bijgewerkt op 20-10-2017
u bent bezoeker 202 deze week


een kleine heldendaad
en de ontjoodsing van het lager onderwijs in Amsterdam, in de jaren 1940-1943

image.jpeg

Depictions of Amsterdam van Gert-Jan Kocken
77 Amsterdamse stadskaarten van en voor de bezetter, 1940-1945
[uitsnede][coll. JHM, met dank aan GJK]

de joodse scholen in 1941-1943
In de eerste twee jaar van de Duitse bezetting van Nederland werden de Joodse Nederlanders stap voor stap geïsoleerd; tal van maatregelen werden van kracht, overheidspersoneel ontslagen, verboden ingesteld en bewegingsvrijheden ingeperkt. In eerste aanleg raakte het voornamelijk de joodse werkende bevolking, maar in het voorjaar van 1941 drong het de gezinnen binnen met winkel- en markt-verbod en bezoekverbod voor theaters, bioscopen, parken en zwembaden. Na de zomervakantie van 1941 waren vervolgens de joodse kinderen aan de beurt. De bezetter beval de scheiding van de schoolgaande jeugd, door plaatsing van de joodse leerlingen op speciaal daartoe opgerichte joodse scholen, met uitsluitend joods onderwijzend personeel. De bedoeling van de bezetter was dat ook het hele joodse onderwijs buiten de zorg van de staat werd gebracht, de joden moesten er maar zelf voor zorgen.
Die nieuwe joodse openbare scholen, gingen in Amsterdam half september 1941 open, het waren er vierentwintig in totaal : drie scholen voor voorbereidend onderwijs, zestien voor gewoon lager onderwijs, waarvan één voor Montessori. een VGLO-school, een ULO, een BLO-school, een HBS en een Lyceum.
'Deze scholen zullen voorlopig zijn openbare scholen, zij zullen des Zaterdags, evenals Zondags gesloten zijn. Ook des Woensdagmiddags wordt er onderwijs gegeven.'
Zo stond het in het oprichtingsbesluit van de Burgemeester van Amsterdam. Begin december 1941 werd die ene Montessorischool gesplitst en werden er nog wat vestigingsproblemen gecorrigeerd.
De opdracht tot plaatsing op afzonderlijke scholen van joodse leerlingen met uitsluitend joodse leerkrachten kwam van Reichskommissar Seyss-Inquart. Hij gaf deze aanwijzing op 8 augustus 1941; op 1 september moest de scheiding ingaan. Amsterdam, waar het merendeel van de Nederlandse joden woonde, kreeg uitstel tot 1 oktober. Aan de hand van de lijstjes met namen van joodse leerlingen die alle schoolhoofden vlak voor de zomer-vakantie hadden ingeleverd en met de bevolkings-gegevens van mei 1941, kon de afdeling onderwijs van het Stadhuis de herschikking en reorganisatie al binnen een paar weken uitvoeren.
De joodse lagere school leerlingen gingen toentertijd, zo bleek uit de verzamelde gegevens, voornamelijk school in vier aaneengesloten volksbuurten ten oosten van de Amstel en in de nieuwe wijken in Zuid. De onderwijs-herschikking kon dus beperkt blijven tot de ongeveer 30 openbare lagere scholen in die wijken en raakte daardoor zo'n 7.000 'openbare' leerlingen, vierduizend van hen was joods. Zeventien lagere scholen werden er gesloten en vijftien joodse lagere scholen in die buurten opgericht en bovendien ook nog een In West en een in Noord.
De herschikking van het openbaar onderwijs was een aangelegenheid van de gemeente, in opdracht van het Departement van Opvoeding in Den Haag. Het bijzonder onderwijs (rooms katholiek, protestants, joods) bleef ongemoeid, maar de joodse kinderen moesten ook daar weg en op de Joodse bijzondere scholen moesten juist de niet-voljoodse kinderen vertrekken.
Alhoewel het bevel van de Reichskommissar dateert van 8 augustus 1941, werd het pas eind augustus in de dagbladen bekend gemaakt. De scholen waren woensdag 13 augustus weer aan de gang gegaan, kort daarna kregen de ouders van de joodse leerlingen een brief waarin werd medegedeeld, dat :
'de Duitsche Overheid heeft bepaald, dat Joodsche kinderen met ingang van 1 September a.s. niet (langer) tot openbare en niet-joodsche bijzondere scholen mogen worden toegelaten en moeten worden te zamen gebracht in scholen, voor joodsche kinderen bestemd, waar joodsche leerkrachten onderwijs geven.'
Ook de schoolhoofden ontvingen half augustus bericht van dat toelatingsverbod. Om praktische redenen gold het niet voor de leerlingen op de scholen met een 'sabbatregeling', maar wel voor alle andere joodse kinderen op alle andere scholen in de stad; zij stonden van de ene op de andere dag zomaar op straat, in afwachting van de plaatsing op zo'n nieuwe joodse school.
Op die nieuw scholen mochten, zo had de Reichs-kommissar bevolen, alleen joodse onderwijzeressen en onderwijzers voor de klas staan. Nog geen jaar eerder waren die juist uit het openbaar onderwijs verwijderd en vervolgens in maart '41 allemaal ontslagen en nu waren ze weer nodig. In Amsterdam moesten voor die vierduizend joodse lagere schoolleerlingen een plaats op een school, in een klas worden georganiseerd en daar waren slechts 86 joodse leerkrachten voor beschikbaar. Alleen al in de ‘joodse wijken’ moesten 45 klassen worden gevormd om alle leerplichtige kinderen een plaats te geven en in het Montessorionderwijs ging het om ten minste 9 klassen, terwijl er maar 4 joodse leerkrachten met een Montessori-bevoegdheid op de lijst stonden.
Half augustus 1941 verscheen er in het nieuwe Joodsche Weekblad een oproep aan 'hen, die in aanmerking komen voor een aanstelling op scholen met uitsluitend Joodsche leerlingen, welke zullen worden opgericht'. Dat gold óók voor die onderwijzeressen die de jaren daarvoor, vanwege hun huwelijk uit gemeentedienst ontslagen waren; de bezetter had voor de joodsche scholen deze maatregel buiten werking gesteld. Met hulp van het pas opgerichte onderwijsbureau van de Joodsche Raad konden ruim honderd lagere school leerkrachten extra verzameld worden. Ze kregen allemaal, de oude en de nieuwe leerkrachten, een tijdelijke aanstelling voor een half jaar, in afwachting van de overdracht van het joodse onderwijs aan de Joodsche Raad. En zo kon in de loop van september 1941 de ene na de andere joodse lagere school haar deuren openen en begon een volgende fase in het proces van de isolatie van Joods-Amsterdam.
Pas in het najaar van 1942 werden de joodse scholen (openbaar en bijzonder) overgedragen aan de Joodse Raad en trok de overheid zich daadwerkelijk terug. Er kwam een joods schoolbestuur en een afzonderlijke commissie voor de bijzondere scholen. Het beheer en het onderwijspersoneel werd ondergebracht bij het onderwijsbureau van de Joodse Raad, dat gevestigd werd aan de Tulpstraat in Amsterdam.
Het nieuwe schoolbestuur begon ogenblikkelijk met een reorganisatie want de kosten voor het gehele joodse onderwijs dat aan het nieuwe schoolbestuur was overgedaan, bleken beduidend hoger te zijn dan de rijksbijdrage die de bezetter bereid was uit te keren. Daarnaast werd het schoolbestuur geconfronteerd met een ernstige terugloop van leerlingen en het in toenemende mate ontbreken van voldoende en gekwalificeerde leerkrachten, sinds de aanvang van de transporten in juli 1942. Daarom werden begin december 1942 een aantal scholen in Amsterdam samengevoegd. Dat gebeurde zowel in de oude Jodenbuurt als in de Transvaalbuurt en de Rivierenbuurt en betrof zo’n acht lagere scholen van de zeventien, die september 1941 door de gemeente waren geopend.
Zes maanden later moest er opnieuw worden gereorganiseerd; samenvoeging van scholen had geen zin meer; veel leerkrachten en leerlingen bleken na de grote razzia’s in mei 1943 verdwenen, zodat een aantal scholen gewoon opgeheven moest worden.
Daarna ging het hard, waren er begin mei ’43 nog ongeveer 2.000 leerlingen op alle joodse scholen tezamen in Amsterdam, na de zomervakantie van 1943 resteerde er nauwelijks meer dan 200 kinderen, die school gingen op twee scholen.
Nog geen twee weken later, na de laatste razzia in september 1943, was het over en voorbij met het joodse onderwijs in Amsterdam; de regionale Duitse commandant kon toen aan zijn superieuren in Berlijn melden dat Amsterdam ‘judenrein’ was.

In mijn onderzoek en in de publicaties op deze site beperk ik me feitelijk tot het gewoon lager onderwijs in Amsterdam; in deze opsomming geef ik echter, weliswaar summier, ook plaats aan de andere vormen van onderwijs, zoals enerzijds de fröbelscholen en anderzijds het vervolgonderwijs.
In de volgende hoofdstukjes beschrijf ik per buurt of schooltype, alles wat ik weet over het joods lager onderwijs in die paar jaar. Onderweg, in de bijlagen en helemaal achteraan geef ik de bronnen aan, waar ik deze publicatie op baseer.
Hier en daar staan kleine verhaaltjes van toenmalige leerlingen; uiteraard zijn meer van zulke herinneringen welkom !
Het gemeentelijk onderwijsbureau moet in die tijd een kaartsysteem hebben gehad, van alle schoolgaande kinderen; de ambtenaren zullen de 'joodse kaarten' hebben overgebracht in een aparte administratie.
Uit een gespreksnotitie van september 1942 [NIOD182-120] vanwege de overdracht aan de Joodsche Raad, begrijp ik dat die leerlingenadministratie door de gemeente is overgedragen aan het onderwijsbureau van de Joodsche Raad. In de inventarislijsten van het NIOD heb ik geen verwijzing naar zo'n bestand gevonden. Ook navraag bij het Stadsarchief heeft niets opgeleverd.

notitie JOODSE LEERLINGEN IN 1941

oostelijke binnenstad

click op kaartje

Een deel van de Amsterdamse binnenstad werd in die tijd de 'Jodenbuurt' genoemd; eigenlijk waren het drie aan elkaar grenzende buurten, waarvan de 'oude jodenhoek' met Waterlooplein, Jodenbreestraat, Lastage en Marken-plein in de herinnering het bekendste is. Over de Nieuwe Herengracht lagen de twee andere joodse buurten, de Weesperbuurt, met de smalle Weesperstraat als hoofdstraat tot aan Weesperplein en Sarphatistraat en de Plantage met Artis en de Hollandse Schouwburg op de Plantage Middenlaan. Die drie buurten samen werden door de bezetter bestempeld als 'judenviertel' maar van de drie en dertig duizend bewoners was maar ongeveer de helft joods.
De openbare lagere scholen waren echter wel overwegend joods, er waren er zes in die drie buurten tezamen. Er zaten zo'n anderhalf duizend leerlingen op, waarvan zeker twaalfhonderd joods was, volgens de opgave van juli 1941. Die scholen hadden dan ook een afwijkende schooltijdenregeling, waarbij rekening werd gehouden met de sabbat, de wekelijkse joodse rustdag. De leerlingen waren dus vrij op zaterdag, maar moesten dan wel op woensdagmiddag naar school.
Drie van die scholen stonden vlak bij elkaar op Uilenburg, zo'n beetje om de hoek van de Jodenbreestraat, de hoofdstraat van de buurt. De J. D. Meyerschool en de Oude Schansschool zaten naast elkaar in nieuwe schoolgebouwen aan de Nieuwe Uilenburgerstraat en de Nieuwe Batavierstraat. Om de hoek op de Oude Schans zat de Van Alphenschool in een schoolgebouw van voor 1900. Aan de andere kant van de Jodenbreestraat, op het Waterlooplein zat de vierde school, de Waterlooschool, ook in een oude gebouw.
In de Weesperbuurt, op het Weesperplein naast de Diamantbeurs stond de Hendrik Westerschool en in de Plantage, op de Plantage Muidergracht stond de zesde school, de Plantageschool, die twee scholen zaten ook allebei in oude gebouwen.
Bij de hergroepering van de leerlingen werden anders dan elders in de stad, niet de joodse kinderen van school gehaald, maar de niet-joodse. Voor hen, nog geen driehonderd bij elkaar, werd één van de bestaande scholen opengehouden, de Oude Schansschool in de Nieuwe Batavierstraat op Uilenburg. Dat was van toen af de enige school in de hele oostelijke binnenstad voor niet-joodse kinderen.

Woensdag 17 september 1941 gingen de scholen dicht en de maandag daarop was de herschikking van de leerlingen een feit. Voor de meeste joodse kinderen veranderde er niet zoveel, ze kwamen gewoon terug op hun eigen school en in hun eigen klas. Ze kregen wel een andere juf of meester, maar dat hadden de meesten al eens eerder meegemaakt, nu was het een joodse.

In een klap werden de onderwijsteams van de nieuwe joodse scholen vervangen; er mochten immers alleen joodse leerkrachten les geven aan joodse kinderen.
Die leerkrachten waren nog geen jaar eerder, in november 1940 uit hun onderwijsfunctie ontheven en vervolgens in maart 1941 ontslagen, nu werden ze weer door de gemeente aangesteld. Sommige leerkrachten keerden gewoon terug op hun oude school, zoals Hanna van Kollem, die op de Van Alphenschool had gestaan en nu op die school terugkeerde in het team van de Joodsche school nr 1 en Goontje van Thijn-Vis, die van de J.D. Meyerschool, terugkeerde op de Joodsche school nr 2, terwijl juf Richel Polak van de Oude Schansschool, ook naar het team van de Joodsche school nr 2 om de hoek ging. Ook de schoolhoofden waren nieuw en joods: Mauritz Adelaar werd hoofd op de Joodsche school nummer 1 aan de Oude Schans 35; Meijer Polak kwam op de Joodsche school nummer 2 in de Nieuwe Uilen-burgerstraat 96; Wolf Zwaap op de Joodsche school nummer 3 aan het Waterlooplein 24 en Jakob Pop werd hoofd op de Joodsche school nummer 4 aan de Plantage Muidergracht 20.

De zesde school in de oostelijke binnenstad, de Hendrik Westerschool aan het Weesperplein was vanaf die maandag 22 september gewoon opgeheven. De veertig niet-joodse leerlingen werden overgeplaatst naar de Frederikschool; vanaf die maandag moesten ze een beetje verder lopen, door de Sarphatistraat, de Hoge Sluis over de Amstel over naar het Frederiksplein, waar hun nieuwe school stond. De ruim 200 joodse kinderen kwamen vooral op school nummer 4, de voormalige Plantageschool terecht, die zo in een dag, bijna dubbel zo groot werd.

