste benoeming in 1929. Schoolhoofd Roggen van de Planciusschool zette zijn voet dwars met een negatieve beoordeling van de jonge onderwijzer, terwijl de onderwijsinspecteur duidelijk wel te spreken was over de vaardigheden van Lau Janszen, waarop Roggen zijn bemerkingen moest ‘retoucheren’ en zo de weg vrij kwam voor die vaste aanstelling.
De tweede keer terug te vinden in het Stadsarchief, is als schoolhoofd Bannet in 1932 op de Watergraafsmeer-school in conflict komt met onderwijzeres Froukje Boom. Schoolinspecteur Vrijburg bemoeide zich met de kwestie en bevraagde ook onderwijzer Janszen, die daarop verklaarde dat Bannet ‘gemoedelijkheid mist, weinig soepel en een verzameling instructies is.’
En dan wordt het 1939 en was er een conflict met zijn pasbenoemde superieur Kruimink, waar meester Janszen het gezag van het schoolhoofd betwistte. Ook toen eindigde het ten stadhuize, waar wethouder Boekman met het schoolteam in gesprek ging. Dat schoolhoofd Kruimink daar zijn gelijk haalde, gaf hem dan twee jaar later, in 1941 de macht om Janszen’s schorsing en overplaatsing te af te dwingen. Maar uiteindelijk is het toch schoolhoofd Kruimink die het onderspit delfde, veroordeeld werd voor lidmaatschap van de NSB, en zelfs ontdaan werd van zijn burgerschap; dat speelde zich af in 1947.
Dat zal mijn vader zeker goed hebben gedaan, zijn naoorlogs gehak op alle foute Nederlanders zal er zijn oorsprong hebben gehad.
Lau is dan al sinds augustus 1945 terug op de Watergraafsmeerschool, pakt de draad van het aanschouwelijk onderwijs weer op, is de initiator van de kleinvee-boerderij die op het schoolplein achter de school gevestigd wordt en weet voor 5e en 6e klassers meerdaagse schoolreizen te organiseren, helemaal in Wapse, waar er voedsel in overvloed was.


image.jpeg

martelaar van het dorp
‘Martelaar van het dorp’ zo had Kruimink hem bestempeld in zijn schrijven aan de wethouder, in 1941. Meester Janszen was dan wel een gerespecteerd Betondorper, maar sinds zomer 1938 hadden Lau en Til het dorp verlaten. Ze hadden een andere woning gevonden, ook in de ‘Meer’, maar aan de andere kant van de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Vrij impulsief hadden ze die zomer tot deze verhuizing besloten en pas bij de geboorteaangifte van mij, hun jongste zoon, eind oktober 1938, was de verhuizing bij het bevolkings-register aan de Plantage Kerklaan aangegeven. Vermoedelijk was de verhuizing uit het dorp ingegeven door teleurstelling; Lau had gehoopt dat hij bij het vertrek van schoolhoofd Bannet in juli 1938, tot diens opvolger zou worden benoemd. Maar nee, hij werd gepasseerd door de plotselinge benoeming van meester Kruimink, met wie hij het op slag, niet goed kon vinden. Omdat meester Janszen tegenover de school woonde, had hij de sleutel en werd er voor elk wissewasje bij hem aangebeld, maar toen Kruimink hoofd was geworden, meteen na de zomer van 1938, had Lau daar geen zin meer in. Vlak buiten het dorp, aan de andere kant van de Begraafplaats stonden zomaar woningen te huur, niet veel duurder dan het huisje aan het Huismanshof. Meteen aan het begin van de zomervakantie verhuisde het gezin Janszen naar de Röntgenstraat. Zo eindigde zijn jaren als Betondorper, wel bleef hij actief in allerlei dorpse activiteiten, hij leidde het zangkoor dat in het ‘Gemeenschapshuis’ repeteerde, was actief in de toneelclub. ‘Martelaar’ is dan misschien te veel eer voor de jonge onderwijzer, maar hij was wel zo’n meester die door de meeste Betondorpers met waardering werd bejegend.

hoe ging het verder met meester Janszen
In 1948 vertrok hij van de Watergraafsmeerschool, de school was groot geworden, met wel driehonderd leerlingen en zo’n tien leerkrachten en juffrouw Boots was en bleef het hoofd. Lau wilde verder, ook hoofd worden met een eigen school. Die kreeg hij door zijn benoeming als hoofd van de Niasschool, de linkerkant van het dubbele schoolgebouw aan het Javaplantsoen. Maar de naweeën van de bezetting bleven hem parten spelen, en dat resulteerde uiteindelijk in 1950 in wat we tegenwoordig een PTSS noemen. De schorsing en verbanning van zijn school, maar zeker het verlies van zijn enige en echtste vriend Leo Kaas, die in juli 1942 van de ene op de andere dag verdween en binnen enkele weken de dood vond in Birkenau, had hem zwaar beroerd, Overspannen dus en niet meer in staat terug te keren in het Amsterdamse onderwijs. Gelukkig voor hem en zijn gezin vond hij een nieuwe uitdaging in het adjunctschap op de Nobel-huishoudschool in Alkmaar. Dat was in 1951; hij was toen zes en veertig jaar. Zestien jaar heeft hij dat gedaan tot dat hij definitief werd afgekeurd en in 1967 zijn onderwijscarrière beëindigde.

image.jpeg

Meester Janszen met zijn huishoudmeisjes in 1954
Zijn kinderen en zijn kleinkinderen hebben in die jaren vooral ervaren dat zijn aandacht en liefde voor het onderwijs stap voor stap verschoof naar zijn echte grote passie, de natuur; de vogels, de bloemetjes en plantjes. Nederland had hij toen al botanisch gesproken afgegraasd, waarop Lau en Til de wereld in trokken en een onmetelijke verzameling dia’s produceerden van de meeste uiteenlopende zeldzame plantjes in obscure bosperceeltjes in verre oorden.
Til was in 1948 ook weer teruggekeerd in het Amsterdamse onderwijs, dat ze in de jaren dertig had moeten verlaten. Getrouwde vrouwen hoorden toen niet in de maatschappij, hadden hun plek thuis, bij hun gezin, wat Til al die jaren moeilijk kon verkroppen. Ze liet zich bijscholen als Montessori-leerkracht en belandde zomer 1951 na een aantal invaltaken op zo’n beetje alle Montessorischolen in de stad, op de 8e openbare lagere Montessori aan de Zeeburgerdijk.
Ze werd er zelfs adjunct, met een eigen klas, van zo’n 45 kinderen in de onderbouw. Anders dan haar man, kwam zij altijd vol verhalen thuis, over haar leerlingen en haar stagiaires en stapte ze de volgende dag even vrolijk weer op de fiets en zo haalde ze haar pensioen; november 1970 was ze 65 geworden.
Het samen reizen, zwerven en genieten in hun buitenhuis in de bossen bij Veenendaal, heeft helaas nog geen tien jaar geduurd; augustus 1979 meteen na hun zoveelste buitenlandse reis, komt Til echt plotseling te sterven, Lau alleen achterlatend. Dat heeft hij daarna nog ruim twintig jaar volgehouden, waarop hij volledig versleten in 2003 het loodje legt. Hij was al bijna honderd.

image.jpeg