bijgewerkt op 9-9-2018
u bent bezoeker 98 deze week


een kleine heldendaad
en de ontjoodsing van het lager onderwijs in Amsterdam, in de jaren 1940-1943

4.
de Mediene

Ook in de Mediene moest er nadat de Reichskommissar zijn verwijderingsopdracht had uitgevaardigd, afzonderlijk onderwijs voor de joodse leerplichtige jeugd worden georganiseerd. Maar het was niet duidelijk hoeveel kinderen het betrof en in welke plaatsen, vandaar dat de Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs een achttal enquêteurs op pad stuurde om een en ander na te gaan. Uit de rapportage die de dames Frank en Troostwijk en de heren Aa, Broekman, Duizend, Soetendorp, Fränkel en de Vries eind oktober 1941 leverden, bleek dat er in zo’n 165 plaatsen buiten de drie grote steden ruim twee-en-een-half duizend kinderen in de lagere schoolleeftijd waren, waarvoor onderwijs moest worden georganiseerd. De rapportage was zeer gedetailleerd met voorstellen voor vestigingsplaatsen voor de scholen; combinaties van leerlingen vanuit de verschillende plaatsen en zelfs daar waar de aantallen te klein waren en er een schaarste aan bevoegde onderwijzers werd voorzien, werd zelfs de aanstelling van een reizende onderwijzer aanbevolen. Limburg, Groningen en Drenthe, maar ook de driehoek Culemborg-Tiel-Zaltbommel moesten het maar stellen met reizende meesters.
De opdrachtgever voor de rapportage, de Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs, nauwelijks eerder gesticht door de Joodse Coördinatie Commissie in den Haag en de Joodsche Raad voor Amsterdam, ging daar echter niet over. De continuering van het onderwijs aan joodse kinderen was de taak van de gemeentebesturen, zoals commissievoorzitter Cohen liet noteren in het eerste verslag van de commissie-vergadering :
‘de oprichting en voorlopige exploitatie van de scholen voor Joodsche kinderen is opgedragen aan de burgerlijke gemeenten. De burgerlijke gemeenten moeten dus aan de wenschen van de Duitsche autoriteiten en het departement gevolg geven.
Al geeft de Centrale Commissie ook ideeën, daarnaast kan ze geen enkele verantwoordelijkheid tegenover het Departement aanvaarden. De Commissie vindt het echter zeer prettig te zijn ingeschakeld.’

[NIOD 182-038/0001 e.v]
Het ging bij die burgerlijke gemeenten in het land razendsnel nadat de Reichskommissar de maatregel halverwege augustus 1941 bekend maakte. Secretaris-generaal van Dam van het Departement van Opvoeding vroeg op 16 augustus al de gemeentebesturen hem een opgave van de joodse leerlingen (namen en aantallen) te doen. Die informatie kwam rond 25 augustus van de scholen en vervolgens kregen de gemeentebesturen van het departement opdracht over te gaan tot verwijdering. De burgemeesters gaven deze opdracht in de week daarop door aan de schoolhoofden waarop die op hun beurt nog voor begin september 1941, de joodse ouders aanschreven:
‘Ik deel U mede, dat door de betrokken Duitsche autoriteiten is beslist, dat alle Joodsche kinderen en zij, die als zoodanig moeten worden aangemerkt, met ingang van 1 September van de scholen moeten worden verwijderd.
In verband daarmede kan (kunnen) ook Uw kind(eren) niet verder worden toegelaten tot de onder mijn leiding staande inrichting.
Naar men mij heeft medegedeeld zal echter wel worden gezorgd, dat Uw kinderen nog verder onderwijs zullen ontvangen. Het ligt namelijk in de bedoeling om de Joodsche kinderen in staat te stellen het onderwijs, dat zij thans genieten, te vervolgen, zij het dan in afzonderlijke onderwijsinrichtingen. Deze zullen zoo spoedig mogelijk worden opgericht, zoodat in het algemeen de betrokken kinderen niet lange dan vier weken zonder het hun passend onderwijs zullen zijn.
Te zijner tijd zal U hier wel van hooren.’