Henny Kuperberg (1930) schrijft in 2011:
Met 6 jaar ging ik naar de Hendrik Westerschool op het Weesperplein, naast de Diamantbeurs. Sinds het einde van de oorlog bestaat die niet meer. In de eerste klas was ik bij Juffrouw Kalkoen (dat was zeker in 1937), in de tweede en derde klas hadden we Juffrouw Sonneveld en in de vierde Meester de Boer, in mijn ogen een sadistische onderwijzer, die een losse hand had met een bamboestokje en het vooral op de zwakke leerlingen begrepen had.
In september 1941 kregen we een brief, dat ik niet langer op de Hendrik Westerschool kon blijven en naar de Plantage Muidergrachtschool moest, waar alleen maar Joodse leerlingen geconcentreerd werden. Daar heb ik de 5e en 6e klas tot Mei 1943 geëindigd, toen ik moest onderduiken. Van leraren op de Muidergrachtschool kan ik me niets herinneren. Ik denk, dat ik het meeste les heb gehad van Meester Pop, die ik me nog goed kan herinneren.

image.jpeg

J. D. Meijerschool in de Nieuwe Uilenburgerstraat
[nu basisschool 'de Witte Olifant']

click op foto

Najaar 1942 werden de Joodse scholen door de gemeente overgedragen aan de Joodsche Raad; er vond ogenblikkelijk een reorganisatie plaats. Het teruglopende leerlingen aantal was de eerste reden voor deze reorganisatie, maar het ging ook gewoon om een bezuiniging op het personeel, want de bekostiging van het joodse onderwijs door de bezetter, was bepaald niet toereikend. Van de oorspronkelijke 1250 leerlingen op de vier scholen tezamen, waren er toen nog maar zo’n 750 over waarvan ruim 200 op school 4 in de Plantage. In het reorganisatie plan staat daarover geschreven : ‘Deze school neemt, sociaal gezien, een aparte plaats in en het verdient daarom aanbeveling deze school in tact te houden’. School 2 in de Nieuwe Uilenburgerstraat, werd gesloten en de 157 leerlingen werden verdeeld over de andere scholen in die buurt ‘met dien verstande, dat de kinderen uit het beste milieu afvloeien naar school 4.’

Dat alles duurt tot eind mei 1943, dan vinden in Amsterdam verschillende grote razzia's plaats, die het joodse leven verder ontwrichten. 23 mei worden zo'n 8 duizend mensen afgevoerd en 26 mei nog eens ruim 3 duizend. Bij die laatste razzia wordt de oude Jodenbuurt zwaar getroffen. Op het onderwijsbureau van de Joodsche Raad is de ontreddering compleet; bijna alle leerlingen en leerkrachten op de scholen in het Centrum zijn verdwenen en op de meeste andere scholen ontbreekt een aantal onderwijzers en onderwijzeressen. Besloten wordt om alle scholen tot maandag 31 mei gesloten te houden, het bureau houdt zich de rest van die week andermaal bezig met een herschikking van leerkrachten, leerlingen en gebouwen. In overleg met de heer de Roos van het gemeentelijke Onderwijsbureau wordt besloten alle lagere joodse scholen in de binnenstad op te heffen. De gebouwen gaan terug naar de gemeente, het betreft dan de drie joodse lagere scholen die nog open waren, aan de Oudeschans, op het Waterlooplein en aan de Plantage Muidergracht. Van de leerlingen van die drie scholen blijken er nog maar 16 over te zijn; zij krijgen onderdak in de ‘Joodsche Invalide’ het verzorgingstehuis aan de Nieuwe Achtergracht.
Er is een briefje van 31 mei 1943: ‘dat tengevolge van de gebeurtenissen van afgelopen week, de hierná te noemen scholen in gebruik voor het Joods Byzonder Onderwijs wegens gebrek aan leerlingen niet meer voor het gestelde doel worden gebruikt'
Het hoofd van school 1, Mauritz Adelaar was toen al ondergedoken en opgevolgd door Jakob Druif. Die komt eind mei thuis te zitten, en neemt daar in de Jan van Gaalenstr op nr 128 de resterende leerlingen van school 14 in de Cliffordstraat over, want ook die school is per 31 mei 1943 subiet gesloten, omdat het onderwijzersteam van de ene dag op de andere verdwenen is.

notitie VAN ALPHENSCHOOL

transvaalbuurt

image.pjpeg

click op kaartje
In die tijd was de Transvaalbuurt in Amsterdam-oost duidelijk joodser dan de 'Joodenbuurt'. In deze twintigerjaren wijk, ingeklemd tussen de nieuwe spoordijk en de Ringvaart, woonden een kleine twintigduizend Amsterdammers, ruim elfduizend van hen was joods.
Voor de bezetter was dit dan ook 'judenviertel zwei' en in 1942 een van de wijken waar de joden uit de rest van Amsterdam geconcentreerd werden.
Er waren zes openbare lagere scholen, ook hier was de lagere schoolbevolking zo joods, dat de sabbatregeling gold: zaterdag vrij, woensdagmiddag school, negen-honderd joodse kinderen waren er geteld en nog geen vierhonderd niet-joodse.
Woensdag 17 september 1941 werden drie van de zes scholen joods; de Christiaan de Wetschool en de President Brandschool, naast elkaar gevestigd in het dubbele schoolgebouw aan de President Brandstraat werden de Joodsche scholen nr 7 en nr 8. De Louis Bothaschool aan de Kraaipanstraat op nr 58, werd de Joodsche school nr 9.
Net zo als in de oude Jodenbuurt, bleven de joodse leerlingen gewoon op hun school en in hun klas zitten.
Dat waren er bij elkaar ruim zes honderd, dat aantal werd aangevuld tot bijna duizend afkomstig van de andere scholen in de buurten en van de scholen in de Water-graafsmeer, aan de andere kant van de Ringvaart.
De Joodsche school nr 7 kreeg Jerohm Hartog als Hoofd der School, hij kwam van de Louis Bothaschool in de Kraaipanstraat, daar werd op school nr 9 Eli van Tijn het hoofd, hij was er onderwijzer geweest. Op school nr 8 was het Meijer van Kreveld die Hoofd der School werd, hij kwam van de Vrolikschool in de Oosterparkbuurt.
persbericht van Stadsdeel Oost, december 2007 over een gedenkteken, onthuld in de Kraaipanstraat voor de school op nr 58 - de Kraaipanschool:
'Elias van Tijn (1902-1945), actief socialist, was hoofd van de toenmalige Joodse openbare lagere school, de Kraaipanschool, waar nu het ROC staat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde Eli van Tijn een actieve rol als verzetsstrijder, onder andere als lid van de verzetsgroep Gerretsen. Onder leiding van Eli van Tijn werd de zolder van de Kraaipanschool ingericht als onderduikruimte, waar hij zelf ook ondergedoken heeft gezeten. Eli van Tijn werd in 1943 verraden, opgepakt en gedeporteerd. Hij vond begin 1945 de dood.'
(anders dan dat in dit bericht wordt gesuggereerd, heette de school eerst de Louis Bothaschool en vanaf september 1941 Joodse school nr 9).
Binnen het huizenblok tussen de Laings Nekstraat en de Smitstraat, in het oudere deel van de Transvaalbuurt, stonden twee dubbele schoolgebouwen. De gemeente organiseerde hier op dinsdag 16 september een scholen-wissel waarbij de Oranje Vrijstaatschool verhuisde van de Smitstraat-zijde naar de Laings Nek-zijde, naar het gebouw van de President Steynschool, die opgeheven werd. Zo ontstond er voldoende capaciteit voor de vier-honderd niet-joodse kinderen uit de buurt, ze konden allemaal terecht achter de poort in de Laings Nekstraat, op de Krugerschool en de Oranje Vrijstaatschool.
Aan de andere kant van het huizenblok, in de Smitstraat kwam er zo ruimte voor een dependance van de nieuwe Joodsche Montessorischool en voor de Joodsche school voor Voortgezet Onderwijs, daar moest dan wel de VGLO-school II voor verhuizen naar de Willem Beukelszstraat in de Watergraafsmeer.
Naast de zes openbare lager scholen was er in die buurt ook een hervormde school, de Willem de Zwijgerschool aan de Tugelaweg op nr 85. Dat was een grote school met bijna vijfhonderd leerlingen. Volgens de opgave aan de gemeente telde die in juli '41 zo'n twintig joodse kinderen, die vanaf september die school niet langer mochten bezoeken. Ook was er een joodse school voor buitengewoon onderwijs gevestigd, de Talmud Tora die zat naast de openbare Louis Bothaschool in het dubbele schoolgebouw in de Kraaipanstraat, op nr 60.
In die Kraaipanstraat zat ook Jan Ligthartschool , maar dan in het schoolgebouw op nr 56. Dat was een school voor buitengewoon onderwijs en had een ook 'sabbatregeling' want ongeveer zestig van de honderd leerlingen was joods.

Ook in deze wijk paste het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad het scholenaanbod direct aan, nadat de gemeente het had overgedragen. Dat gebeurde feitelijk half november 1942; de twee scholen, nr 7 en nr 8 in de President Brandstraat werden samengevoegd. Het aantal leerlingen op die twee scholen tezamen was toen al met de helft gedaald naar nog geen 300 kinderen, en in de beide onderwijsteams waren sinds juni 1942, verschillende vacatures ontstaan. Het gebouw op nr 7 werd gesloten en teruggegeven aan de gemeente. Meijer van Kreveld, hoofd van Joodse school nr 8 was toen al ondergedoken, zodat Jerohm Hartog het nieuw gevormde onderwijsteam leidde; van beide scholen waren de juffen Heintje Duizend en Sara Liboerkin en meester Rabbie ondertussen ook al verdwenen.

image.jpeg

Aan de andere kant van de buurt, in de Kraaipanstraat bleef de Joodse school nr 9 ook na deze reorganisatie open met nog maar 145 leerlingen en vier leerkrachten, onder leiding van schoolhoofd Eli van Tijn. Toen de Transvaalbuurt in de eerste maanden van 1943 weer vol liep met nieuwe bewoners die zich van elders in deze ‘concentratiewijk’ moesten vestigen, steeg het leerlingenaantal op deze school weer naar boven de 200.
In juni was het afgelopen, met de verschillende elkaar opeenvolgende razzia’s verdwenen de meeste joodse bewoners; er zijn dan nog geen 100 ‘openbare’ leerlingen over.
Op 23 juni krijgen de onderwijzers en onderwijzeressen een briefje van het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad, met het verzoek ‘Uw werkzaamheden zo spoedig mogelijk, liefst Donderdagmorgen 24 juni om negen uur te hervatten en de kinderen gedurende de schooluren zoveel mogelijk onderwijs te geven, of op andere wijze bezig te houden’ De brief wordt afgesloten met het verzoek donderdagmiddag voor 2 uur, aan het bureau de leerkrachten en leerlingen die nog aanwezig zijn, op te geven.

Over de Montessori, de VGLO-school , de BLO-school en de Talmud Tora wordt verderop geschreven

Gerrit Meents (1930) vertelt in 2006:
Ik ben geboren in de Koestraat en ben nu 80 jaar, ben op 6 jarige leeftijd in de Danie Theronstraat komen wonen. Mijn vader ventte met fruit. De meeste van de Joodse mensen die woonden in de Transvaalbuurt waren niet gelovig en gingen niet naar de Synagoge.
De Christian de Wetschool werd gesloten bij het einde van 1941, toen de Joodse kinderen er niet meer konden komen. De niet-joodse kinderen van deze school waren over geplaatst naar de Oranje Vrijstaat school, in de Smitstraat, maar ik ging in Augustus 1941 naar de school voor alleen Joodse kinderen in de President Brandstraat nummer 7 tot en met eind 1942, toen werd de school gesloten. Waarom ik werd toe gelaten weet ik niet. Mijn vader was Joods, mijn moeder niet, zo ik was zogenaamd half Joods volgens de Duitsers. Maar de meeste kinderen moesten daar naar toe, dus wilde ik ook daar naar toe. Ik zat in de derde klas bij een hele lieve onderwijzeres, juffrouw Duizend, ik ben nog met mijn moeder op visite geweest en heb er gegeten in 1942.
In 1942 moest ik toch naar de Oranje Vrijstaat school. Ik kwam toen in de vierde klas. Daar zaten nog 3 anderen zo genaamde half Joodse kinderen, en een Joodse jongen met heel blond haar en blauwe ogen. Hij had een Joodse moeder en een niet-Joodse vader maar was toch half Joods verklaart en hoefde niet een ster te dragen. Maar voor de Joodse wet was hij Joods.
Daar had ik ook een lieve meester, maar eind 1942 ben ik naar huis gegaan en nooit meer terug gekomen. We waren op het Transvaal plein met nog een paar klassen en een vrachtauto kwam een oude Joodse vrouw weg halen, die om een of anderen reden nog niet was weggehaald. Een jongen dacht dat dat heel leuk was.
Ik werd kwaad en heb hem een paar goede stompen verkocht, dat was de reden waarom ik weg ben gelopen en niet meer terug naar school ben gegaan.

notitie CONCENTRATIE-WIJKEN

oosterparkbuurt

image.pjpeg

click op kaartje
Tussen die twee joodse buurten, de Jodenbuurt en de Transvaalbuurt in, lag de Oosterparkbuurt. Hier, in de straten tussen Amstel en Linnaeusstraat woonden bijna dertigduizend mensen, ruim tienduizend van hen was joods. Ook van de veertienhonderd 'openbare leerlingen' in deze buurt was ongeveer een derde joods.
Als je over de Singelgracht en langs de Amstelbrouwerij, door de Andreas Bonnstraat de buurt inschoot, stonden links in de Tweede Boerhaavestraat twee lagere scholen, de Boerhaaveschool en de 4e Montessorischool. In die straat op nummer 7 zat nog een school de joodse Talmud Tora school A. Verderop, voorbij het Oosterpark en het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, waren nog drie scholen, de Linnaeusschool aan het eind van de Tweede Oosterparkstraat en de Vrolikschool en de Camperschool binnen het huizenblok tussen Sparrenweg en Beukenweg.
Op die Boerhaaveschool was de meerderheid van de leerlingen joods, zo'n 140 van de 240 kinderen, toch werd dit een niet-joodse school en moesten de joodse kinderen bij de herschikking verhuizen. Maandag 22 september verhuisden ze allemaal naar een van de twee nieuwe joodse scholen in het dubbele schoolgebouw aan de Sparrenweg. Dat waren de Joodsche school nr 5 en de Joodsche school nr 6, waarvoor de Vrolikschool en de Camperschool op dezelfde dag werden opgeheven.
Waarschijnlijk werd voor deze scholen gekozen omdat ze samen in een dubbelschoolgebouw zaten, weggestopt binnen een huizenblok achter Sparrenweg nr 11. De 230 niet-joodse kinderen van die twee scholen werden op hun beurt verplaatst naar de Boerhaaveschool en de Linnaeus-school. Die school was een 'dubbele school' met bijna 500 leerlingen, waarvan de 40 joodse moesten vertrekken. Uiteindelijk kwamen er ruim 500 joodse kinderen op die twee joodse scholen, zo'n honderd van hen kwam uit de Dapperbuurt en zelfs helemaal uit de Indische buurt.
De Joodse school nummer 5 kreeg Simon Gosselaar als hoofd, hij kwam van de Pieter Nieuwlandschool in Beton-dorp en Jesaija Pais werd het hoofd van nummer 6, hij kwam van de Hendrik Westerschool op het Weesperplein. Zijn school kreeg vanwege het grote aantal leerlingen, zo'n 280 bij aanvang, twee 'buitenklassen' in het schoolgebouw in de 1e van Swindenstraat 135.
Ook in de Sparrenweg werden de joodse scholen samengevoegd zodra zij in november 1942 door de gemeente waren overgedaan aan het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad. School nr 5 en 6 trokken samen in het linkerdeel van het dubbele schoolgebouw achter de poort op nr 11, met bij elkaar slechts 161 leerlingen. Zo ontstond er in het rechter gebouwdeel ruimte voor de VGLO-school die weg moest uit de Smitstraat in de Transvaalbuurt. De lagere schooldependance in de 1e van Swindenstraat bleef gewoon overeind, met ruim 200 leerlingen in januari 1943, eigenlijk ruim voldoende voor een zelfstandige school. Deze school had anders dan die in de Transvaalbuurt en de oude Jodenbuurt een heel groot spreidingsgebied, de kinderen kwamen ook van de Oostelijke Eilanden en uit de Indische buurt, helemaal te voet, want tram of fiets dat mocht niet meer. Het onderwijsbureau nam maatregelen: door de middagpauze te verkorten en het overblijven mogelijk te maken, konden de kinderen in de winter van 42/43 ‘smiddags nog voor het donker weer thuis zijn.
Ook hier waren er al lege plekken in de drie onderwijs-teams, sinds de transporten op gang waren gekomen. De Joodsche Raad had weliswaar voor alle leerkrachten een ‘sperr’ weten te verkrijgen; maar de bezetter was volledig onberekenbaar in het opstellen van de transportlijsten. Ook bij de reisvergunningen ontstonden problemen, zodat schoolhoofd Gosselaar, die in Huizen woonde, uiteindelijk niet meer naar zijn school kon komen en het schoolhoofd Pais was die op zijn post bleef. Na de zomer van 1943 doken ze allebei onder: de scholen waren toen al gesloten. Na de razzia’s in mei en juni resteerden er zo weinig kinderen en slechts een enkele leerkracht, zodat sluiting onvermijdelijk was.
Uit de vergaderdocumenten blijkt dat Sparrenweg nr 11 na de zomervakantie van 1943, alle ‘openbare’ kinderen die er nog in ‘Groot Oost’ zijn, zal opvangen, er worden er zo’n 110 verwacht. Er wordt een onderwijzersteam samengesteld met Emanuel Bloemendal als hoofd en de juffen Esther Goedhart-Mok en Sara Mok-Levisson, ze komen van de joodse scholen nr 10, 8 en 1, die alle drie al in december waren opgeheven.
bronnen : NIOD 182 - map 121 en map 157
[aan de ‘laatste’ scholen is verderop een afzonderlijk hoofdstukje gewijd en ook de Montessorischolen en het bijzonder joods onderwijs hebben afzonderlijke hoofdstukjes]
Maurice Mol (1936) ging naar een buitenklas van Joodse school 6, in de 1e van Swindenstraat: 'In 1942 woonde ik met mijn ouders in de 2e Boerhaavestraat. Toen ik zes werd kreeg ik een Jodenster op mijn kleding en na de zomer mocht ik naar de “openbare” Joodse school. Ik moest van huis uit en terug, helemaal omlopen langs het Oosterpark, dat was verboden voor Joden. Erg lang heb ik niet op die school gezeten. Eind '42 ben als kind, los van mijn ouders ondergedoken. Ik herinner me nog wel dat er in de klas steeds meer kinderen ontbraken.' Maurice wil graag weten of er nog andere overlevenden van die school zijn

zuid

image.pjpeg

click op kaartje
In de dertiger jaren waren over de Amstel nieuwe stads-wijken gebouwd, Plan Zuid werd het genoemd met een verwijzing naar het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan van architect Berlage.
Vanuit de Transvaalbuurt in Oost kon je er komen als je langs het pasgeopende Amstelstation en via het spoorviaduct en de Berlagebrug, de Amstel over ging. Dan kwam je op de Amstellaan met op de kop de Wolkenkrabber. Daarachter tussen de Noorder- en Zuider- Amstellaan zaten de meeste openbare scholen in de Dintelstraat, de Jekerstraat en de Nierstraat, in moderne dubbele schoolgebouwen. Ook aan de noordkant van de buurt zaten nog drie scholen, op het Meerhuizenplein en Borssenburgplein ook in nieuwe schoolgebouwen.
In Plan Zuid, tussen Amstel en Boerenwetering woonden toen zo'n vijftigduizend mensen, een derde van hen was joods; het was daarmee de 3e joodse wijk van de stad. Vandaar dat de bezetter de Rivierenbuurt in 1942 aanwees als concentratiegebied, waar joden uit andere Amsterdamse buurten en vanuit het land zich gedwongen moesten vestigingen. Op die zeven openbare lagere scholen zaten tezamen zo'n achttienhonderd kinderen; ruim zevenhonderd van hen was joods; zij werden samengebracht in drie nieuw gestichte Joodsche scholen.
De leerlingensplitsing vond in deze buurt al plaats op maandag 1 september. Het dubbele schoolgebouw aan de Jekerstraat werd helemaal ontruimd; de Michiel de Klerkschool werd opgeheven en de Vondelschool verhuisde naar de Dintelstraat. Daar zaten in een dubbel schoolgebouw de Dongeschool en de Dintelschool, die werd opgeheven om dus plaats te maken voor de Vondelschool. Alle niet-joodse kinderen werden samengebracht op die twee scholen in de Dintelstraat, terwijl alle joodse kinderen werden verdeeld over de twee scholen in Jekerstraat, de Joodsche school nr 10 en de Joodsche school nr 11. Emanuel Bloemendal werd hoofd van school nr 10, hij was tot november '41 hoofd geweest in West op de Van Galenschool en juffrouw Sophia Witmondt werd hoofd van school nr 11, zij kwam van de Dongeschool.
Op het Borssenburgplein, maakte de Borssenburgschool plaats voor Joodsche school nr 12, met Jacob Muller als hoofd der school, hij kwam van de Berlageschool om de hoek op het Meerhuizenplein, waar juist de niet-joodse kinderen naar toe verhuisden.
Ook de joodse kinderen uit 'Oud Zuid' werden op school nr 12 geplaatst, ze kwamen vooral uit de Smaragdbuurt aan de overzijde van het Noorder Amstelkanaal. Van de twee scholen daar, aan het Smaragdplein werd vervolgens de Graaf Florisschool opgeheven, de andere school de Jan Lievensschool bood genoeg plaats aan de resterende 220 niet-joodse kinderen in dat buurtje.

image.jpeg

Jekerstraat nr 84 en 86


Maar nog voor de zomer van 1942 werd de school aan het van Borssenburgplein door de bezetter gevorderd; het gebouw moest worden ontruimd om de Wehrmacht onderdak te bieden. Het gemeentelijk onderwijsbureau wist zo snel geen andere oplossing dan school nr 12 onder te brengen bij de joodse school nr 10 in Jekerstraat op nr 86. Er kwam een wisselrooster, de twee scholen hadden te veel leerlingen om zomaar samengevoegd te worden, dus had de ene groep kinderen ‘smorgens les en de andere ‘smiddags, en dat wisselde per week.

Pas begin december, bij de overdracht aan de Joodsche Raad, werden de scholen 10, 11 en 12, heringedeeld in twee grote scholen, beide met zeven klassen. Maar ondertussen was de administratieafdeling van het Joods Onderwijsbureau ook in het schoolgebouw op nr 84 gehuisvest zodat de twee scholen het gebouw op nr 86 moesten delen; voor de 600 leerlingen werd daarop het wisselrooster van voor de zomer weer ingevoerd.
Maar dan gaat het hard; bij de periodieke leerlingentelling van half mei 1943, zijn er op beide scholen samen nog 300 kinderen. Twee weken later, na de grote razzia’s op 23 en 26 mei zijn die bijna allemaal verdwenen. Dan komt de grote razzia op 20 juni, waarbij vooral de Rivierenbuurt zwaar getroffen wordt. Het Onderwijsbureau heeft ondertussen ook deze twee scholen gesloten en de gebouwen terug gegeven aan de gemeente; wat nu rest, constateren zij, is de ‘organisatie van het onderwijs voor de overgebleven kinderen’, maar de leerkrachten zijn echter bijna allemaal verdwenen. Alleen schoolhoofd Bloemendal, is volgens een inventarisatie halverwege juli, beschikbaar om de overgebleven kinderen op te vangen. Dat waren er half september nog ruim twintig, die samen met alle andere ‘overgebleven kinderen’ op ‘de laatste school’ werden opgevangen[zie afzonderlijk hoofdstukje]

Over de 6e Montessorischool,in de Nierstraat schrijf ik in het hoofdstukje over de Montessorischolen.

John Blom (1930) in 2008 op www.geheugenvanplanzuid.nl:
‘De niet-joodse kinderen waren na de zomer al weer een tijdje aan hun schooljaar begonnen, voordat ook ik weer naar school mocht. Ik vond het wel leuk om vrij te zijn, terwijl veel niet-joodse vriendjes en vriendinnetjes wel al naar school moesten. Maar ook wel heel gek, want diezelfde vriendjes en vriendinnetjes kwamen steeds verder van mij af te staan. We raakten gescheiden van elkaar. In de loop van september werd ik met vele andere joodse kinderen geplaatst op de nieuwe joodse school in de Jekerstraat, eigenlijk gewoon mijn oude Michiel de Klerkschool. Maar die was nu alleen voor joodse kinderen. Ik kwam in de vierde klas bij meester Pinto, die pas een jaar getrouwd was en de trotse vader was van een mooie baby, die ik met een klein groepje klasgenoten bij hem thuis aan de Transvaalkade hebben mogen bewonderen.
Afgezien van het feit dat de Amsterdamse joodse inwoners in de periode 1941 tot mei 1942 steeds verder geïsoleerd werden , ging het allemaal nog wel. Echt heel ernstig en zeer bedreigend werd het vanaf juni 1942 toen de Zwarte Politie begon met het ophalen. De sfeer op straat werd beangstigend en de sfeer thuis erg bedrukt. Je leefde met de vraag: wanneer komen ze bij ons aanbellen ? Vanuit die sfeer kwamen we vaak s' ochtends in de klas bij elkaar. Geleidelijk aan werd onze klas kleiner ; vriendjes en vriendinnetjes verdwenen van de ene dag op de andere: eerst Sara, daarna Loekie, vervolgens Hans, dan Greetje en Bora, en vele anderen. En dit overkwam uiteraard alle klassen. Begin 1943 werden de klassen zo klein dat vier, vijf en zes werden samengevoegd. Het proces van uitdunnen ging onverminderd door, totdat ik zelf in juni 1943 aan de beurt was, maar toen was er van de hele school nog maar bar weinig over.
In die beroerde tijd was de school voor ons, kinderen, een plek waar wij ons nog veilig voelden. Een plaats waar we ons konden ontspannen en waar we nog in harmonie met elkaar, konden omgaan; ook met de volwassenen. Er ontstond een vriendschappelijke verhouding met onze meester, meester Izaak Pinto, terwijl hij toch het gezag bleef houden over ons. Het opdoen van kennis raakte op de achtergrond en ik herinner me dat we intensief bezig zijn geweest met het instuderen van een revue. We leefden op school op een eilandje van wederzijdse vriendschap en liefde voor elkaar. Op school hadden we vrijaf van de oorlog. Maar ook weer niet helemaal, want het wegvallen van een vriendje of vriendinnetje was voor ons erg verdrietig, maar dat werd herkend en erkend. Heel dramatisch voor ons allen was het als een kind van school door zijn ouders opgehaald werd, om dan samen afgevoerd te worden naar de schouwburg of verder’.

daltonschool

image.pjpeg

click op kaartje
Aan het eind van de Noorder Amstellaan over de Boerenwetering en langs de Apollohal en de pas gebouwde Rijksverzekeringsbank, kwam je in het 'dure zuid' de Beethovenbuurt, ten zuiden van de Apollolaan.
In de waarneming van de bezetter was ook dat zeker een joodse buurt met bijna vijf duizend joden op een totaal van ruim twaalf duizend bewoners. Vreemd genoeg waren er daar maar twee scholen en beide hadden een 'modern onderwijsprofiel'.
De Daltonschool was gevestigd aan de Jan van Eyck-straat, in een vrijstaand schoolgebouw op een binnen-terrein achter de huizen met de oneven nummers. Als je de straat uitliep en de Beethovenstraat overstak kwam je in de Corellistraat, waar de 1e Montessorischool zat, ook in een speciaal voor dat type onderwijs gebouwd schoolgebouw. Tezamen hadden die twee scholen zo'n 450 leerlingen, waarvan bijna de helft joods was.
Bij de onderwijsherschikking besloot de gemeente dat het gebouw van de Daltonschool beschikbaar moest komen voor een joodse school. Dat werd de Joodsche school nr 13, met Samuel Bannet als hoofd. September 1942 werd hij opgepakt, Jacob Muller volgde hem op, die kwam van de Joodsche school aan het van Borssenburgplein.
Op maandag 22 september vond de wissel plaats. Terwijl 117 joodse leerlingen achterbleven, verhuisde de Daltonschool met haar 85 niet-joodse leerlingen naar de Corellistraat. In de Montessorischool was immers voldoende ruimte ontstaan omdat daar de 70 joodse leerlingen werden overgeplaatst naar de joodse Montessorischool aan het Willinkplein.
Van de scholen uit de andere buurten van dit stads-kwartier kwamen vervolgens nog zo'n 75 leerlingen naar deze joodse school. Zodoende kwam het leerlingen-aantal bij aanvang ruim boven de 300, maar het daalde gestaag. In december 1942 toen de school was overgenomen door het onderwijsbureau van de Joodsche Raad, telde de school nog maar zo’n 200 leerlingen. Opvallend is dat, terwijl de scholen in de Transvaalbuurt en de Rivierenbuurt als effect van de concentratie van joden in die beide buurten, ook in het tweede schooljaar goed op sterkte bleven, de school in de Jan van Eyckstraat zienderogen leger werd. Toch bleef deze school vrij ongestoord bestaan, zelfs tot na de zomer van 1943.
Het joodse onderwijsbestuur noteert in een verslag van 22 juli 1943: ' Ten aanzien van Amsterdam zijn nauwkeurige gegevens op dit ogenblik niet bekend. Het aantal leerlingen in alle takken van onderwijs bedraagt naar schatting 500 á 600, dus circa 6% van het oorspronkelijke. Het aantal leerkrachten is voldoende, alleen bij het middelbaar onderwijs zullen enige moeilijkheden rijzen. Voorlopig worden aangehouden: één school in Zuid (Jan van Eijckstraat 21) en drie scholen in oost (Tugelaweg, Sparrenweg en Kraaipanstraat). Ook de Joodse H.B.S is nog tot onze beschikking’
[NIOD 182 - map 130 doc 0140]

Bertie van Gelder (1933) vertelt in 2011:
In september 1941 gingen mijn oudere zus en ik naar de Joodse Montessorischool op het Daniël Willinkplein. Ik zat bij meester Abraham Mok in de 3e klas. Mijn zus zat twee klassen hoger. Het was een hele tippel, helemaal vanaf de Amstelveenseweg waar wij woonden, naar het Willinkplein bij de Wolkenkrabber, wel een stief uurtje heen en terug. Eerst hadden we nog een autoped met luchtbanden, die we van niet-joodse kinderen hadden gekregen; we gebruikten die om de beurt, maar al gauw mocht dat ook al niet meer van de bezetter. Op die school "verdwenen" elke dag klasgenootjes, wat we als voldongen feit aannamen.
Op die school voerde ik zó weinig uit dat mijn moeder me in september 1942 in liet schrijven bij de gewone Joodse lagere school in de Jan van Eijckstraat. De naam van mijn onderwijzer weet ik niet meer. Op die school had ik les in "ploegendienst", omdat er te veel leerlingen waren om de hele dag iedereen les te kunnen geven. De ene week ging ik van 's ochtends 8 tot 's middags 12 uur naar school en de andere week van 13 tot 17 uur. Ook weer lopen heen en weer, maar dat was veel minder ver van huis dan de Joodse Montessori op het Willinkplein.
Die school was een gewone school met klassikaal onderwijs, netjes in bankjes en doen wat de meester zegt. Streng, huiswerk (vanwege die halve dagen school), maar nog wel gym, handwerken en handenarbeid als wij geen les hadden. Het hoofd, meester Muller stond 's ochtend en 's middags bij het schoolhek om te kijken wie er allemaal kwamen. Ook hadden we wel toneel; en met Poerim 1943 kwamen Johnny en Jones een voorstelling geven. Al die tijd heb ik op de Jan van Eijckschool gezeten terwijl mijn zusje op de Montessori-school aan het Willinkplein bleef; tot 24 mei 1943. De dag daarna doken we onder.