[Groninger Archieven - 1841 map 0648]
Dat was dus Groningen en inderdaad de Joodsche lagere school opende haar deuren in de Prinsenstraat, al op 12 september 1941. Maar niet in alle plaatsen die van het Departement (eerst) het verzoek en (daarna) de aanwijzing kregen joodse scholen te openen, deden dat binnen de door de Reichskommissar gestelde termijn van vóór 1 oktober. In nogal wat gemeenten talmde het lokale bestuur, zodat het hier en daar zelfs tot begin 1942 duurde voordat alle kinderen weer elke dag naar school konden gaan.
Dat lokale bestuur dat verantwoordelijk was voor het onderwijsaanbod in een gemeente, was niet meer de (verkozen) gemeenteraad plus een college van (verkozen) wethouders en een door de Kroon benoemde burgemeester.
Sinds maart 1941 waren de gemeenteraden ontslagen en zo ook de wethouders. Het bestuur bestond uitsluitend uit een burgemeester, die zijn wethouders had aangesteld als een soort superambtenaren. In een aantal gemeenten was bovendien de ‘vooroorlogse' burgemeester door de bezetter vervangen door een ‘loyale’ bestuurder.
Uiteindelijk waren er in dat eerste gescheiden schooljaar, buiten de drie grote steden 42 lagere scholen met zo'n 2.300 leerlingen; in het tweede schooljaar verminderde dat al snel naar ongeveer de helft in scholen en leerlingenaantallen, door gedwongen verhuizing naar Amsterdam en door het vertrek naar de kampen.
Uiteraard waren er ook leerplichtige kinderen die in het voortgezet onderwijs zaten (ULO, HBS, Lyceum, Nijverheidsonderwijs); in de iets grotere plaatsen werden met name nogal wat ULO-scholen gesticht en zo’n achttal lycea. Ik beperk me echter in dit verslag tot het lager onderwijs.
In de volgende stukjes doe ik verslag van dat joodse lagere onderwijs in al die plaatsen in de Mediene. Het is verre van compleet, soms is er al door iemand over gepubliceerd en is het makkelijk via internet te vinden. In nogal wat plaatsen is dit deel van de lokale geschiedenis nog niet beschreven; ik probeer in die lacune te voorzien. Uiteraard hou ik me aanbevolen voor tips en teksten van overal uit het land.
Overigens kenden al die joodse gemeenten een vorm van joods onderwijs, voorheen in joodse schooltjes verbonden aan de plaatselijke sjoel. Dat moeten we niet verwarren met het onderwijs dat vanaf september 1941 werd georganiseerd voor de joodse kinderen, dat was immers gewoon [lees : niet persé religieus georiënteerd] onderwijs – in veel plaatsen verleende de sjoel echter wel onderdak in het leslokaal, vanzelfsprekend dat dat aanleiding voor verwarring geeft.
tip :
lees voor de volledigheid ook § 17 van artikel 2 de ontjoodsing .

images/docs/joodse_lagere_scholen_in_het_land_1942.pdf JOODSE SCHOLEN IN HET LAND

• noord

GRONINGEN – FRIESLAND – DRENTHE
________________________________________

GRONINGEN
Het Groninger gemeentebestuur was voortvarend met de oprichting van een afzonderlijke lagere school voor Joodse leerlingen. Nauwelijks had de Secretaris-generaal van het Opvoedingsdepartement in den Haag, per brief van 1 september 1941, de gemeente laten weten dat de joodse kinderen niet meer samen met de niet-joodse kinderen onderwijs mochten volgen, of het gemeentebestuur concentreerde de joodse leerlingen op school IX aan de Prinsenstraat. Het was een vrij logisch besluit om die school tot Joodsche school te bestempelen; in de stad was geen enkel schoolgebouw leeg beschikbaar en het merendeel van de joodse leerlingen zat al op die school, zoals de burgemeester aan de Commissaris van de provincie liet weten. De andere leerlingen van school IX werden eenvoudigweg overgeplaatst naar school XXXVII aan het Gedempte Zuiderdiep.
De Joodsche school begon op al halverwege september 1941, met Simon van Hasselt (1900-1943) als Hoofd der School; hij was daarvoor schoolhoofd in het dorp Haulerwijk geweest. Naast hem waren Saartje Frank (1910-1943), Roza Tof (1904-1990), Betje Wallage (1898-1943), Hartog Behr (1912-2007) en Jonas Wijnberg (1884-1943) de andere leerkrachten.
De school was redelijk groot met 212 leerlingen bij aanvang, verdeeld over vijf klassen plus een gecombineerde 5e/6e leerjaar. De meeste kinderen (191) kwamen uit Groningen zelf en 21 uit de omliggende dorpen : Haren (6), Hoogezand (3), Leek (4), Roden (2), Slochteren (3), Winsum (2) en Zuidlaren (1), zoals schoolhoofd van Hasselt op 6 november 1941 aan de burgemeester opgaf.
Bij het aantrekken van het onderwijzend personeel ‘van joodsche bloede’ ondervonden de onderwijsambtenaren geen probleem; een opgave van het departement leverde in totaal zo’n 25 joodse leerkrachten voor het lager onderwijs die woonachtig waren in de provincie. Ook was er, anders dan in de meeste (kleinere) plaatsen, geen probleem bij de stichtingsnorm van de school, die voor een zesklassige school toen op 211 leerlingen lag. Maar eigenlijk werd het stichtingsprobleem eenvoudigweg omzeild door school IX tot Joodsche school te maken.
Am 2. Oktober 1941 wurde ein Volksschule mit 6 Stundenlokalen in, Schulgebäude in der Prinsenstraat eröffnet. An dieser Schule wird in derselben Weise als an den gewöhnlichen öffentlichen Volksschule dieser Gemeinde Unterricht erteilt im Lesen, Schreiben, Rechnen, Niederländischen, vaterländischer Geschichte, Geographie, Naturkunde, Singen, Zeichnen, nützlichen Handarbeiten und Religionsunterricht. Hierbei ist der Turnunterricht noch nicht völlig geregelt aus Mangel an einer Turnhalle.’
[GRA 1841-0648 : uit een rapport voor de Beauftragter]
excepties
De leerlingentelling in de stad Groningen, waar de Secretaris-generaal om had gevraagd, leverde ook op dat er zeven kinderen in het Groninger buitengewoon onderwijs zaten, waaronder drie leerlingen op het Koninklijk Instituut voor Doven en eentje op het Instituut tot Onderwijs van Blinden in Haren.
Die twee instellingen hadden een bovenregionale functie in de toenmalige gehandicaptenzorg; vanzelfsprekend dat de Groninger burgemeester nogal in zijn maag zat met die vier joodse kinderen. Ze moesten van hun school weg en dat gebeurde halverwege september 1941, terwijl er geen plek was in een andere geschikte leeromgeving.
De Burgemeester wende zich daarom tot het Opvoedingsdepartement in den Haag, net als verschillende andere burgemeesters in (grotere) gemeenten met scholen voor buitengewoon onderwijs. Men legde de SG het probleem voor en pleitte voor een regeling waarbij voor joodse kinderen, ‘zwakzinnig’, doof of blind, een exceptie kon worden gemaakt zodat deze kinderen terug konden naar hun eigen school.
Eind oktober 1942 antwoordde de SG dat hij, uiteraard na overleg met de bezetter zo’n regeling kon toestaan, maar dat gold niet voor de ‘groep van zwakzinnigen’ in Amsterdam; daar werd een afzonderlijke BLO-school voor geopend. Overal elders in het land konden al die ‘buitengewone’ kinderen terug naar hun eigen school, zo ook in Groningen; de drie zwakzinnige kinderen, de drie dove kinderen en het blinde meisje, ze keerden allemaal voor het eind van oktober terug in hun vertrouwde omgeving.
[Dat blinde meisje was Clara van Coevorden (26 oktober 1930- 16 april 1943); het plein voor het huidige blindeninstituut in Haren is mei 2018 naar haar vernoemd.]
en hoe het verder ging
In de loop van november 1942 werd de Joodse school net als de anderen in het land, op last van de bezetter overgenomen door de Joodsche Raad; die ook in Groningen een plaatselijk onderwijscommissie opzette met de heren Sanders en Dasberg, die de opperrabbijn van Groningen was.
Inmiddels was er ook een joodse kleuterklasje gesticht en een kleine ulo (31 ll) en lyceum (16 ll). Die zaten eerst in een schoolgebouw aan de Violenstraat op nr 2, maar vanaf december 1942 trokken ze in bij de lagere school, het gebouw was groot genoeg, zeker ook omdat het leerlingenaantal al aanzienlijk was teruggelopen.
Vanaf juli 1942 waren eerst zo’n 1.000 Groninger mannen naar Westerbork gedeporteerd, begin oktober gevolgd door zo’n 650 vrouwen en kinderen waaronder ruim 50 van de Prinsenstraat-leerlingen. Daarna was de provincie aan de beurt met een grote razzia op 28 november die alle dorpen trof. Begin februari 1943 volgde er weer in de sta, waarbij drie van de zes lagere school leerkrachten en een twintigtal leerlingen werden opgepakt; tenslotte verdwijnen met de deportatie van 12 maart 1943 ook de laatsten uit de stad. Daags daarna schrijft het hoofd van het onderwijsbureau van de Joodsche Raad, dat de school aan de Prinsenstraat in Groningen per 1 april 1943 zal worden gesloten.
Bijna iedereen is dan verdwenen, leerlingen en leerkrachten, de meesten regelrecht met de trein via Nieuweschans naar het Oosten. Van de ruim 3.000 joodse Groningers weten slechts zo’n 250 mannen, vrouwen, kinderen weg te komen, waaronder onderwijzeres Rosa Top van de school in de Prinsenstraat; ze verdwijnt schielijk naar het westen en vindt een onderduik in de Zaanstreek.
Binnen een paar maanden was het joodse leven in de stad Groningen door de bezetter uitgegumd; na mei 1945 keerde slechts een handjevol leerlingen van de Joodse school terug in Groningen-stad.
BRONNEN
Groninger Archieven - onderwijsarchief - toegang 1841 - map 0648
Stefan van der Poel - Joodse stadjers; doc scriptie RUG 2004 (p 131 ev)
Digitaal Joods Monument en Joods Monument Zaanstreek