montessori

image.pjpeg

click op kaartje


In die tijd waren er in Amsterdam zeven openbare lagere Montessorischolen en een particuliere, dat was de Amsterdamse Montessorischool in Zuid. Bij elkaar zaten op die acht scholen ruim tweeduizend kinderen en dat was ongeveer 5% van alle openbare lagere school-leerlingen in die tijd. Van die tweeduizend waren volgens de opgave door de schoolhoofden in juli '41, zo'n vier-honderd leerlingen joods; een opmerkelijk groot aantal.
Vooral op de 4e Montessorischool in de Tweede Boerhaavestraat bij het Oosterpark zaten veel joodse kinderen, ongeveer 200 van de 290 leerlingen was joods. De 1e Montessori in de Corellistraat was met ruim 70 joodse leerlingen een goede tweede. De 6e Montessori in de Nierstraat [waar Anne Frank in het schooljaar 40/41 in de 6e groep zat] en de 5e Montessori in de Herschelstraat hadden resp. zo'n zestig en vijfendertig joodse leerlingen.
In 2007 heeft de 1e Montessorischool, nog steeds gevestigd in de Corellistraat, een boekje uitgegeven over het vertrek van de joodse leerlingen in 1941, onder de titel 'In verband met de vermindering van het aantal kinderen'. In dat boekje wordt een veel groter aantal leerlingen genoemd dat de school moest verlaten. Dat betreft echter ook oud-leerlingen van de Montessori-kleuterschool (voorbereidende school nr 20) uit de jaren van voor 1941. Het aantal van plm 70 dat ik heb gevonden, betreft alleen de leerlingen van de lagere school die per september 1941 daar moesten vertrekken.[SAA 5191 map 7423 doc 3102]

Het pleit voor de zorgvuldigheid van de afdeling onderwijs van het Amsterdamse stadhuis, dat aan deze vierhonderd Montessori-leerlingen speciale aandacht werd gegeven. Dat was immers niet eenvoudig, bij het gewone joodse onderwijs was er al een tekort aan joodse leerkrachten, zo bleek bij de voorbereidingen voor de herschikking. Voor de negen klassen die gevormd moesten worden om die vierhonderd Montessori-kinderen te kunnen plaatsen was er helemaal een groot tekort aan leidsters en leiders [zo heetten toen de Montessori juffen en meesters]. De eerste inventarisatie leverde slechts vier gekwalificeerde Montessori-leerkrachten op; gelukkig was het voormalige hoofd van de (particuliere) Amsterdamse Montessori-school, mevrouw Rosalie Joosten-Chotzen beschikbaar om hoofd te worden.

Een ander probleem was uiteraard de sterke spreiding van de joodse Montessori-leerlingen over de stad; de acht Montessorischolen zaten in Zuid, West en Oost. Alle kinderen onderbrengen in één gebouw zou ondoenlijk zijn, daarom werd gekozen voor een school op drie locaties, zodat de afstanden voor de kinderen niet al te groot waren.

De 4e Montessori in de Tweede Boerhaavestraat werd omgevormd tot Joodsche Montessorischool met buitenklassen (dependances) in de Smitstraat in de Transvaalbuurt en aan het Willinkplein (tegenwoordig Victorieplein) in het hart van Plan Zuid.
Er werden negen joodse Montessori-klassen gevormd [zo'n klas bestond altijd uit meerdere leerjaren]. Vanzelfsprekend bleven de kinderen van de 4e gewoon in een van de vier klassen in hun eigen gebouw in de Boerhaavestraat en gingen de kinderen van de 5e Montessori in de Watergraafsmeer naar de twee buitenklassen, in het gebouw van de voormalige Transvaalschool op het binnenterrein achter Smitstraat nr 15. Alle andere kinderen, van de Montessorischolen in Zuid en West konden terecht in de drie buitenklassen in het schoolgebouw aan het Willinkplein; de kleuterschool die daar zat werd verplaatst naar het scholencomplex aan de Dongestraat.
Bij aanvang, op 22 september waren de drie vestigingen organisatorisch één school, met Rosalie Joosten-Chotzen als hoofd, maar al snel werd de school gesplitst en werd mejuffrouw Elisabeth Wessel (afkomstig van de ULO) hoofd van de Boerhaave-vestiging. De twee groepen in de Smitstraat bleven onderdeel van de school aan het Willinkplein, totdat ze na de zomer van 1942 werden opgeheven.

Voor de niet-joodse kinderen van de 4e Montessori-school werd verderop in de Tweede Boerhaavestraat op nr 22, de gewone 4e Montesssorischool voortgezet, met zo'n 80 leerlingen.
Stigter noemt in 'De bezette stad' op pag. 222 ten onrechte het adres Nierstraat 41 voor 'drie buitenklassen van de joodse lagere Montessorischool aan de Tweede Boerhaavestraat 82 in 1941' Oorspronkelijk was het de bedoeling 'buitenklassen' te vestigen in het gebouw van de 6e Montessorischool in de Nierstraat. Dat was echter de helft van een dubbelschoolgebouw met een 'gewone' kleuterschool als buren en zo'n combinatie van arische en niet-arische kinderen onder één dak, werd door de bezetter niet toegestaan. Dus werd daar van af gezien en het schoolgebouw aan het Willinkplein (nu Victorieplein) ingericht.
Maar niet iedereen was daar het mee eens, zo schrijft een meneer W. Brink, die daar om de hoek woonde regelrecht aan de Secretaris-generaal op het Onderwijs-departement in den Haag: ‘Nu doet zich het merkwaardige feit voor, dat één der mooiste kleuterscholen, staande Daniël Willinkplein, aangewezen is voor Joodsche Kinderen. Daar het toch zeer zeker niet in de bedoeling ligt Arische Kinderen bij Joodsche Kinderen ten achter te stellen, verzoek ik U beleefd dit geval te willen onderzoeken en alsnog maatregelen te nemen deze onjuiste handelwijze te herzien’

image.jpeg

de school aan het Willinkplein
Ook bij het Montessori-onderwijs sloegen de bezuinigingen toe, zodra de scholen in het najaar van 1942 overgedragen waren aan de Joodsche Raad. De dependance in de Smitstraat werd gesloten, dat leverde een besparing van zo'n 2.000 gulden sjaars op aan beheersvergoeding. De 'Transvaalschool-'leerlingen, want zo werd die school nog steeds genoemd, oa uit de Watergraafsmeer moesten vanaf toen helemaal door lopen naar de Tweede Boerhaavestraat.
Eind mei 1943 vonden in Amsterdam verschillende grote razzia's plaats, waarbij op 23 mei zo'n 8 duizend mensen en 26 mei nog eens ruim 3 duizend werden afgevoerd. Daar zat een aantal joodse leerkrachten bij, waardoor het joodse onderwijs in Amsterdam volledig ontwricht raakte. Het onderwijsbureau sloot daarop alle joodse scholen tot het eind van de maand. De scholen in de binnenstad bleven ook nadien gesloten terwijl in Oost en Zuid leerkrachten, leerlingen en de gebouwen werden heringedeeld.
De Montessorischool-leerlingen verhuisden toen samen met de twee overgebleven leerkrachten (Rosalie Joosten-Chotzen en Abraham Mok) van het Willinkplein en de 2e Boerhaaavestraat, naar het schoolgebouw Jekerstraat, nr 86. Daar kregen ze onderdak bij de reeds gecombineerde joodse scholen 10 en 11. Dat alles heeft slechts een paar weken geduurd want na de laatste grote razzia's, 20, en 22/23 juni ging de Montessorischool definitief dicht, gelijk met de andere twee Jekerstraat-scholen. De paar leerkrachten die op die drie scholen tezamen nog aanwezig waren, werd gevraagd hun schoolsleutel in te leveren op het onderwijsbureau aan de Tulpstraat.
In de zomerperiode inventariseerde het onderwijsbureau wie er nog aanwezig was aan leerkrachten en leerlingen. Waarop vervolgens aan de Joubertstraat in de Transvaalbuurt een verzamelschool werd geopend; ook de laatste tien Montessori-kinderen konden daar terecht. [zie verderop 'de laatste school']

Henny Waas (1933) vertelt in 2007:
‘Mijn vader was heel vrijdenkend en modern en omdat hij wilde dat ik naar een Montessorischool zou gaan, verhuisden we in 1938 naar de Linnaeusparkweg. Eerst ging ik op de Montessori-kleuterschool en daarna naar de lagere Montessori, in de Herschelstraat.
Het was denk ik in 1941 dat ik bij het schoolhoofd, mevrouw Boerema werd geroepen, die mij toen vroeg hoeveel Joodse grootouders ik had. Omdat mijn beide grootvaders al gestorven waren voor mijn geboorte, antwoordde ik naar eer en geweten, twee. Het heeft niet mogen baten, kennelijk was hun informatie completer dan mijn ongewild leugentje wilde doen geloven. Na de zomer moesten we de Montessorischool verlaten en werden we naar de Smitstraat verwezen, waar een Joodse Montessorischool was. Mijn vriendinnetje Ineke, haar zusje Rita en ik waren de enigen die daar naar toe gingen. Mijn vader regelde zijn werk zodanig, dat hij ons drieën ‘smorgens met de fiets aan de hand, naar school bracht. We bleven over en 'smiddags mochten we alleen naar huis komen. Verder uit onze klas waren er geen kinderen die naar de Smitstraat gingen. Er was slechts een meisje in de klas dat met de verandering van school verdwenen was.
Van de andere leerlingen die uit de Meer kwamen hebben we onderweg weinig gemerkt, ook omdat we de boodschap hadden vanuit school direct naar huis te komen. Wel zag je groepjes kinderen lopen, maar wij hadden daar geen contact mee. Die groepjes zag je tot aan het begin van de Middenweg en dan losten ze zich op. Het was opvallend dat het bijna allemaal jongens waren.
Het was nog niet zo erg, totdat we na een klein jaar het bericht kregen dat we naar de school in de 2e Boerhaavestraat moesten. En toen begon de ellende. De razzia's begonnen. Afstanden lopen was geen probleem, maar we moesten langs de Tugelaweg en elke dag weer zag je leegstaande huizen, waarvan de bewoners weggehaald waren en direct daarna werden de ruiten ingegooid, de gordijnen wapperden in de wind en een deel van de bezittingen waren er al uitgehaald en de rest gestolen. Ook overdag waren er soms razzia's en je had geleerd op een verre afstand te blijven, toch kon je de gehate vrachtwagens zien waar de mensen ingeduwd werden. Een verschrikkelijk gezicht!
Op school was het een treurige toestand, elke nieuwe dag was het: Davy is weggehaald, Rozetje is weggehaald en met de dag werden de klassen kleiner. We werden er helemaal naar van.
Mijn vader had een Sperr, vandaar dat ik nog steeds in Amsterdam was, maar in mei 1943 was het te gevaarlijk geworden; hij vond het tijd om maatregelen te nemen en ik moest verdwijnen. Ook oom Maan dook na dat schooljaar onder, want op school waren er nog maar enkele kinderen, waaronder mijn vriendinnetje Ineke en haar zusje, met de fatale gevolgen van dien`
[Oom Maan was Emanuel Porcelijn, onderwijzer in Laren en daarna aan de Joodse Montessorischool in de 2e Boerhaave)

  • Bij het Amsterdamse Stadsarchief is het leerlingenboek van de Joodse Montessorischool in de 2e Boerhaavestraat digitaal beschikbaar Het betreft 224 leerlingen gedurende de hele periode van 8 december 1941 tot begin april 1943 - met zelfs de datum van 'vertrek'
    Via de site van het Stadsarchief zijn de inventarissen tegenwoordig te raadplegen; typ toegangnummer 5288 in en click dan op map 3/9
notitie DE ZESDE in de Nierstraat

west

image.pjpeg

click op kaartje
Buiten de 'joodse buurten' woonden uiteraard ook wel joodse gezinnen; met vooral in West nog wel zo'n honderd joodse 'openbare' kinderen, volgens de opgave van juli '41. De gemeente opende voor deze zeer verspreid wonende kinderen, één school, in de Staatsliedenbuurt, aan de Cliffordstraat op nummer 36, in een schoolgebouw dat niet meer in gebruik was. Het lag nogal excentrisch ten opzichte van de andere westelijke buurten van de stad.
Eind september 1941 toen die Joodsche school nr 14 open ging, kwamen er er slechts 56 kinderen opdagen. De afdeling Onderwijs was waarschijnlijk uitgegaan van een grotere opkomst, er waren drie klassen gevormd met twee leerkrachten plus het hoofd Mozes Goubitz, hij kwam van de Corantijnschool bij het Surinameplein.
Gelet op de enorme afstanden die sommige kinderen dagelijks te voet zouden moeten afleggen, is het waarschijnlijk dat veel ouders hun kinderen vanaf september 1941 gewoon thuis hebben gehouden. Er was dan wel leerplicht, ook voor de joodse kinderen maar het toezicht daarop faalde.
Abel Herzberg in zijn Kroniek der Jodenvervolging (p242): 'Soms moest een kind een uur of langer lopen van huis naar school. Tram en fiets waren immers verboden. Soms haalde een handkar van de Joodse Raad de zware schooltassen langs de huizen op.
Bij de overdracht aan het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad in december 1942 ontkwam uiteraard dit kleine schooltje niet aan de bezuinigingsreorganisatie. Er waren toen nog maar 25 leerlingen en daar waren geen 3 onderwijzers voor nodig; het werd een eenklassige schooltje, dat ondanks pogingen elders onderdak te vinden, gevestigd bleef in het schoolgebouw aan de Cliffordstraat; waarbij de rest van het gebouw afgesloten werd. Dat duurde tot eind mei 1943; ook West werd door de bezetter niet ontzien bij de grote razzia’s, zo dat er in de laatste week van mei bijna geen kinderen meer kwamen opdagen. Het onderwijsbestuur sloot op 31 mei ook deze school; schoolhoofd Mozes Goubitz was toen al opgevolgd door Gerrit van Praag en die dook in die dagen subiet onder.
Meester Jakob Druijf, die in West woonde en zonder werk zat toen school nr 1 aan de Oude Schans was opgeheven, nam het handjevol kinderen dat er nog was onder zijn hoede, bij hem thuis in de Jan van Galenstraat.
Zijn naam en zijn klasje met 10 leerlingen wordt nog vermeld in het laatste verslag van het bestuur van het joodse onderwijs, van 23 augustus 1943. [NIOD 182 – 108]


noord

image.pjpeg

click op kaartje
Boven het IJ, in Amsterdam Noord woonden heel weinig joden, om precies te zijn 625 op een totale bevolking van bijna 54.000. De joodse schoolkinderen, er waren 28 geteld, zaten verspreid op 13 scholen voornamelijk in de westelijke wijken van dit stadsdeel. Op die scholen mochten ze dus na de zomervakantie 1941 niet meer terugkomen, maar om ze elke dag het IJ over te laten steken om een van de Joodse scholen in de stad te bezoeken, dat was zelfs de bezetter te gortig. Dus kwam er een joodse school in Noord; één klasje, onder leiding van juf de Haas.
Geziena de Haas kwam van het schooltje op Schellingwoude, helemaal aan het eind van de dijk, bij de Oranjesluizen. Daar had ze in november 1940 moeten vertrekken omdat joodse leerkrachten niet meer les mochten geven aan niet-joodse kinderen. Zij was een van de 133 joodse leerkrachten die toen bij de gemeente Amsterdam in dienst waren en vanwege hun joods-zijn ontslagen werden.
Bij aanvang zaten er 25 joodse leerlingen op deze Joodsche school nr 15, verdeeld over alle leerjaren. Ze zaten allemaal in één klas, bij juf de Haas op de bovenverdieping van de ene helft van het dubbele schoolgebouw aan de Floraweg, de Campanulaschool, die juist aan het eind van het schooljaar 40/41 was gesloten. In de andere helft zat de Floraschool, een nogal grote school met bijna 300 leerlingen.

image.jpeg

Geziena de Haas had een jongere zus, Diena, die nog op de Kweekschool zat; in januari 1942 werd zij benoemd als ‘kwekeling B’ en kon ze de kleintjes apart nemen. Er was ook een gymnastiekonderwijzer, Nathan Roeg, maar die dook al snel onder. Ook Geziena en zusje Diena doken onder, in het najaar van 1942. Tegen de wintervakantie van 1942 waren er nog maar 16 kinderen, maar niemand die ze les kon geven.
Net zoals de andere pas opgerichte joodse scholen werd het schooltje in Noord in opdracht van de bezetter door de gemeente overgedragen aan de Joodsche Raad. De feitelijke overdracht werd een paar keer uitgesteld, maar uiteindelijk is het 3 december 1942 een feit. Toen bleek dat de gemeente een vergoeding van 1000 gulden per jaar bedong voor het gebruik van de lokalen van de Campanulaschool. Dat vond de Joodsche Raad wel erg veel voor het instandhouden van dit kleine schooltje. Naarstig werd gezocht naar een oplossing, die werd gevonden in Asterdorp op Buiksloterham.

ASTERDORP
Voor 1940 woonden daar ‘asocialen' die in hun woongedrag opgevoed moesten worden, nu zaten er joodse gezinnen die als gevolg van de concentratiemaatregelen, naar Amsterdam waren gestuurd. Vanaf maart 1942 werden joden overal in het land verplicht naar Amsterdam te verhuizen. Vanzelfsprekend dat in de door de bezetter aangewezen ‘joodse wijken’ een nijpend huisvestingsprobleem ontstond, onder andere voor de Duitse joden, die voor 1940 naar Nederland waren uitgeweken en opgevangen in Bussum, Hilversum en den Haag; die moesten nu naar Amsterdam. Bij gebrek aan opvang bij familie of bekenden in Amsterdam, werd deze groep als eerste doorgeplaatst in Asterdorp. Dat gebeurde vanaf juli 1942; het betrof zo’n 170 joden oorspronkelijk afkomstig uit Duitsland, Oostenrijk en Polen. Later, vanaf najaar 1942 kwamen er ook Nederlands joodse gezinnen bij, uit den Haag en ook uit het Gooi. In totaal hebben er zo’n 300 mensen gewoond in de 132 woningen die tezamen Asterdorp vormde.

image.jpeg

Na de wintervakantie van 1942 verhuisde de Joodsche school nr 15 van de Floraweg, naar het adres Blauwe Distelweg 94, de bovenverdieping van het poortgebouw van Asterdorp. Geziena en Diena de Haas waren toen al ondergedoken. Het onderwijsbureau van de Joodsche Raad vond in Asterdorp een geschikte vervanger in de persoon van Henri Alter, hij kwam uit den Haag, moest zich vestigen in Asterdorp en raakte zodoende betrokken bij het reilen en zeilen van dit kleine schooltje. Hij was geen onderwijzer, werd dan ook niet benoemd en ook niet betaald, maar hij had wel die laatste paar maanden de zorg voor het kleine groepje leerlingen; in januari 1943 waren dat er toch nog 22.
De inspecteur voor het Joodsche Algemeen Vormend onderwijs, de heer A. Bartels bezocht nog in het voorjaar van 1943, de school in Amsterdam Noord. In zijn verslag schrijft hij ‘De school telt 14 leerlingen, verdeeld over de klassen 2,3,4,5 en 6. Het hoofd doet veel om het uiterlijk van de school goed te verzorgen. Hij bezoekt ook de gezinnen waaruit de leerlingen komen’
Net als de andere joodse scholen in de stad, liep ook dit schooltje langzaam leeg; de twee grote razzia’s eind mei 1943 troffen ook de joden in Noord, daarna stond het Poortgebouw in Asterdorp leeg.

De namen van de meeste van de leerlingen zijn bekend, door het simpele feit dat er ‘klompenbriefjes’ in map 182/153 bij het NIOD zitten. Briefjes van de Gemeentelijke Dienst voor Kinderkleding en -voeding , verstrekt door de school. Daarmee kon je naar de ‘bedeling’ in de van Reigersbergerstraat, voor klompen, een jurkje, een broek, een jas; daar waren joden dus niet van uitgesloten, zelfs niet begin 1943 toen de gemeente geen bemoeienis meer mocht hebben met het joodse onderwijs.
Zo’n ‘klompenbriefje’ mocht alleen afgegeven worden als schoolverzuim dreigde vanwege erbarmelijke kleding of schoeisel.
De kinderen de Lange kregen zulke briefjes, zes kinderen : Abraham, Naatje, Judith, Dora, Reina, Samuel, uit een gezin van vijftien. Ze woonden in de Distelvoorstraat, op nummer 26, in zo’n klein huisje, dat tegenwoordig net groot genoeg is voor een ‘single starter’. Vader Levie is de enige die terug is gekomen; hij beschreef ‘het verhaal van mijn leven (heruitgave van Oorschot, 2011).
Uit Tuindorp Oostzaan kwam ook kinderen naar de joodse school, zoals de kinderen Arnold, Ronald en Ellen Israel en Carla en Hendrika Gobitz. Ze moesten vanuit Tuindorp om het Zijkanaal heen, helemaal de lange dijk af. In het begin lukte het ze nog om naar school te komen. Ze hadden van het onderwijsbureau een buskaart gekregen, een ‘ochtendkaart’ en een ‘middagkaart’. Tussen de middag bleven ze dan op school, dat was toen heel ongebruikelijk. Later had juf de Haas de pauzetijd zelfs aangepast, zodat ze nog voor het donker thuis konden zijn.
Maar uiteindelijk, toen joden niet meer met de bus mochten en ook geen fietsen meer mochten bezitten werd dat door de afstand van wel een uurtje lopen zo goed als onmogelijk. Toen werd er een ‘huisonderwijzeres’ in het Tuindorp gevonden, weliswaar een ‘niet-bevoegde’, maar tegen die tijd waren de Tuindorpkinderen al ondergedoken.
kleuterklasje in Noord
Misschien wel het wonderlijkste in de geschiedenis van de joodse school in Amsterdam Noord, is dat er plotseling, voorjaar 1943 een kleuterklasje werd gesticht.Mevrouw Hendrina Blok-Frank (1915-1943) had daartoe het initiatief genomen. Zij was frobeljuf en vanuit Den Haag in Asterdorp terecht gekomen. Ook Susanna Koster (1915-1943), die in Disteldorp woonde en godsdienst-onderwijzeres was, werd erbij betrokken. Op verzoek van het Onderwijsbureau werd voor dit kleutergroepje in Asterdorp een benedenwoning aan de Blauwe Distelweg, nr 92 beschikbaar gesteld, dat was begin mei 1943.
Ik denk dat dit kleuterklasje samenhing met de plotselinge toename van kinderrijke gezinnen in Asterdorp, veroorzaakt door de laatste golf gedwongen verhuizingen uit het land. In de periode april-mei 1943 werden er tussen de twee en de twaalf kleuters aangemeld, maar eind mei 1943 was Asterdorp zo goed als ‘leeg’; het kleuterklasje heeft dus maar heel kort gefunctioneerd.
bronnen : NIOD 182 – mappen 102, 108, 120, 133, 172, 272 en vooral map 153 Op veel van de documenten die ik in deze map heb aangetroffen over de joods school in Noord, staat in potlood een paraaf of bijv ‘opgezonden’ en een datum – die paraaf is een a, van Alter. Aannemelijk is dat deze map regelrecht afkomstig is van die school nr 15 (en dus niet van het bureau van de Raad)

notitie ASTERDORP

bijzondere scholen

image.pjpeg

click op kaartje
Naast de door de gemeente opgerichte joodse lagere scholen, waren er voordien al vier scholen met een joodse signatuur. Die vielen niet onder het gezag van de gemeente, maar waren zelfstandig en hadden bestuurlijk een relatie met joodskerkelijke groeperingen.

image.jpeg

Het gebouw van de Palacheschool aan de Lepelkruisstraat in de Weesperbuurt

De Nederlands Israëlische Schoolvereniging Kennis en Godsvrucht beheerde twee lagere scholen :
de Palacheschool in de Lepelkruisstraat op nr 4 in de Jodenbuurt, daar was Nathan Cohen (1905) het Hoofd der School en de Herman Elteschool. Dat was de oudste joodse school, opgericht in 1874, eerder gevestigd in de Plantage en aan de Nieuwe Achtergracht, maar in 1936 verhuisd naar een gemeentelijk schoolgebouw aan de van Ostadestraat, op nr 203 in Oud Zuid. Daar was Elias Stibbe (1895) in die jaren Hoofd der School.
De Palache en de Herman Elte hadden in mei 1941 samen zo'n 570 leerlingen.
De vereniging K&G beheerde ook een fröbelschool aan de Nieuwe Keizersgracht en de Joodsche ULO aan de Reguliersgracht.

image.jpeg

Daarnaast was er de onderwijsstichting Talmud Tora gelieerd aan de Portugees-Israëlitische gemeente met ook twee lagere scholen, de Talmud Tora A en de Talmud Tora B.
School A zat in de Tweede Boerhaavestraat op nr 7 in een speciaal voor deze school in 1924 gebouwd schoolgebouw, met Victor de Vries (1899) als Hoofd der School. School B was daar een afsplitsing van en sinds 1935 gevestigd in de Transvaalbuurt, in het nieuwe dubbele schoolgebouw in de Kraaipanstraat naast de openbare Louis Bothaschool; hier was Salomon Vuisje (1905) Hoofd der School,
De twee Talmud Tora scholen hadden mei 1941 tezamen zo'n 450 leerlingen.
Deze vier joodse scholen moeten niet verward worden met de joodse namiddagschooltjes, die georganiseerd door een van de synagogen, zich buitenschools bezig hielden met het onderricht in Hebreeuws en het Oude Testament. Sommige van die namiddagschooltjes waren bovendien nogal ‘zionistisch’, dwz gericht op de voorbereiding op de emigratie naar Palestina. Er waren er een tiental oa in Noord en in de Watergraafsmeer, maar uiteraard ook in de Pijp, in de Rivierenbuurt, in de Transvaalbuurt en meerdere in de Oude Jodenbuurt.
Tezamen hadden deze vier bijzondere scholen in het schooljaar 40/41 ruim duizend leerlingen en dat was een kleine 20% van de 5.200 joodse leerlingen in het Amsterdamse lager onderwijs. Vanaf september 1941, toen de scheiding in het onderwijs door de bezetter opgelegd werd, steeg dat aantal snel naar ruim 25% van het totaal aan ‘vol-joodse’ lagere school kinderen. Een opmerkelijke toename die lijkt me, werd beïnvloed door de anti-joodse maatregelen van de bezetter. Opvallend daarbij is dat de toename van leerlingen vooral plaats-greep in de Talmud Tora in de Kraaipanstraat (+70) en bij de Elteschool in de Pijp (+60).
[in mijn artikel ‘de ontjoodsing’ zal ik tzt ingaan op het verschijnsel van de ‘verjoodsing’ binnen het onderwijs]
Anders dan de openbare scholen waren deze joodse bijzondere scholen geen buurtscholen, de leerlingen kwamen overal vandaan. Weliswaar lagen de scholen goed gespreid in de joodse buurten, maar er was er geen in de Oude Jodenbuurt. De Herman Elteschool lag bovendien nogal excentrisch, in de Pijp; het was zowel van uit de joodse buurten in Oost via de Ceintuurbaan, als vanuit Plan Zuid over de van Woustraat, een hele tippel om op die school te komen.
Najaar 1941 werden alle joodse stichtingen en verenigingen ontbonden en de vermogens door de bezetter geconfisqueerd, maar schoolvereniging Kennis en Godsvrucht als ook onderwijsstichting Talmud Tora werden (nog) ontzien. De bedoeling van de bezetter was deze scholen net als de openbare joodse scholen, over te dragen aan een 'joodsche raad', maar dat liet op zich wachten tot november '42. Toen kregen de hoofden van deze bijzondere scholen bericht dat ze onder het bestuur voor het Joodse Onderwijs in Nederland vielen en dat gelet op de bijzondere positie die het Joods Bijzonder Onderwijs innam, het beheer was opgedragen aan 'het schoolbestuur voor het Joods Bijzonder Onderwijs'. Dat bestuur zonder enig juridisch kader, werd gevormd door vertegenwoordigers van de voormalige joodse schoolbesturen en de joodse kerkgenootschappen. De joodsreligieuze signatuur van deze bijzondere scholen werd zodoende weliswaar beschermd, maar het was het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad dat feitelijk ook deze scholen beheerde.


image.jpeg

Op de plaats waar het weeshuis Megadle Jethomiem stond, is nu in het plaveisel voor het Muziektheater aan de Amstel, een markering aangebracht
Naast deze vier lagere scholen was er ook nog de 'gestichtschool' van het jongensweeshuis Megadle Jethomiem, aan de Amstel bij het Waterlooplein Er zaten wel honderd kinderen, jongens en meisjes in dit joodse weeshuis, de helft daarvan in de lagere schoolleeftijd. Maart 1943 werden alle kinderen door de bezetter op transport gezet naar Sobibor.

Zolang de zelfstandige schoolbesturen door de bezetter werden gehandhaafd, dwz tot najaar 1942, behielden de scholen en ook de weeshuisschool de financiering zoals die voordien, dwz voor 1940 gebruikelijk was. Rijk en gemeente betaalden resp. 70 en 30% van de schoolbegroting. Vanaf de officiële overdracht per november 1942 aan de Joodsche Raad maakte deze wijze van subsidiëring plaats voor een bedrag per joodse leerling, dat door het departement in opdracht van de bezetter aan de Joodsche Raad werd verstrekt. Uitsluitend de vol-joodse leerlingen zoals die geregistreerd stonden in het bevolkingsregister, telden mee. Het bedrag was beduidend lager dan voorheen door Rijk en gemeente werd uitgekeerd, dientengevolge ging het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad ook bezuinigen binnen het bijzonder onderwijs. Om te beginnen werden de ouders van niet-vol-joodse leerlingen (de Joodsche Raad sprak van ‘kinderen zonder ster’) aangezegd dat hun kinderen niet langer op de school van hun keuze kon blijven.
Vervolgens werd de weeshuisschool opgeheven en de plm. 55 lagere school leerlingen geplaatst op de Talmud Tora in de Boerhaavestraat, ook hun hoofdonderwijzer Mozes de Bruin (1889) verhuisde mee. Vervolgens werden per 8 december 1942 de klassen van deze vier scholen opnieuw ingedeeld, er waren namelijk nogal wat kleine klassen, die door een nauwkeurige manoeuvre werden gehergroepeerd onder het toeziend oog van het nieuwe schoolbestuur. De onderwijsteams konden vervolgens worden verkleind van in totaal 29 naar 24 leerkrachten, wat dus een aanzienlijke besparing opleverde. [meer hierover en verder gedetailleerd tzt in mijn artikel ‘de ontjoodsing'].

image.jpeg

Leerlingen van 3e klas van de Herman Elteschool, zomer 1942 met juf Rosalie Polak
In de maanden die volgden kregen ook deze scholen het zwaar te verduren; bij de opeenvolgende razzia’s eind mei en in juni verdween het merendeel van de schoolbevolking, leerlingen en leerkrachten. Toch bleef een van de vier scholen overeind, zelfs na de zomer van 1943 waren er kinderen en onderwijzers aanwezig in de Talmud Tora in de Kraaipanstraat. In een van de laatste verslagen (23 augustus 1943) van het Joodse Onderwijsbureau staat ‘en daarnaast is er de school in de Kraaipan met 94 ll (1e 12; 2e 16; 3e 16; 4e 17; 5e 21 en 6e 12) met Engelander-Polak, J. Bolle-Polak en S Vuisje als hoofd’.
Maar ook voor deze school viel het doek; de allerlaatste leerlingen vonden onderdak op ‘de laatste school’ in de Jouberstraat.