STADSKANAAL

WINSCHOTEN
De burgemeester van Winschoten, Alexander Romijn vroeg halverwege augustus 1941 de schoolhoofden, opgave te doen van namen en aantallen leerlingen van Joodsche bloede; die informatie werd gezagsgetrouw en snel geleverd. Het waren er zo’n 28 op de lagere scholen (en dertien op de plaatselijke ulo, drie op de HBS en ook dertien leerlingen op de Nutsbewaarschool). Ze mochten meteen in september al niet meer naar hun oude school, maar de burgemeester liet weten dat de Joodse kinderen een eigen school zouden krijgen. Uiteindelijk duurde het tot halverwege oktober 1941 voordat die gemeentelijk Joodse lagere school er was; in het gebouw van de voormalige handelsschool aan de Langestraat 65.
Behalve de Winschoter joodse leerlingen, kwamen ook joodse kinderen uit de omliggende dorpen naar dat schooltje; ze kwamen uit Sappemeer, Scheemda, Bellingwolde, Beerta, Vlagtwedde, Oostwold, Bourtange en Oude en Nieuwe Pekela. Ze vormden bij elkaar de helft van de hele schoolbevolking van 54 leerlingen.
Uit de Groninger leerkrachten-lijst van de het Departement van Opvoeding, benoemde de burgemeester Betje Nathan (1894-1943) als Hoofd der School en David Bamberg (1893-1943) als onderwijzer, beide waren voorheen ook werkzaam geweest op de Winschoter scholen.
De grote razzia’s in Winschoten vonden plaats in augustus en oktober 1942 en toen de Joodse school eind november onder het schoolbestuur van de Joodsche Raad kwam te vallen, waren er nagenoeg geen leerlingen meer; de school werd daarop per 1 januari 1943 gesloten.
BRONNEN
diverse via internet, waaronder Doc-Direkt publicatie over Winschoten

ASSEN

Joodse lagere school - Roldestraat 7
49 leerlingen

• west

UTRECHT – NOORD HOLLAND – ZUID HOLLAND – ZEELAND
________________________________________

• oost

OVERIJSSEL – GELDERLAND
________________________________________

DEVENTER
In Deventer zat de joodse lagere school in het begin van de Assenstraat (voormalige Fröbelschool; inmiddels gesloopt, vanaf de Brink links, nu nieuwbouw voor huis De Regenboog). Hier kregen de joodse kinderen onderwijs vanaf 8 october 1941 tot begin 1943. Er waren drie klassen met zo’n zestig kinderen. Salomon M. Noach (1892-1979) was hoofd der school, er waren twee onderwijzeressen Sophia Bos (1900-1943) en Rozet Pinto-Gosschalk (1895-1992); later werden die opgevolgd door Fie Wolf-Colthof (1898-1969) en Sophie van Spiegel (1890-1943).
Het schooltje was er ook nog in het tweede schooljaar, maar januari 1943 waren de meeste joodse inwoners van Deventer al gedeporteerd; het schooltje werd dus opgeheven.
met dank aan Lex Rutgers
werkgroep struikelstenen deventer © 2013. (zie website)