  • click op foto
wilhelmina catherina

image.jpeg

Naast het religieus verankerde bijzonder onderwijs, had je ook toen al, bijzondere scholen op neutrale grondslag, vaak opgericht door bevlogen onderwijsvernieuwers in de 19e eeuw. Sinds de onderwijswet van 1920 werden deze scholen ook door de overheid bekostigd, mits ze onder het beheer stonden van een schoolvereniging of onderwijs-stichting. Zo ook de Amsterdamse Schoolvereniging voor Opvoeding en Onderwijs, opgericht door de theosofen Willem Barend Fricke en mevrouw Piet Meuleman, die voor ogen hadden dat opvoeding en onderwijs mensen moest vormen tot vrije denkers. In 1923 vestigde de school zich onder de naam Wilhelmina Catherina School aan de Weteringschans in een door architect de Bazel, speciaal voor de vereniging gebouwde school.
De Wilhelmina Catherinaschool was dus wat we tegenwoordig een 'particuliere school' noemen, waar een behoorlijk bedrag aan schoolgeld moest worden betaald.
In 1941 zaten er ongeveer 175 kinderen op de school. waarvan volgens de opgave in augustus '41, 74 joods was. De door de bezetter uitgevaardigde maatregel dat de joodse kinderen verwijderd moesten worden, bracht het bestuur van de Vereniging in grote moeilijkheden, de school zou in een klap onder de stichtingsnorm van 125 leerlingen zakken en zo haar rijkssubsidie kwijtraken. Men dacht het te kunnen redden door de joodsche leerlingen in een afzonderlijke afdeling onder te brengen, in een bijgebouw aan de achterkant van de school. De doorgang vanuit het hoofdgebouw werd op beide verdiepingen dichtgemetseld en zo ontstond er een afzonderlijke joodsche sectie van de school, met een eigen voordeur aan de Falckstraat. Bij aanvang van het schooljaar 41/42 zaten er 78 joodse leerlingen op die 'Joodsche afdeling van de Wilhelmina Catherina school' .
Formeel gaf dat grote problemen, de bezetter accepteerde die constructie niet en de vereniging dreigde haar rijksbijdrage te verliezen. Het bestuur deed daarop een beroep op Secretaris-generaal Van Dam van het onderwijsdepartement in den Haag; het is niet duidelijk hoe dat is afgelopen. Aannemelijk is echter dat de vereniging haar subsidie heeft behouden en dat de Joodsche afdeeling aan de Falckstraat tot juni 1943 heeft bestaan. Bij de overdracht in najaar 1942, van het joodse bijzondere onderwijs aan de Joodsche Raad werd immers ook de ‘Joodsche afdeeling van de Wilhelmina Catherinaschool’ meegenomen. Er is dan nog even onduidelijkheid of deze leerlingen 'bekostigd’ zullen worden uit het Rijkssubsidie voor de Joodse scholen, maar later blijkt dat die 66 leerlingen (op 1 september 1942) weldegelijk worden meegeteld.
In het Joodsch Weekblad stond in oktober '41 een oproep voor 'een HOOFD en LEERKRACHTEN voor de JOODSE AFDELING der Vereniging voor Onderwijs en Opvoeding'. Het schijnt dat mevrouw H. Bosman-Boom naar aanleiding van deze advertentie Hoofd van de Afdeling is geworden en dat zij werd bijgestaan door twee andere leerkrachten.
Juni 1943 werd de ‘Joodsche afdeling’ gesloten, de meeste kinderen waren verdwenen, ondergedoken of op transport. De laatste paar kinderen die er na die zomer nog waren, vonden onderdak op ‘de laatste school’ in de Joubertstraat.
Van Dam zat voor zijn aanstelling als Secretaris-generaal van het Departement van Opvoeding in november 1940, in het Curatorium van het Montessori Lyceum Amsterdam (MLA), een particuliere school die geen rijksbijdrage kende. Hij had eerst één, later twee zoons op die school en was die dus gunstig gezind. Naar het schijnt heeft hij bijna direct na zijn aantreden als SG de erkenning van het MLA weten te regelen. Ik veronderstel dat van Dam's zonen eerder op de Wilhelmina Catherina zaten en dat er dus ook goede banden tussen hem en het schoolbestuur van de Vereniging voor Onderwijs en Opvoeding bestonden, waardoor de bijzondere constructie van een joodse afdeling op de Wilhelmina Catherina school door de bezetter werd gedoogd.

bronnen: de Booij/www.egoproject.nl; SAA 5191: 7430/3217 - 10 oct 1941 - Burgemeester aan SG en SAA - 5181 (AZ): 5274 -100/257 i en h - 16 okt 1941 - Beauftragte aan Voûte-joodse scholen onder een dak met niet-joodse.

de laatste school
Begin mei 1943 waren er nog achttien joodse lagere scholen, met zo’n tweeduizend leerlingen en zeker honderd leerkrachten. Weliswaar verdwenen er met een zekere regelmaat kinderen uit de klassen en ook af en toe een meester of een juf, maar de meeste onderwijskrachten konden op hun post blijven. Sinds half september 1942 hadden ze allemaal een ‘sperr’, een speciaal legitimatiebewijs waarmee ze (voorlopig) vrijgesteld bleven van de ‘werkverruimde maatregelen’ in Duitsland.
Na de twee razzia’s eind mei kantelde de situatie drastisch; de bezetter haalde met de ‘actie’ van 26 mei, de drie oude joodse stadswijken leeg waardoor de joodse binnenstadscholen in een klap ontvolkt raakten. De meeste leerkrachten bleven dan wel gespaard, maar dat gold nauwelijks voor de kinderen, men telde er nog zo’n zestien die achter waren gebleven. Voor het Onderwijsbureau van de Joodse Raad, zat er niets anders op dan alle joodse binnenstadscholen per 31 mei subiet te sluiten.
In de documenten van de Joodse Raad staat dat er halverwege juni 1943 nog 17.000 joden in Amsterdam verbleven, waaronder een kleine duizend leerlingen, in alle takken van onderwijs. Presser nuanceert dat (p 376) met het vermoeden dat het er nog ruim 45.000 waren, waarvan ongeveer de helft in de onderduik
En dan komt zondag 20 juni; de ‘Grossaktion’ brengt in de Transvaalbuurt en in Zuid de echte genadeslag. Nu waren het vooral de onderwijzers en onderwijzeressen die ongeacht hun ‘sperr’ verdwenen, oostwaarts of in de onderduik. De verwarring op de scholen en bij het Onderwijsbureau is onbeschrijfelijk; meteen, op 23 juni gaat er een circulaire uit aan alle leerkrachten met de opdracht ‘Uw werkzaamheden zo spoedig mogelijk, liefst Donderdagmorgen 24 juni om negen uur te hervatten en de kinderen gedurende de schooluren zoveel mogelijk onderwijs te geven, of op andere wijze bezig te houden.’ De brief wordt afgesloten met het verzoek donderdag voor twee uur, aan het bureau op te geven de leerkrachten en leerlingen die nog aanwezig zijn. Deze snelle inventarisatie leert dat van de ongeveer honderd joodse lagere school leerkrachten die begin mei nog voor de klas stonden, er nog maar zo’n achttien aanwezig zijn [plus 2 in het blo en 6 op de ULO en 6 op het lyceum en de hbs]. Wederom in overleg met gemeentelijke afdeling onderwijs, wordt nu besloten nog maar een paar scholen open te houden. Dat zijn dan de Herman Elte in de van Ostadestraat, de Talmud Thora in de Kraaipanstraat, en de openbare scholen in de Jan van Eyck en aan de Sparrenweg. Ook het klasje in West, bij meester Druijf thuis, in de van Galenstraat blijft nog bestaan. Alle andere scholen, openbaar en confessioneel worden gesloten en de gebouwen terug gegeven aan de gemeente.
Van lesgeven is echter geen sprake meer, iedereen is in verwarring en aangeslagen, de relatieve veiligheid van het klaslokaal is merkbaar aangetast. Het Onderwijsbureau besluit om in verband met de gewijzigde omstandigheden, niet in te zetten op ‘leren’, maar op ‘onderdak’ bieden. De aanwezige leerkrachten krijgen als taak ‘vacantiescholen’ te verzorgen, net als de succesvolle periode in de zomer van 1942. Toen al kwam men snel tot de bevinding dat er eigenlijk alleen aandacht gewonnen kon worden met ‘vacantie-activiteiten’ zoals sport en spel en muziek en ‘epidiascoopvertoningen’ Maar nu, binnen een paar weken verslechtert de situatie verder. Na de razzia van 23/24 juli sluit ook de Herman Elteschool haar deuren en worden er nog slechts 40 en 15 kinderen geteld op de scholen in de Kraaipanstraat en de van Eyckstraat.
Maar deze geringe aantallen zeggen echter niets over de verwachten situatie na de zomervakantie, menen ze op het Onderwijsbureau in de Tulpstraat. Er wordt een plan ontwikkeld voor als de scholen in augustus weer gewoon open moeten gaan. Er wordt ingezet op drie scholen, twee openbare en een bijzondere. Want na lang beraad van het onderwijsbestuur wordt vastgesteld dat ‘het unificeren van bijzonder en gewoon onderwijs nog steeds om principiële redenen een probleem is’ En zo komt er alsnog een confessionele school, in het gebouw van de voormalige Talmud Thora, in de Kraaipanstraat. Er worden zeker 75 leerlingen verwacht, voornamelijk uit de laatste joodse wijk, de Transvaalbuurt; en dat is een royale bevestiging voor het besluit. Daarnaast komen er twee openbare scholen, de ene in Oost, in het gebouw van de joodse school nr 6 en de andere voor Zuid in de Daltonschool, waar joodse school nr 10 zat. En dan is er nog steeds het klasje in West, bij meester Druijf thuis, aan de Jan van Galenstraat.
In de edities van 30 juli en 6 augustus van het Joodsche Weekblad worden ouders en verzorgers opgeroepen hun kinderen aan te melden voor het onderwijs dat binnenkort zal aanvangen. Dat levert nauwelijks aanmeldingen op, maar op het onderwijsbureau denkt men dat het aantal werkelijk aanwezige kinderen veel groter is en dat deze leerlingen wel zullen komen opdagen wanneer de scholen geopend worden, alhoewel verwacht wordt dat het in Zuid aanzienlijk zal terug lopen.
Terwijl het gewone lager onderwijs na deze zomer weer is begonnen, op maandag 16 augustus, wordt de aanvangsdatum van de drie joodse scholen verschoven naar maandag 23 augustus. Op die dag blijkt echter het schoolgebouw aan de Sparrenweg niet meer beschikbaar, de nieuwe school wijkt uit naar het schoolgebouw aan de Joubertstraat, waardoor de opening weer een week wordt verschoven. Eind augustus is het dan zover, alle drie de scholen draaien; volgens de officiële telling ten dienste van de bezetter, gaat het om zo’n 220 leerlingen op drie lagere scholen in Amsterdam, binnen een totaal van 1.117 joodse leerlingen in heel Nederland, waarvan ruim 700 in Westerbork.
Ondertussen is het gelukt om drie onderwijsteams samen te stellen uit het kleine aantal leerkrachten dat nog beschikbaar is. Emanuel Bloemendal, wordt hoofd van de school in de Joubertstraat in de Transvaalbuurt, (dat was hij voordien in de Jekerstraat), naast hem worden Esther Goedhart-Mok ( van school 8) en Sara Mok-Levisson (van school 1) benoemd. Salomon Vuisje, het hoofd van de Talmud Thora B wordt hoofd van de laatste confessionele school, met Elisabeth Engelander-Polak (afkomstig van de Palacheschool) en Julia Bolle-Polak (van de blo-school) naast hem. En in de Daltonschool aan de Jan van Eyckstraat in Zuid zijn het Leon van Gelder (die daar al voor de klas stond) en Ida Van Delft-Reijs (van school 3) die de zorg voor de leerlingen op zich nemen.
Niet veel later sluit de school in de van Eyckstraat al weer haar deuren, er zijn bijna geen leerlingen meer en zowel meester van Gelder als Ida van Delft kiezen er alsnog voor in de onderduik te gaan. De paar leerlingen die er nog zijn, vinden we terug in de leerlingenlijst van de school in de Joubertstraat, het waren er nog zes. Hetzelfde gebeurt met de confessionele school in de Kraaipanstraat. In vrij korte tijd is het leerlingenaantal sterk terug gelopen en ook daar krijgen meester Vuisje en de juffen Elisabeth Engelander en Julia Bolle de kans in onderduik te gaan.

image.jpeg

de laatste school aan de Joubertstraat in de Transvaalbuurt
De laatste schoolsleutels worden ingeleverd en alleen het gebouw aan de Joubertstraat blijft beschikbaar. Naast de ongeveer 70 lagere schoolleerlingen verdeeld over drie klassen, biedt het gebouw ook onderdak aan de laatste kleuters, een groepje VGLO-leerlingen en wat nijverheidsleerlingen van de van Detschool en de Davidsschool, daar ontfermt meester Jerohm Hartog zich over, hij komt van de Joodse school in de President Brandstraat, die half juni is gesloten.
Per 2 september krijgt schoolhoofd Bloemendal nog toestemming om een vierde leerkracht aan te stellen. De school, argumenteert het onderwijsbestuur, blijft voorlopig nog wel onder de norm van 121 leerlingen, maar omdat er leerlingen zijn samengebracht van tien nogal uiteenlopende scholen, is er reden genoeg om extra zorg te bieden door de klassen klein te houden en de gecombineerde 5e/6e klas te splitsen. De nieuwe leerkracht is Hans Reys, de enige onderwijzer die nog over is van de Joodse school aan de Sparrenweg. De school groeit verder, half september telt de leerlingenlijst ruim 85 namen, afkomstig van alle denkbare joodse scholen in de stad, die voor de zomer al gesloten waren; er zijn zelfs kinderen bij die teruggekomen zijn uit Westerbork.
Ondanks dat het Onderwijsbureau sinds de zomer, allerlei regels en instructies had laten vallen, krijgen de ouders Kroonenberg op 23 september nog een schriftelijke reprimande omdat hun dochter Reina, weliswaar leerplichtig en thuishorende in de zesde klas, de school niet bezoekt : ‘De scholen functioneren momenteel weer regelmatig en worden door alle daartoe in aanmerking komende kinderen bezocht’
Nog geen week later, 29 september 1943 vindt de laatste grote razzia plaats, wederom wordt de Transvaalbuurt zwaar getroffen. Van de laatste school, in de Joubertstraat ontbreekt na die datum enig gegeven, aangenomen mag worden dat Reina, de andere kinderen en ook de vier leerkrachten verdwenen zijn.

buitengewoon onderwijs
Ook in het Amsterdamse buitengewoon onderwijs (tegenwoordig speciaal onderwijs) zaten in die dagen joodse kinderen. Volgens de opgave van juli 1941 waren het er ruim tweehonderd; de meeste zaten op vier scholen voor 'voor debielen en imbecillen'. Maar er waren ook ‘doofstomme’ kinderen en een enkele blinde en zelfs een paar ‘zwakzinnigen’ en ‘psychopaten’ die op bevel van de bezetter vanaf 1 oktober 1941 van hun eigen school verwijderd waren.
Voor die debielen en imbecielen kon de gemeente een aparte joodse school oprichten, maar voor die andere joodse kinderen in het buitengewoon onderwijs was dat, gelet op de kleine aantallen zowaar onmogelijk.
Op de J.C. Ammanschool aan het Hortusplantsoen, zaten zo’n 16 joodse ‘doofstommen’, verdeeld over alle groepen van kleuter tot en met 17 jarigen; die moesten dus van de bezetter weg. Maar begin september 1941 ontstond tussen het bestuur van de Vereeniging voor Doofstommen Onderwijs te Amsterdam en de Secretaris-generaal op het Onderwijsdepartement een briefwisseling, die er uiteindelijk toe leidde dat de bezetter ‘excepties’ toestond voor de joodse leerlingen op de Ammanschool. Ze konden vanaf 1 november weer gewoon terug naar hun oude school, om samen met niet-joodse kinderen les te krijgen van niet-joodse onderwijskrachten. De vier joodse leerkrachten van de Ammanschool, de dames Mietje Druif, Elisabeth Drukker-Vijevano en Estella Hilsum en meester Joseph Klein waren immers een jaar daarvoor reeds op non-aktief gezet.
Ook de paar blinde joodse kinderen op de Amsterdamse Blindenschool, konden weer gewoon terug naar hun school in de Vossiusstraat.