AMERSFOORT
Omdat de gemeente Amersfoort door Secretaris-generaal van Dam, van het Onderwijsdepartement, was aangeschreven en er ruim 45 joodse lager schoolkinderen geregistreerd bleken te zijn, hadden de Amersfoortse onderwijsambtenaren voor de vestiging van een joodse lagere school, hun oog laten vallen op een paar lokalen in het gebouw van de particuliere Amersfoortse Schoolvereniging.
Maar het bestuur van die vereniging had bezwaren en ook het Departement meende dat onder één dak met niet-joodse kinderen, niet de juiste oplossing was. Dat speelde in de eerste weken van september 1941, waarna de gemeentelijk bemoeienis in het slop raakte en een commissie uit de lokale joodse gemeenschap - op initiatief van mejuffrouw Henny de Vries [1913-1943] zelf tot handelen overging.
Er werden lokalen gehuurd in het wijkgebouw van de Hervormde kerk aan het Laurens Costerplein en op 1 november 1941 opende het schooltje haar deuren. De commissie stelde Felix van Spiegel (1903-1943) uit Meppel aan als schoolhoofd en Kaatje Cohen (1908-1944) als juf voor de kleintjes.
Pas nadat Amersfoort door de Secretaris-generaal daadwerkelijk was aangewezen als vestigingsplaats voor een (regionale) joodse school trok de gemeente het schooltje naar zich toe, nam de huur van de lokalen over en ook de salarisbetalingen aan de twee leerkrachten. Het schooltje telde toen 43 leerlingen allemaal uit Amersfoort en daar kwamen nog wat kinderen bij uit Soest en andere kleine plaatsen.
De gemeentelijke bemoeienis beperkte zich gedurende dat eerste schooljaar uitsluitend tot die betalingen, totdat de school in oktober 1942 door de Joodsche Raad werd overgenomen. In het tweede schooljaar zakte het leerlingental gestaag tot onder de twintig maar het schooltje bleef bestaan tot 1 april 43; toen werd het gesloten ’wegens gebrek aan leerlingen’. Ondertussen was schoolhoofd Felix van Spiegel al naar Duitsland afgevoerd.
met dank aan Femke Mooijkind
'Het joodse kind op de joodse school' - Ma-scriptie UvA 2011

ZAANDAM
In Zaandam opende de Joodsche school begin oktober 1941 in een lokaal van het gebouw van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen aan de Czaar Peterstraat, nr.1. De gemeente trok onderwijzer Gerrit van Praag (1909-1944), aan, die tot november 1940 in Amsterdam als tijdelijke leerkracht voor de klas had gestaan. In Zaandam werd hij Hoofd der School en de enige leerkracht; hij mocht zich terzijde laten staan door zijn ‘huisgenote’ Henriette Nieweg (1909-1943), zij was handwerk juf en ook ontslagen in Amsterdam.
Er waren aanvankelijk zo’n tien joodse lagereschoolkinderen, maar met de half-joodse kinderen erbij en die uit Koog en Wormerveer, groeide het schooltje tot 26 leerlingen.
Op 16 januari, daags voor 123 joden uit Zaandam naar Amsterdam moesten vertrekken - 69 anderen kregen om verschillende redenen nog even uitstel - deelde wethouder Zuidervliet zijn collega’s mee ‘dat de joden te Zaandam de gemeente moeten verlaten, in verband waarmede het overbodig is de school voor joodse leerlingen langer te laten voortbestaan’. Hij stelde voor om de huur van het leslokaal per 16 februari stop te zetten. Een opzegtermijn voor de onderwijskrachten vond de wethouder overbodig: ze kregen wat hem betrof nog dezelfde dag ‘eervol ontslag’.
met dank aan Erik Schaap
‘Joodse school in Zaandam 1941’ NHDagblad, 12 april 2012

• zuid

NOORD BRABANT – LIMBURG
________________________________________