  • onder de pdf-knop een brief van 3 oct 1941 van Ammanschool aan het departement (coll. stichting Dovenshoah)

images/docs/brief_Ammanschool_3_oct_1941.pdf

Deze exceptieregeling gold dus niet voor joodse debielen, imbecielen en zwakzinnigen; die verspreid zaten op de negen Amsterdamse openbare BLO-scholen. Vier van die speciale scholen hadden een ‘sabbatregeling’ (wat inhield dat er sprake was van een overwegend joodse schoolbevolking). Dat waren de Jan Ligthartschool in de Kraaipanstraat op nr 56, de Sauvage Noltingschool aan de Plantage Doklaan 14, de Dr. Voûteschool in de Obistraat 9/11 en de Kingmaschool aan de Plantage Muidergracht op nr 26/28.
Drie van die scholen waren voor debielen, de Kingmaschool echter was er voor imbecielen. In dat schoolgebouw aan de Plantage Muidergracht kwam de Joodsche school voor BLO, met een dependance in het schoolgebouw in de Joubertstraat in de Transvaalbuurt. Daar zat eigenlijk de voorbereidende school nr. 25, maar die maakte plaats voor de buitenklassen van de joodsche voorbereidende school letter B en zo bleef er genoeg ruimte over voor de buitenklassen van de Joodse BLO school.
De Kingmaschool verhuisde van de Plantage Muidergracht naar de bovenverdieping van het schoolgebouw aan de Plantage Doklaan terwijl de De Sauvage Noltingschool, die daar zat, zich terugtrok op de benedenverdieping.
Stigter (en de site www.joodsamsterdam.nl) meldt dat deze joodse school voor buitengewoon onderwijs (voor imbecielen en debielen) gevestigd was in het gebouw Plantage Doklaan 14, daar waar de De Sauvage Noltingschool gevestigd was.
Dat was in eerste instantie het plan van de afdeling onderwijs, maar dat liep anders, gelet op o.a. het briefje dat de hoofden van de Kingmaschool en de De Sauvage Noltingschool op 20 september 1941 kregen, dat 'in verband met de organisatie van het onderwijs aan joodsche kinderen de Kingmaschool zal worden verplaatst en zal worden ondergebracht bij de De Sauvage Nolting school aan de Plantage Doklaan 14. Het gebouw van de Kingmaschool, Plantage Muidergracht 26/28 is dan bestemd voor de buitengewoon onderwijsschool voor joodsche kinderen'.
(NIOD 182-120 en SAA 5191-7430 -3217)

De Joodse BLO-school bestond bij aanvang uit tien klassen, zeven op de Plantage Muidergracht en drie in de Joubertstraat. In twee van de klassen in die dependance zaten de imbecielen. Izaak Duitscher werd benoemd tot Hoofd der School; in september '42 dook hij onder en werd opgevolgd door Maurits Israel, die over kwam van de joodse school in de Kraaipanstraat.
In november 1942 schrijft hij in een notitie aan het Joodse schoolbestuur, dat de leerlingen als verzameling als ‘zwakzinnigen’ kunnen worden gedefinieerd en dat dan drie categorieën onderscheiden worden: idioten, imbecielen en debielen. De laatste groep kan eigenlijk vrij normaal onderwijs krijgen, weliswaar nogal individueel, maar dat ligt een stuk ingewikkelder bij de imbecielen en de idioten. Temeer omdat door de ‘concentratie’ in september 1941, er eigenlijk nogal wat ‘zware gevallen’ zijn opgenomen, die elders niet meer werden toegelaten. Vandaar dat er gewerkt wordt in kleine groepen met doorgaans twee onderwijsgevenden op één groep, zeker bij de handvaardigheid-vakken die smiddags worden aangeboden. In deze notitie, die geschreven is in het licht van de overdracht van de gemeente aan de Joodsche Raad en de voorgenomen reorganisatie door het Joods Onderwijsbureau, wordt gepleit voor het behoud van de bestaande teams van onderwijsgevenden, met name in de Joubertstraat, bij de imbecielen.
In een andere notitie van een maandje later, staan 32 namen van de imbeciele leerlingen, in twee groepen verdeeld, de ene, die van meester Reens, telt 17 kinderen, in de andere, van juf Loopuit-Norden zijn het er 14 . De twee groepen worden bijgestaan door de juffen Druk en Drukker-Vijevano. Uit andere gegevens blijkt dat het Joods Onderwijsbureau het verzoek heeft ingewilligd, want tot het eind, mei 1943 waren deze vier leerkrachten werkzaam bij de imbecielen in de Joubertstraat. Sterker nog, in februari 1943 werden nog vier kinderbegeleidsters aangesteld voor het traject van huis naar school en smiddags terug, dat door alle kinderen te voet moest worden afgelegd. Weliswaar was toen het aantal leerlingen al teruggelopen van 185 in het begin naar 38 op 17 mei 1943 en daarvan waren er toen 10 imbecielen.

image.jpeg

Verder weten we niets van deze school en haar leerlingen noch van die van de J.C. Ammanschool aan het Hortus-plantsoen. Tegenover dat schoolgebouw staat sinds een paar jaar een klein gedenkteken : ‘de wereld bleef stil’ als herinnering aan ‘de dove joodse slachtoffers van het naziregime’.
En in de hal van het schoolgebouw zit een plaquette ter herdenking van de joodse leerlingen, leerkrachten en bestuursleden van de J.C. Ammanschool.

[zie ook dovenshoah.nl]

vervolg onderwijs
Als je van de lagere school kwam, had je in die tijd nog twee jaar leerplicht te gaan; je kon dan naar een school voor Voortgezet Gewoon Lager Onderwijs (VGLO) en op je vijftiende dan gaan werken bij een baas. Amsterdam had een aantal openbare VGLO scholen en daarnaast waren er ook Nijverheidsscholen waar je opgeleid werd in een vak, zoals naaister of timmerman, dat waren Rijksscholen of behoorden bij het Bijzonder Onderwijs.
Eind jaren dertig kwam het doorleren, ook voor arbeiderskinderen, gestaag op; je ging dan naar het Uitgebreid Lager Onderwijs (ULO) of naar het Middelbaar en Voorbereidend Hoger Onderwijs (HBS, Lyceum, Gymnasium).
Uiteraard moest Amsterdam in 1941 ook voorzien in joodse scholen voor het vervolgonderwijs, zo kwam er een Joodsche VGLO school, een Joodsche ULO, een Joodsche HBS en een Joodsch Lyceum en kwamen ook twee joodse nijverheidscholen, een voor meisjes en een voor jongens. Om het plaatje compleet te maken, kwam er ook nog een Joodsch Montessorilyceum, een Joodsche Kunstnijverheidsschool en een Joodsche Kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen.
Alhoewel ik me bij mijn onderzoek en publicatie beperk tot het gewoon lager onderwijs, vermeld ik hieronder [voor een compleet beeld van de onderwijssituatie voor joodse kinderen] de gegevens van het joodse vervolgonderwijs in de periode 1941-1943. Vergeet niet om daar waar een pijltje staat, even door te klikken naar aanvullende informatie.

---------------------------------------------------------------------------
Joodsche school voor VGLO
- hoofd was Jacob Isaac Arenowitz (1904-1943)
Smitstraat 39, in het gebouw van de VGLO school nr II
Nadat de Joodse Raad het joodse onderwijs had overgenomen, werd in december 1942 het gebouw Smitstraat afgestoten. De Joodse VGLO-school verhuisde naar het schoolgebouw aan de Sparrenweg (achter de poort op nr 11). De school die september 1941 82 leerlingen telde, was toen al gekrompen naar zo’n 35, met naast Jacob Arenowitz, Philip Hoepelman als onderwijzer. Juni 1943 werd ook het schoolgebouw aan de Sparrenweg gesloten, de laatste leerlingen (dat waren er half mei nog 14) verhuisden toen naar het schoolgebouw aan de Joubertstraat.
Joodsche school voor ULO
- hoofd was Dane Simons (1892-1943)
Christiaan de Wetstraat 21/23, in het leegstaande schoolgebouw van de Christiaan de Wetschool. Bij aanvang, eind september 1941 telde joodse ulo ruim 300 leerlingen, half mei 1943 was dit aantal met de helft teruggelopen. Eind juni 1943 werd het schoolgebouw teruggegeven aan de gemeente; blijkbaar was de Joodsche ulo per gelijke datum opgehouden te bestaan.
Naast deze openbare Joodsche ULO die in 1941 werd gesticht, bestond er al een confessionele Joodsche ULO-school, onder het bestuur van de Vereniging Kennis & Godsvrucht, die ook fröbelscholen en lagere scholen beheerde. Deze ULO was gevestigd aan de Weteringschans op nr 225a, op de hoek van de Reguliersgracht - vlak naast de Wilhelmina Catherinaschool. Het was een kleine school met een klein docentenkorps onder leiding van Felix Israel [1898].
In voorjaar 1941 waren er zo’n 150 leerlingen, maar in september 1941 groeide de school in een klap tot over de 200 leerlingen. Ook na opheffing van de besturende vereniging en de overname door het schoolbestuur van de Joodsche Raad bleef de school ongemoeid bestaan. Eind mei 1943 was het afgelopen, zoals alle Joodsche scholen in de oude stad, sloot de school toen definitief haar deuren.
[Schoolhoofd Felix Israel dook in 1945 weer op, kwam in dienst van de gemeente Amsterdam en werd in augustus hoofd van de Boekmanschool, voor opgedoken joodse leerlingen]

--------------------------------------------------------------------------
Joodsch Lyceum
- directeur was drs. Willem Salomon Elte (1888-1984)
vrm StadsTimmertuin 1 en Lepelstraat 22
(ik verwijs gaarne naar de publicatie over het Joodsch Lyceum van Dienke Hondius, 'Absent' (Vassallucci 2001)
Joodsche HBS
- directeur was Ezechiël Frenkel (1889-1944),
later was dat Maurits Belinfante (1896-1944)
Mauritskade 24 - maar verhuisde later (december 1942) naar cq werd samengevoegd met het Joodsch Lyceum.
Naast deze Joodsche HBS was er een confessionele Joodsche HBS, die gevestigd aan de vrml Stadstimmertuin, tegenover het pand waar het openbare Joodsch lyceum in 1941 haar deuren opende. Hier was Hartog Jacobs directeur. Deze Hogere Burger School stond onder het beheer van ‘de Centrale Organisatie voor de Religieuse en Moreele Verheffing der Joden In Nederland'. Deze vereniging werd, net als tal van andere Joodse organisaties, door de bezetter opgeheven. De HBS raakte zo haar bestuur kwijt en kwam dientengevolge onder het gezag van het schoolbestuur van de Joodsche Raad.
Uiteindelijk deed het Joodsche schoolbestuur een poging deze drie Instituten voor Voortgezet Onderwijs zoals ze werden genoemd, samen te voegen, maar dat wilde niet goed lukken. De verschillen tussen de 'openbare' en de 'kerkelijke' achtergrond van scholen, docenten en leerlingen speelden hierbij een rol, maar ook het gegeven dat de drie directeuren waarschijnlijk niet goed met elkaar overweg konden.

Joodsch Montessorilyceum
- directeur (rectrix) was Mevrouw Bremer-Polenaar
Guido Gezellestraat 12

notitie MONTESSORI LYCEUM

joodsche kweekschool
- directrice was Marie Eveline Lyons (1895)
Op de Amsterdamse Kweekschool op de Nieuwe Prinsengracht zaten in 1940/41 in elke jaargroep wel enkele joodse leerlingen. Een aantal van hen zou dat schooljaar, in mei 1942 examen moeten doen maar de gemeente talmde met een oplossing voor deze aankomende onderwijzers. Het examen was een Staatsexamen, en ook daar waren Joden van uitgesloten De pas gevormde onderwijscommissie van de Joodsche Raad nam het initiatief; er was al een tekort aan joodse leerkrachten en men voorzag dat dat tekort nog wel zou toenemen, reden genoeg om met spoed eigen onderwijskrachten op te leiden. Vanaf einde september waren er regelmatig gesprekken van Isaac vd Velde van de Joodse onderwijscommissie en ambtenaren op het Departement. In dat overleg werd ook de betrokkenheid geregeld van het departement met de spoedopleiding voor Joodsche onderwijzers en onderwijzeressen. Er kwam geld en zelfs een dispensatie voor de praktijkuren, eigenlijk moest een aankomende onderwijzer immers een half jaar stage lopen, en daar was nu niet genoeg tijd voor. Maandag 23 november 1941 kon de cursus starten, er werd een lokaal vrij gemaakt bij de Joodse HBS in de Coornhertschool aan Mauritskade nr 24. Er waren dat jaar zo’n 25 leerlingen. Nog geen half jaar later verwierven die allemaal hun akte van bekwaamheid en na de zomer van 1942 stonden ze voor de klas op een Joodsche school.
De transporten hadden toen al de eerste gaten geslagen in de onderwijsteams van verschillende joodse scholen.
Na het succes van de stoomcursus nam de Joodse Onderwijscommissie het initiatief voor een volledige Joodse Opleidingsschol voor onderwijzers en onderwijzeressen. Het leerplan omvatte vier volledige jaren en droeg de handtekening van Isaac vd Velde, die toen hoofd van het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad was. Henri van Praag (1916-1988) werd aangesteld als directeur en toen hij onderdook kwam mejuffrouw Eveline Lyons in zijn plaats. Het schoolgebouw van de Coornhertschool werd ontruimd en teruggeven aan de gemeente; de joodse Hbs trok in bij het Joods Lyceum en de Joodsche Kweek kreeg onderdak in de voormalige Christiaan de Wetschool in de gelijknamige straat. Ze kregen er twee lokalen, in de rest van het gebouw zaten de twee joodse ulo’s, die van Kennis & Godsvrucht en de ‘openbare’, die twee werden begin december 1942 samengevoegd.
Naast de opleiding A (voor lagere schoolleerkrachten) was er ook een cursus voor het voorbereidend onderwijs; die leerlingenlijst telde zeven meisjes, allemaal zo’n 17 jaar, van hen zijn er slechts twee teruggekomen.
Ook de Joodse Kweek werd in juni 1943 gesloten.
Leo Piller (1912-2004) schreef over zijn kweekschooltijd:
De diploma-uitreiking vond plaats alsof de nieuwbakken juffrouwen en meesters normaal hun plaats voor de klas in het nieuwe schooljaar 1942-1943 zouden kunnen innemen. De tijdelijke aanstelling geschiedde door de afdeling Onderwijs ten stadhuize, die het toezicht op het joodse, evenals het andere onderwijs, uitoefende. De inspecteur voor het lager onderwijs had ons tijdens de opleiding ook bezocht om ons van het officieel karakter daarvan te overtuigen.
Maar hoe anders verliep de praktijk dan wat wij ons van het geven van onderwijs gedacht hadden. Want wanneer je 's middags na vier uur de school verliet, wist je niet, wie er de volgende dag nog aanwezig zouden zijn, zowel onder de leerlingen als onder het onderwijzend personeel, jezelf inbegrepen. Lopend op weg naar huis -de tram was voor joden niet toegankelijk- moest je nog uitkijken voor wellicht een of andere razzia. Zo moest ik tijdelijk van de Dapperbuurt, waar m’n school was in de Van Swindenstraat naar de Stadionbuurt, waar ik woonde. Onder de kinderen werd het moeilijker orde te houden. Zelf vroeg je je af waar dat les geven toe diende naarmate de klassen kleiner werden.
Ik weet nog heel goed hoe bij het begin van het schooljaar, toen de deportaties nog pas waren ingezet, een jongetje 's morgens vrolijk de klas in kwam en bijna juichend verkondigde: 'Meester, we gaan naar Polen.' Dat was toen nog nieuw, hij was de eerste uit de klas, die het overkwam, en hij beschouwde de reis, die hem te wachten stond, als een avontuur, dat hem uit tilde boven de andere kinderen, die hier moesten blijven. De volgende dag was zijn plaats leeg, zoals er daarna zoveel lege plaatsen zouden komen. Daardoor kwam er een teveel aan onderwijzend personeel, zodat de afdeling Onderwijs van de Joodse Raad, aan welke instantie alle verantwoordelijkheid voor het joodse onderwijs per 1 september 1942 was overgedragen, geen klas meer voor mij als invaller over had. Dit is het droevige verhaal van wat maar een klein en onbetekenend onderdeel vormde van het drama dat zich zomer 1942 in Amsterdam voltrok.

[gepubliceerd in Ons Amsterdam : maart 1989]

nijverheidsonderwijs
In Amsterdam waren er meer dan veertig scholen met het etiket ‘nijverheidsonderwijs’ – de verzamelnaam voor tal van lagere beroepsopleidingen waar vooral volkskinderen direct na de lagere school naar toegingen. Ook daar moesten de joodse kinderen vertrekken; zo’n 580 in getal. Ze zaten onder andere op de Grafische school (28 leerlingen), de 3e Ambachtschool (103), de Vakschool voor Kleermakers (64), de Vakschool voor Industrie-naaisters (50), de Vakschool voor Winkel-personeel (40) en de Amsterdamsche Huishoudschool met nog eens 23 leerlingen.
Dat was dus per 1 oktober, de datum waarop de scheiding in Amsterdam moest aanvangen. Maar vanaf de bekendmaking van de maatregel, half augustus, waren er oa door de Joodsche Raad, verschillende pogingen ondernomen om aanspraak te kunnen maken op een uitzonderingsregeling. Ook het bestuur van de 3e Ambachtsschool (aan het Timorplein) wendde zich tot Secretaris-generaal van Dam, en schrijft op 30 september 1941 ten tweede male, in een laatste poging
‘.........veroorloven wy ons dringend U te verzoeken ons verlof te verleenen de Joodsche leerlingen voorlopig op onze scholen te handhaven. Het betreft 122 leerlingen die, als wy hun morgen den toegang tot onze scholen moeten ontzeggen, niet in de gelegenheid zyn verder Nyverheidsonderwys te ontvangen. De [Joodsche] A.B. Davidschool kan hen niet opnemen en er zyn lokaliteiten noch personeel beschikbaar hun onderwys te geven, zoodat de jongens zonder meer de straat op zouden worden gestuurd. Dit kan niet Uwe bedoeling zyn, daar een regeling zou worden getroffen, opdat behoorlyk onderwys voor Joodsche kinderen zou worden verkregen.’
Ab Caransa (1927-2006), leerling bankwerken op die 3e Ambachtschool, schrijft (in ‘Van School Verwijderd; Jood.’)
‘In september 1941 moesten alle leerlingen van de 3e Ambachtschool klas voor klas langs de conciërge defileren. Aan elke leerling dezelfde vragen : “Hoe heet jij jongen ? Ben jij jood ?” 103 leerlingen beantwoordden die tweede vraag bevestigend, waarna de portier hen meedeelde dat ze de volgende dag niet meer op school mochten verschijnen’
De ontjoodsing van het Nijverheidsonderwijs was natuurlijk ook elders in Nederland aan de orde; verspreid over het land zaten er zo’n 400 joodse leerlingen op allerlei soorten ambachtscholen en huishoudscholen. Het betrof zulke kleine aantallen in allerlei gespecialiseerde opleidingen, dat het volstrekt ondoenlijk was daar afzonderlijk onderwijs voor te organiseren voor uitsluitend joodse leerlingen. Niet alleen vanwege de kleine aantallen per opleiding, maar ook omdat in het Nijverheidsonderwijs les werd gegeven in speciaal ingerichte lokalen met allerlei apparatuur door gespecialiseerde leerkrachten. Die drie factoren waren natuurlijk niet makkelijk te organiseren voor die kleine aantallen, in de diverse steden. Zoals het voor de verspreid wonende leerlingen in het buitengewoon onderwijs werd toegestaan, stond de bezetter uiteindelijk ook een ‘exceptieregeling’ voor nijverheidsleerlingen toe, zo liet Secretaris-generaal van Dam weten in zijn brief van 31 october 1941. Veel van die leerlingen keerden toen weer terug naar hun oude school, in hun vertrouwde klas, maar die regeling gold dus niet voor het Nijverheidsonderwijs in de grote steden. In Den Haag en Rotterdam, werden resp. zo’n 50 en 120 leerlingen getroffen en 600 in Amsterdam, waarvan de bezetter meende dat die makkelijk geconcentreerd konden worden op afzonderlijke scholen.

  • de A. B. Davidsschool in de Valckenierstraat op nr 39

image.jpeg

In Amsterdam gebeurde dat zo veel als mogelijk was, op de twee Nijverheidsscholen in de Jodenbuurt; de E. J. van Det Nijverheidschool voor meisjes aan het Hortusplantsoen en de Nijverheidsschool A.B. Davids in de Valckenierstraat. Beide scholen waren in aanleg geen joodse scholen, alhoewel de 'Vereeniging voor oprichting en instandhouding van Lagere Nijverheidsscholen’, die het beheer over deze scholen voerde in een van haar jaarverslagen schrijft dat ‘door de stichting van deze school waardevolle kansen op meerdere welvaart en betere sociale toestanden worden geboden aan het Joodsche volkskind'. De overgrote meerderheid van de leerlingen op beide scholen kwam dan ook uit een joods gezin, van veelal ongeschoolde arbeiders, venters en markkooplieden; beide scholen respecteerden dientengevolge de sabbat en waren dus op zaterdag gesloten. De bezetter deed er een schepje bovenop door te bepalen dat de niet-joodse leerlingen vanaf 1 oktober niet meer op deze scholen konden worden toegelaten. Met een pennenstreek werden de Davidsschool en de van Detschool verjoodst; ook uit de onderwijsteams en het bestuur moesten de niet-joodse leden wijken.
Het aantal vertrekkende leerlingen was echter beduidend kleiner dan de toevloed aan joodse leerlingen van de andere nijverheids- en ambachtscholen. De meisjes van de naaischool en de huishoudschool werden ingedeeld op de van Detschool, terwijl kleermakersleerlingen, de grafische leerlingen en de ruim 100 leerlingen van de ambachtscholen op de Davidsschool werden geplaatst. De scholen barstten uit hun voegen, maar uitbreiden met een dependance zat er niet in; de kosten voor de inrichting van de lokalen waren te hoog, maar het ontbrak ook aan gekwalificeerde joodse docenten in de verschillende leervakken.
Over de aantallen in dat eerste ‘joodse’ schooljaar heb ik (nog) geen gegevens weten te achterhalen, wel lees ik in de jaarverslagen van de jaren ’30 dat beide scholen ruim 200 leerlingen hadden, dat moeten er in het schooljaar 41/42 dus op de twee scholen elk, meer dan driehonderd zijn geweest. Maar een aanzienlijk deel van die 580 leerlingen van de andere scholen heeft in die oktobermaand het onderwijs de rug toe gekeerd, velen van hen waren immers al niet meer leerplichtig.
Bij de gedwongen overdracht door de Vereeniging aan de Joodsche Raad in het najaar van 1942, ontstonden verschillende financiële problemen. De twee scholen werden voorheen gesubsidieerd door Gemeente (30%) en Rijk (70%) tezamen, maar ook hier eiste de bezetter, dat net als bij het bijzonder onderwijs, de overheid de bekostiging stopzette. Dat betrof dan in de eerste plaats de salariëring van het onderwijspersoneel, maar het gold ook de aflossingstermijnen van de lening die in 1932 was aangegaan voor de aankoop van het schoolgebouw aan het Hortusplantsoen. De bezetter stelde zich ook hier op het standpunt dat de joodse gemeenschap er zelf maar voor moest opdraaien, maar per 1 december 1942 werden dan toch de plooien gladgestreken. De lening werd door het Rijk afgelost en in het subsidie dat het departement van Financiën aan de Joodsche Raad toekende voor het joodse onderwijs [80,- gulden per leerling per jaar] werden ook de leerplichtige leerlingen van de twee Nijverheidsscholen meegerekend, dat waren er 464, per 1 september 1942.
Bij de leerlingentelling van 17 mei 1943 waren er nog maar 125 leerlingen over; tien dagen later, na de grote razzia’s in de Jodenbuurt werden de Davidsschool en de van Detschool allebei gesloten, ook hier waren alle leerlingen en leerkrachten verdwenen, opgepakt of alsnog ondergedoken.

notitie NIJKERKSCHOOL

kunstnijverheidschool
- directeur was Jaap Kaas (1898-1972)
Naast het gewone nijverheidonderwijs was er het Instituut voor Kunstnijverheid Onderwijs (Ivkno) in Amsterdam. Uiteraard werd ook die school verboden terrein voor successievelijk de joodse leraren en joodse leerlingen, waarop een van de oud-docenten, Jaap Kaas het initiatief nam voor een eigen Joodsche Kunstnijverheidschool, kortweg de Van Leerschool. Genoemd naar de industrieel W.A. van Leer uit wiens nalatenschap de school werd gefinancierd (via Comfina, de commissie van de Joodsche Raad die joodse vermogens beheerde). Zowel de meeste leerkrachten als de leerlingen kwamen van die Amsterdamse Kunstnijverheidsschool. In het tweede jaar telde de school zo’n zestig leerlingen; ze hadden allemaal een ‘sperr’ net als de leraren, reden om voor beide groepen een soepel aannamebeleid te hanteren.
De school opende op 10 november 1941 haar deuren en was gevestigd op de tweede verdieping van de Hollandsche Schouwburg in de Plantage. Na een aantal maanden werd verhuisd naar een geschikter en ruimer pand aan de Kloveniersburgwal, op nr 15. Na de razzia op 20 juni 1943 werd de school definitief gesloten.
In 2012 publiceerde Noortje van Amerongen haar Masterscriptie over deze school onder de titel ‘Kunstnijverheidsonderwijs als vrijhaven’ Universiteit Utrecht.

images/docs/jaap_kaas.pdf DE W.A. VAN LEERSCHOOL

voorbereidend onderwijs
In die tijd ging je naar de lagere school in het jaar dat je zeven werd; er was geen leerplicht voor kleuters en evenmin een zorgplicht door de overheid. Desondanks zorgde de gemeente Amsterdam voor een breed netwerk van voorbereidende scholen (kleuterscholen en fröbelscholen zoals ze toen werden genoemd; er waren er zeker wel 50. Ze hadden geen naam maar een nummer, de school voor voorbereidend onderwijs in Betondorp was bijvoorbeeld nr 42. Er waren 182 openbare lagere scholen en die hadden wél allemaal een naam.
Ook het bijzonder onderwijs had een behoorlijk aantal fröbelscholen.
Mijn onderzoek beperkt zich tot het lager onderwijs, dat neemt niet weg dat het vermeldenswaardig is dat door de gemeente drie joodse openbare kleuterscholen zijn opgericht, die hadden dan weer geen nummer maar een letter, het waren de voorbereidende scholen A, B en C.
Alle drie waren verspreid over meerdere vestigingen, zodat de afstand huis-school zeker voor de kleuters overbrugbaar was.
Vanaf het 2e besluit van de Burgemeester van november 1941, was de situatie als volgt:
Joodsche Voorbereidende School letter A
- hoofd der school: Hendrika Cohen (1894-1943)
Sparrenweg 11
Tweede Boerhaavestraat 82 (Montessoriklassen)
Nieuwe Uilenburgerstraat 96
Plantage Muidergracht 20
Joodsche Voorbereidende School letter B
- hoofd der school: Branca Osterloh-Montezinos (1893-?)
Joubertstraat 11
Eerste van Swindenstraat 135
Joodsche Voorbereidende School letter C
- hoofd der school: Delphine Levie (1890-1943)
Daniël Willinkplein 11 (Montessoriklassen en Fröbelklassen)
Borssenburgplein 13
In het joods bijzonder onderwijs bestonden voor die tijd al de volgende voorbereidende scholen
Vereniging voor Isr. voorbereidende scholen
had drie fröbelscholen
aan de Keizerstraat 23 en
in de Rapenburgerstraat 62 en ook een
in de Talmud Toraschool aan de Kraaipanstraat.
- Betje Sohlberg (1896-1943) had de leiding over de drie fröbelvestigingen tezamen.
Nederlands Israëlische Schoolvereniging Kennis en Godsvrucht, had een fröbelschool die eerst gevestigd was aan de Nieuwe Keizersgracht 54, maar verhuisde in juli 1940 naar de Lekstraat, naast de nieuwe synagoge. Maar volgens een bericht in het N.I.W van 8 maart 1940, waren er twee vestigingen : Nieuwe Keizersgracht 54 en voor de kleintjes van 3-4,5 jaar Plantage Muidergracht 5. Sipora de Jong-van Gelderen (1897-1943) was hoofd van de vestiging Lekstraat.
Volgens de door mij bijeengesprokkelde gegevens moeten er per september 1941 zo'n 6 a 700 kleuters op die zeven scholen hebben gezeten en in mei 1943 waren het er toch nog vijfhonderd